WAB proof

WAB proof is een populaire term die wordt gebruikt als aanduiding voor de mate waarin een organisatie voldoet aan de Wet Arbeidsmarkt in Balans (WAB). Deze wet treed in werking vanaf 1 januari 2020 en is van toepassing op alle organisaties in Nederland die werknemers in dienst hebben. De WAB is in feite de vervanger van de Wet Werk en Zekerheid oftewel de WWZ die in 2019 nog van toepassing is. De WWZ heeft de overheid niet datgene gebracht wat ze had gewild namelijk een hervorming van de arbeidsmarkt.

Arbeidsmarkt in balans
De WAB is door de wetgever ontwikkelt om meer balans te creëren op de arbeidsmarkt. De wetgever is namelijk van mening dat er geen balans is tussen de hoeveelheid flexwerkers en de hoeveelheid vaste krachten in Nederland. De Wet Arbeidsmarkt in Balans is daarom vooral gericht op het zo onaantrekkelijk mogelijk maken van flexwerk voor werkgevers.

WW-premiedifferentiatie
Er veranderen een aantal aspecten door deze wet. Werkgevers zullen vanaf 1 januari 2020 WW-premies moeten afdragen op basis van het dienstverband van de werknemer. Is de werknemer een flexwerker dan zal de WW-premie ongeveer vijf procent hoger zijn ten opzichte van de WW-premie die voor vaste krachten zal moeten worden afgedragen. Dit wordt ook wel de WW- premiedifferentiatie genoemd. Door de differentiatie in de WW-premie worden flexkrachten duurder. Organisaties moeten hier op zijn voorbereid zodat ze in 2020 niet voor verassingen komen te staan. Een organisatie die goed is voorbereid op de bepalingen van de Wet Arbeidsmarkt in Balans wordt ook wel WAB proof genoemd.

Veranderingen door WAB
Overigens is de WW-premiedifferentiatie niet de enige verandering die voortvloeit vanuit de WAB. De transitievergoeding zal bijvoorbeeld ook veranderen. Werknemers hebben vanaf de eerste werkdag in feite recht op een transitievergoeding op basis van de WAB in plaats van na twee jaar volgens de Wet Werk en Zekerheid (WWZ). Ook de ketenregeling zoals die gehanteerd werd onder de WWZ zal veranderen. Deze ketenregeling wordt weer verruimd naar drie jaar zoals voor de WWZ van toepassing was op de arbeidsmarkt. Naast deze wijzigingen moeten bedrijven ook werknemers met een oproepcontract eerder op de hoogte brengen van het rooster dat ze moeten gaan werken.

Flexibele schil
Zo krijgen oproepkrachten tijdig meer duidelijkheid over de uren die ze kunnen gaan werken. Ook bij annulering van bepaalde diensten moeten bedrijven hun oproepkrachten tijdig op de hoogte brengen anders moet de dienst gewoon worden uitbetaald. Al deze aspecten zorgen er voor dat bedrijven nogal wat moeten veranderen in hun planning en bedrijfsvoering. Het is niet eenvoudig om WAB proof te zijn. Met name kleinere organisaties die veel met flexkrachten werken zullen aan het einde van 2019 een aantal belangrijke beslissingen moeten nemen over de flexibele schil en de dienstverbanden van flexwerkers.

Wat is de cumulatiegrond in de Wet Arbeidsmarkt in Balans (WAB)?

De cumulatiegrond is opgenomen in de Wet Arbeidsmarkt in Balans (WAB) en is een combinatie van meerdere onderbouwde ontslaggronden die gedeeltelijk aan de orde zijn en gezamenlijk voldoende grond bieden om een ontslag via de kantonrechter mogelijk te maken (definitie van Pieter Geertsma technischwerken.nl). De Wet Arbeidsmarkt in Balans heeft ook het ontslagrecht in Nederland gedeeltelijk hervormd. Tot 1 januari 2020 moest een werkgever een ontslagdossier opbouwen waarin 1 ontslaggrond volledig werd onderbouwd maar sinds de invoering van de WAB is de cumulatiegrond oftewel een combinatieontslag mogelijk waarbij meerdere ontslaggronden gedeeltelijk zijn onderbouwd in een ontslagdossier. Hieronder worden de verschillen met betrekking tot ontslaggronden uitgelegd in een alinea waarin de oude situatie voor de invoering van de WAB is beschreven en een alinea waarin de nieuwe situatie is beschreven die aan de orde is sinds 1 januari 2020 door de invoering van de WAB.

Ontslag voor de invoering van de WAB
Voor 1 januari 2020 werd ontslag via de kantonrechter verleend als de werkgever een goed ontslagdossier had opgebouwd. Daarbij was ontslag op basis van één ontslaggrond mogelijk maar dan moest deze ontslaggrond wel duidelijk bewezen worden. Er zijn een aantal ontslaggronden die door de kantonrechter geaccepteerd zouden kunnen worden mits deze goed zijn uitgewerkt in een ontslagdossier. Dit zijn de volgende acht ontslaggronden:

  • bedrijfseconomische omstandigheden,
  • langdurige arbeidsongeschiktheid,
  • frequent ziekteverzuim,
  • disfunctioneren,
  • verwijtbaar handelen of nalaten van de werknemer,
  • werkweigering wegens een ernstig gewetensbezwaar,
  • een verstoorde arbeidsverhouding,
  • andere omstandigheden die zodanig zijn dat voortzetting van de arbeidsovereenkomst in redelijkheid niet kan worden gevergd.

In een ontslagdossier moest een werkgever aantonen dat in ieder geval één van de hierboven genoemde ontslaggronden aan de orde was en dat de werkgever de werknemer daarom niet meer in dienst kon of wilde houden. Daarbij moest de werkgever ook in het ontslagdossier vermelden welke taken en acties de werkgever had uitgevoerd om de werknemer de kans te geven om toch nog goed te functioneren en in het arbeidsproces betere resultaten te laten zien. Als deze acties duidelijk omschreven waren en toch niet het gewenste resultaat hadden werd ook dit als ‘bewijsvoering’ in het ontslagdossier vermeld. Dit ontslagdossier werd vervolgens beoordeeld door de kantonrechter en als deze goedkeuring gaf voor het ontslagdossier dan kon de werknemer ontslagen worden.

Ontslag na de invoering van de WAB
Na de invoering van de WAB op 1 januari 2020 is het ontslagrecht versoepeld. Dat betekent dat werkgevers meer mogelijkheden hebben om werknemers te ontslaan. In plaats van dat er één ontslaggrond volledig aan de orde is kunnen werkgevers meerdere ontslaggronden clusteren. Dit wordt ook wel een combinatie-ontslag of een cumulatie-ontslag genoemd. Er is dan sprake van een zogenaamde cumulatiegrond. Dit zijn meerdere ontslaggronden die gedeeltelijk aan de orde zijn. In feite betekent dit dat van de 8 genoemde ontslaggronden geen enkele grond volledig bewezen en uitgewerkt hoeft te zijn in een ontslagdossier. In plaats daarvan kunnen meerdere ontslaggronden gedeeltelijk aan de orde zijn en gedeeltelijk beschreven zijn in een ontslagdossier op basis van cumulatiegrond. Werknemers die op basis van een cumulatiegrond worden ontslagen kunnen volgens de WAB wel een wat hogere ontslagvergoeding krijgen. Deze kan maximaal anderhalf keer de normale ontslagvergoeding worden. In heel bijzondere gevallen kan de ontslagvergoeding op basis van cumulatiegrond nog hoger uitvallen voor de voormalige werknemer.

Ketenregeling wijzigt met Wet Arbeidsmarkt in Balans vanaf 1 januari 2020

De ketenregeling is een benaming voor een regeling waarin het maximale aantal tijdelijke contracten over een maximale periode is aangegeven waarna de werknemer (automatisch) een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd ontvangt. De ketenregeling lijkt een vaste regeling te zijn maar in de praktijk wijzigt de ketenregeling regelmatig. Daarom is het voor werknemers, werkgevers en arbeidsjuristen belangrijk om op de hoogte te zijn van de ontwikkelingen met betrekking tot de ketenregeling.

Ketenregeling voor de Wet Arbeidsmarkt in Balans
In het verleden was de 3x3x3 van toepassing. Deze regeling hield in dat een werknemer maximaal drie tijdelijke contracten over een periode van drie jaar zou mogen ontvangen met maximale tussenpozen van drie maanden. Na afloop van deze periode zou de werknemer bij voortzetting van de werkzaamheden bij dezelfde werkgever een vast contract moeten ontvangen oftewel een contract voor onbepaalde tijd. Door de Wet Werk en Zekerheid (WWZ) is deze regeling gewijzigd naar de 3x2x6 regel. De ketenregeling onder de WWZ is maximaal drie tijdelijke contracten, over een periode van twee jaar met een maximale tussenpozen van zes maanden.

Ketenregeling Wet Arbeidsmarkt in Balans
Inmiddels in er weer nieuwe wetgeving op de arbeidsmarkt van toepassing namelijk de Wet Arbeidsmarkt in Balans. Deze wet wordt ook wel afgekort met WAB en brengt grote verandering op de arbeidsmarkt. Op het gebied van de ketenregeling zijn de veranderingen echter minder revolutionair. De ketenregeling onder de WAB bepaald dat er maximaal drie tijdelijke contracten over een maximale periode van drie jaar kunnen worden verstrekt door een werkgever. De maximale tussenpozen van zes maanden tussen de contracten blijft hetzelfde. Dat betekent dat als er meer dan zes maanden tussen twee tijdelijke contracten zitten er een nieuwe keten ontstaat. Dan begint in feite de telling in het aantal tijdelijke contracten weer opnieuw.

Wat is het “Wetboek van Werk” 2025?

Wetboek van Werk is een document met mogelijke wet- en regelgeving voor de Nederlandse arbeidsmarkt en is opgesteld door een onafhankelijke commissie van experts in opdracht van het kabinet. Er werd in de hiervoor genoemde zin / definitie bewust het woord ‘mogelijke’ gebruikt want het Wetboek van Werk is in 2019 geen definitief wetboek dat als wetgeving gehanteerd zal worden. In plaats daarvan is het Wetboek van Werk eerder een advies van experts op de Nederlandse arbeidsmarkt. Het Wetboek voor Werk bevat een aantal verbeteringen voor de arbeidsmarkt van Nederland die zouden doorgevoerd moeten worden voor 2025 aldus de experts. De experts die aan het Wetboek van Werk hebben gewerkt zijn onder andere arbeidsrechtadvocaten en hoogleraren arbeidsrecht.

Waarom het Wetboek van Werk?
De overheid, werkgevers en werknemers zijn het er over eens dat de arbeidsmarkt zal veranderen de komende tijd. Daarom zal de wet- en regelgeving met betrekking tot deze arbeidsmarkt ook regelmatige geëvalueerd moeten worden. Er moet worden beoordeeld of de wet- en regelgeving van 2019 ook de komende jaren effectief zal zijn voor een zo gezond mogelijk arbeidsklimaat. De overheid kan hierbij een bepaald toekomstbeeld hebben maar het is belangrijk dat onafhankelijke experts ook hun mening, visie en adviezen kunnen inbrengen. De arbeidsmarkt is namelijk complex en er zijn zeer veel factoren waarmee rekening gehouden moet worden. Denk hierbij aan de rechten en plichten van werkgevers en werknemers. Ook de overheid speelt een rol met betrekking tot het bieden van uitkeringen aan mensen die niet (volledig) aan het werk kunnen. Daarnaast is de arbeidsmarkt belangrijk omdat het gaat om de inkomsten van werknemers en het oplossen van bijvoorbeeld personeelstekorten bij bedrijven.

Experts
Er moet een goed onderzoek worden gedaan naar al deze aspecten voordat er een degelijk advies kan worden uitgebracht. Daarom werkt een groep onafhankelijke experts aan een onderzoek naar de Nederlandse arbeidsmarkt. Zoals in de inleiding is aangegeven zijn deze experts onder voornamelijk actief in het arbeidsrecht. Ze zijn werkzaam als arbeidsrechtadvocaat of zijn hoogleraar in dit vakgebied. Deze experts zijn van mening dat een fundamentele herziening van het Arbeidsrecht noodzakelijk is. Er is in Nederland namelijk een tweedeling op de arbeidsmarkt. Aan de ene kant van deze tweedeling staan de werknemers met een vast contract (contract voor onbepaalde tijd) en aan de andere kant staan de werknemers die op flexibele basis werken. Daar moet een balans in komen. In november 2019 volgt het advies van de expertgroep. Op donderdag 20 juni werd alvast een tussenrapportage bekend gemaakt.

Tussenrapportage Wetboek van Werk
Het Wetboek van Werk is in 2019 volop in ontwikkeling. Op donderdag 20 juni werd een tussenrapportage bekend gemaakt. Inmiddels is redelijk duidelijk wat men van de definitieve rapportage in november kan verwachten. Een aantal punten is al bekend gemaakt door de experts die aan het Wetboek van Werk hebben gewerkt. Deze punten zijn op nieuwswebsite NU.nl bekend gemaakt naar aanleiding van een gesprek tussen de nieuwswebsite en twee deelnemers aan van de expertgroep: Rotterdamse hoogleraar arbeidsrecht Ruben Houweling en advocaat Max Keulaerds. De punten staan in de volgende alinea.

Voorgestelde veranderingen in Wetboek van Werk
In het Wetboek van Werk wordt aangegeven hoe de arbeidsmarkt naar inzicht van een groep experts kan worden verbetert de komende jaren. Daarvoor zijn een aantal aanpassingen nodig.

  • Verruiming werknemersbegrip naar ‘werker’
  • Leven lang ontwikkelen als kernwaarde
  • Zes weken inkomen tijdens ziekte door werkverschaffer
  • Inkomensbescherming tijdens ziekte na zes weken voor alle werkers
  • Een redelijke grond voor elke beëindiging
  • Repressieve toetsing van deze grond
  • Laagdrempelige arbeidsrechter
  • Verval transitievergoeding
  • Verhoogde WW
  • Versterking loopbaanbeleid
  • Pensioen inclusief zelfstandigenregeling
  • Gelijke fiscale behandeling van alle werkers

Toelichting op de veranderingen
Een voorbeeld van de verandering die de expertgroep wil doorvoeren is het veranderen van het begrip ‘werknemer’, in plaats van dit begrip hanteert de expertgroep het begrip ‘werker’. Deze keuze is gemaakt omdat de experts van mening zijn dat met het begrip werker geen discussie meer gevoerd kan worden over de verschillende contracten. Een ander voorbeeld van een grote verandering die wordt voorgesteld is het reduceren van de ‘enkele knellende werkgeversverplichtingen’. Werkgevers moeten bijvoorbeeld volgens het advies bij ziekte een werker in de toekomst nog slechts 6 weken door betalen, dat is een groot verschil met de huidige situatie waarin werkgevers veel langer verantwoordelijk zijn voor het doorbetalen van een zieke werknemer. Ook wordt er in het nieuw Wetboek van Werk gesproken over een sociaal vangnet dat los staat van de contractvorm. De WW wordt ruimer en er wordt gepleit voor een breed geldende ontslagtoets die achteraf plaatsvind door een gespecialiseerde arbeidsrechter. Al deze maatregelen moeten de Nederlandse arbeidsmarkt gezond maken voor de toekomst. Het Wetboek van Werk is een voorstel aan aantal arbeidsrechtadvocaten en -hoogleraren.

Wat is een relatiebeding?

Een relatiebeding is een bijzondere vorm van een concurrentiebeding waardoor het voor een werknemer, na ondertekening, verboden wordt om na het einde van de arbeidsovereenkomst contact te onderhouden met relaties van de (voormalig) werkgever of voor deze relaties te gaan werken. Werkgevers mogen alleen een relatiebeding afsluiten met werknemers die achttien jaar of ouder zijn en een vast contract hebben. Voor tijdelijke contracten mag geen relatiebeding worden afgesloten omdat dit de werknemer op een onredelijke wijze zou hinderen om op korte termijn weer aan de slag te gaan in dezelfde branche of sector.

Verschil tussen relatiebeding en concurrentiebeding

In tegenstelling tot een concurrentiebeding mag men als men alleen een relatiebeding heeft ondertekend wel in dienst treden bij een concurrerende onderneming of zelf een concurrerende onderneming starten. Met een relatiebeding mag men alleen geen contact opnemen met relaties waarmee men contact heeft gehad tijdens het werk bij de werkgever waarbij men het relatiebeding heeft getekend.

Wat is een vaststellingsovereenkomst?

De vaststellingsovereenkomst is een overeenkomst waarin een bindende regeling is opgenomen om een bestaand geschil op te lossen of een geschil te voorkomen. Een vaststellingsovereenkomst wordt meestal opgemaakt in de vorm van een beëindigingsovereenkomst waarin afspraken worden gemaakt hoe een werknemer de organisatie gaat verlaten. In een vaststellingsovereenkomst staan de voorwaarden met betrekking tot het ontslag van de werknemer. Door deze voorwaarden en afspraken vast te leggen kunnen discussies of geschillen in de toekomst worden voorkomen.

Werkgever en werknemer tekenen
Zowel de werknemer als de werkgever hebben baat bij duidelijkheid als er een ontslag plaatsvind. Daarom is een vaststellingsovereenkomst voor zowel de werkgever als de werknemer een nuttig middel om problemen op te lossen en te voorkomen. Zowel de werknemer als de werkgever moeten de vaststellingsovereenkomst ondertekenen. Wanneer beide de vaststellingsovereenkomst hebben ondertekend is deze geldig anders niet. Als een werknemer de vaststellingsovereenkomst niet heeft ondertekend blijft in de juridische zin zijn of haar dienstverband bestaan.

Een werknemer heeft bovendien twee weken na ondertekening de tijd om van gedachten te veranderen. Daarvoor hoeft de werknemer geen specifieke legitieme redenen op te geven. Werkgevers moeten specifiek aangeven dat de werknemer twee weken bedenktijd heeft. Als de werkgever dat niet doet heeft dat tot gevolg dat de werknemer niet twee maar zelfs drie weken bedenktijd heeft. Wanneer de werknemer besloten heeft om toch niet in te stemmen met de vaststellingsovereenkomst zal dit binnen deze termijn moeten worden aangegeven. Als de instemming tijdig wordt herroepen zal de werknemer weer onder de oude voorwaarden zijn of haar dienstverband kunnen voortzetten bij de werkgever. Het ontslag wordt dan teniet gedaan en het dienstverband blijft bestaan.

Wat staat er in de vaststellingsovereenkomst?
In een vaststellingsovereenkomst staan specifieke afspraken met betrekking tot het beëindigen van het dienstverband van een arbeidscontact van een werknemer. In deze overeenkomst staat wanneer het arbeidscontract wederzijds zal worden opgezegd. Ook is er een eventuele ontslagvergoeding of transitievergoeding opgenomen. De uitbetaling van de reserveringen waaronder de vakantiedagen wordt er ook in benoemd. Soms is iemand een bepaalde periode vrijgesteld van werkzaamheden, dit zal ook in de vaststellingsovereenkomst moeten worden vastgelegd. Verder is er in deze overeenkomst aangegeven welke bedrijfseigendommen zoals laptops, bedrijfswagens, bedrijfskleding, bedrijfstelefoons, gereedschap moeten worden ingeleverd.

Vaststellingsovereenkomst en WW
Veel werknemers die te maken krijgen met ontslag willen weten of ze in aanmerking komen met een uitkering vanuit de Werkloosheidswet oftewel de WW. Een vaststellingsovereenkomst kan een ontslagen werknemer recht geven op een WW uitkering wanneer deze overeenkomst voldoet aan de wettelijke bepalingen en regelgeving. Daarom is het belangrijk dat een vaststellingsovereenkomst getoetst is door een jurist met voldoende kennis over het arbeidsrecht. Op internet zijn er verschillende arbeidsjuristen die hun dienstverlening op dit gebied aanbieden.

Wat is rechtspositie in arbeidsrelaties?

Rechtspositie is het geheel van rechten en plichten in een arbeidsverhouding tussen een werknemer en een werkgever in een arbeidsverhouding vanuit een juridisch oogpunt beschouwd. De term rechtspositie wordt vooral gebruikt binnen de overheid en overheidsinstellingen. Men heeft het dan bijvoorbeeld over de rechtspositie van een ambtenaar. De rechtspositie van een ambtenaar verschild van de positie die een werknemer heeft bij een regulier bedrijf. Er zijn echter ook een aantal overeenkomsten. De volgende aspecten zijn de belangrijkste overeenkomsten tussen de positie van ambtenaren en werknemers met een arbeidsovereenkomst:

  1. Ambtenaren werken in een gezagsverhouding tot een wederpartij. De wederpartij is in dit geval het overheidsorgaan welke de ambtenaar heeft aangesteld.
  2. Ambtenaren voeren vastgestelde taken en werkzaamheden gedurende vastgestelde tijden uit ten behoeve van zijn wederpartij.
  3. Ambtenaren worden voor hun werkzaamheden betaald door zijn wederpartij oftewel het overheidsorgaan waar de ambtenaren voor werken.

Verschil tussen werknemers en ambtenaren
De bovenstaande punten zijn de overeenkomsten die bestaan tussen de arbeidsverhouding van ambtenaren bij een overheidsinstelling en de arbeidsverhouding tussen werknemers bij een bedrijf. Er zijn naast overeenkomsten ook verschillen. Een belangrijk verschil zit in de juridische zin in de manier waarop ambtenaren worden aangesteld. Zo wordt een ambtenaar doormiddel van een zogenaamde “eenzijdige rechtshandeling” aangesteld door de overheid. Deze aanstelling van de ambtenaar wordt vastgelegd in een besluit. Werknemers die niet bij de overheid werkzaam zijn gaan een tweezijdige arbeidsovereenkomst aan. Deze arbeidsovereenkomst wordt gesloten tussen werkgever en werknemer.

De overheid stelt dus ambtenaren aan doormiddel van een besluit. Dit neemt echter niet weg dat er met de toekomstig ambtenaar en de overheidsinstelling overleg is gepleegd over de voorwaarden waaronder de ambtenaar zal worden aangesteld. Dit gebeurd meestal tijdens een arbeidsvoorwaarden gesprek. Als een ambtenaar akkoord is met de arbeidsvoorwaarden zal hij of zij door de overheid formeel worden aangesteld door een eenzijdige rechtshandeling.

Ambtenarenwet
De wettelijke regels omtrent het aanstellen en ontslaan van werknemers staan in het burgerlijke recht. Ambtenaren vallen niet onder het burgerlijke recht maar onder de Ambtenarenwet en de regelingen die daar onder hangen. In de Ambtenarenwet is de rechtspositie van ambtenaren geregeld. De rechtspositie van de ambtenaar verschilt met die van de werknemer die bij een regulier bedrijf werkt met een arbeidsovereenkomst. De verschillen in de rechtspositie van de ambtenaar zijn de volgende:

  • Een ambtenaar wordt eenzijdig door de overheid aangesteld.
  • De rechtsbescherming van de ambtenaar loopt via de bestuursrechter in plaats van de kantonrechter
  • De ambtenaar heeft te maken publiekrechtelijke regelingen van de arbeidsvoorwaarden in plaats van een CAO

Ambtenaren hebben net als reguliere werknemers het recht om te staken. Toch dienen de overheidsorganen hun plichten voor hun burgers wel uit te kunnen voeren. In sommige gevallen mogen ambtenaren daarom niet staken om aan de minimale dienstverlening te voldoen. Ook staan in de Ambtenarenwet bijzondere regels met betrekking tot het ontslaan van ambtenaren.

Equal pay voor werknemers uit MOE-landen

Regelmatig worden wij in het nieuws geconfronteerd met het begrip arbeidsmigrant in relatie met uitbuiting. De kern wordt vaak overgeslagen waardoor men de oorzaak van het probleem niet kent. Henry Lap heeft voor zijn HBO opleiding dit betoog geschreven waarin hij pleit voor Equal pay voor werknemers uit MOE-landen. Hieronder is het betoog van Henry Lap in verschillende stappen uiteengezet. Het betoog begint met een inleiding, daarna is de huidige situatie beschreven en worden verschillende actoren in dit kader benoemd. Vervolgens worden ook een aantal voordelen en nadelen benoemd van Equal pay voor werknemers uit MOE-landen. Het betoog wordt besloten met een persoonlijke mening van Henry Lap. 

Inleiding
De arbeidsomstandigheden van werknemers uit Oost-Europese landen die Nederland werkzaam zijn kunnen niet altijd als gelijkwaardig worden beschouwd als de arbeidsomstandigheden waaronder Nederlandse werknemers hun werkzaamheden in Nederland uitvoeren.  Hierin leek verbetering in te gaan komen maar het tegendeel blijkt echter waar. Onder meer Lodewijk Asscher maakt zich sterk om uitbuiting bij arbeidsmigranten tegen te gaan bij de Europese Commissie. De Europese Commissie heeft in het verleden meermalen aangegeven dit probleem te willen oplossen maar actie blijft tot op heden nog altijd uit. Daarnaast laten arbeidsmigranten zich in Nederland nog steeds uitbuiten omdat ze in hun eigen land veel minder salaris verdienen.

Door zogenaamde schijnconstructies wordt er geen belasting betaald aan de Nederlandse overheid waardoor deze geld misloopt. Dit is voor werkgevers aantrekkelijk omdat ze zo minder loonkosten hoeven te betalen aan de arbeidsmigrant. Het gevolg hiervan is dat er oneerlijke concurrentie plaatsvindt tussen arbeidsmigranten en Nederlandse werknemers op de arbeidsmarkt. Omdat schijnconstructies niet toepasbaar zijn voor Nederlandse werknemers, en daardoor een eerlijk cao loon dienen te ontvangen, is het financieel gezien voor een werkgever aantrekkelijker om een arbeidsmigrant aan te nemen. Het loon van arbeidsmigranten kan door middel van een creatieve constructie kunstmatig laag worden gehouden ook al is dit in strijd met de Nederlandse- en Europese wet.

Het is van belang dat er snel iets wordt gedaan aan het schijnconstructie-probleem. Door de oneerlijke concurrentiestrijd  komt dit Nederland financieel gezien niet ten goede. Inkomsten van veel Nederlandse burgers zullen gaan dalen waardoor deze minder te besteden hebben. Als de huidige situatie blijft bestaan dreigt de Nederlandse overheid gigantisch veel geld te verliezen, waardoor er opnieuw harde maatregelen moeten worden getroffen om de staat de alsnog te kunnen spekken. Daarnaast neemt de kans op uitbuiting bij arbeidsmigranten toe wanneer de situatie niet veranderd. Zoals in de wet ook staat beschreven verdient elke werknemer gelijk loon voor gelijk werk op dezelfde werkplek, het is not done als een een werknemers, en dus ook een arbeidsmigrant, minder salaris ontvangt dan waar hij recht op heeft. Daarom moet een EU-land als Nederland een pilot invoeren waarbij Equal Pay wordt toegepast bij alle arbeidskrachten uit MOE-landen.

Huidige situatie
In Europa is er door het Verdrag van Schengen vrij verkeer van personen en diensten. Nederland viel net als een aantal andere West-Europese landen al onder dit verdrag sinds 14 juni 1985, het verdrag trad toen in werking op 26 maart 1995. Voor verschillende Oost-Europese landen vond de toetreding tot de Schengenlanden later plaatst. Polen en Hongarije vielen pas onder het Verdrag van Schengen op 1 mei 2004. Hun lidmaatschap trad in werking op 21 december 2007. Vanaf dat moment konden ook gastarbeiders uit die landen in Nederland werken (Wikipedia, Z.J.).

Hierdoor is de afgelopen jaren een stijging ontstaan van het aantal arbeidsmigranten dat uit Midden- en Oost-Europese landen (MOE-landen) komt. Deze arbeidsmigranten komen onder andere naar Nederland om werk te verrichten.  Arbeidsmigranten werken vooral in de sectoren bouw, landbouw, en de vleesverwerkende industrie. Uit gegevens van het CBS komt naar voren dat in tien jaar het aantal arbeidsimmigranten uit MOE-landen in Nederland is verdubbelt. In 2004 waren er 40 duizend arbeidsmigranten in Nederland. Tien jaar later, in 2014, telde men bijna 80 duizend. Poolse arbeidsmigranten zijn oververtegenwoordigd in Nederland (CBS, 2014).

Onderbetaling
Veel (Poolse) arbeidsmigranten in Nederland worden uitgebuit door hun werkgever, blijkt uit onderzoek van Stichting Onderzoek Multinationale Ondernemingen (SOMO) en stichting Fairwork. Deze stichting heeft meer dan 100 Poolse arbeidsmigranten ondervraagt met betrekking tot uitbuiting, loon, discriminatie en werkdruk. Uit het onderzoek, dat begin 2016 is gehouden, komt onder andere naar voren dat arbeidsmigranten gedwongen worden over te werken zonder dat ze daarvoor betaald krijgen. Als arbeidsmigranten ziek zijn worden ze veelal gedwongen om door te werken. In de meeste gevallen geven de arbeidsmigranten gehoor aan hun leidinggevende omdat ze anders bang zijn hun baan te verliezen (Trouw, 2016).

Falen zelfregulering
Dit alles komt mede door het falen van de zelfregulering door directe werkgevers en intermediairs zoals uitzendbureaus (Trouw, 2016). Zelfregulering houdt in dit verband dat werkgevers zelf regels mogen opstellen voor het te werk stellen van bepaalde bevolkingsgroepen in bepaalde sectoren. Dit gebeurt zonder tussenkomst van de overheid. Hierdoor kan bijvoorbeeld een uitzendbureau zelf regels opstellen die voor een werknemer ongunstig kunnen zijn, met uitbuiting als mogelijk gevolg. De overheid controleert de arbeidsvoorwaarden van een werkgever niet, waardoor zij vrij spel lijken te hebben. Uit financiële overwegingen kiezen veel bedrijven en uitzendbureaus voor schijnconstructies, in plaats van dat ze hun verplichtingen nakomen. In de volgende alinea meer over schijnconstructies (Ensie, 2013).

Schijnconstructies
Uitzendbureaus in Nederland hebben constructies bedacht om Poolse arbeiders goedkoper in Nederland te laten werken. Dit doen Nederlandse uitzendbureaus via uitzendbureaus die gevestigd zijn in Polen. Door filialen in het land van herkomst te openen kunnen (Poolse) arbeidsmigranten goedkoop aan het werk in Nederland. Deze manier van werken wordt ook wel een schijnconstructie genoemd.

Nederlandse uitzendbureaus vestigen zich met filialen in Oost-Europa zodat  vanuit daar Oost-Europeanen gedetacheerd kunnen worden naar Nederland. De betaling wordt gedaan in twee delen. Naast dat arbeidsmigranten 500 euro betaald krijgen in eigen land, ontvangt de arbeidsmigrant een aanvullend bedrag van 1000 euro van het uitzendbureau dat in Nederland is gevestigd. Over het bedrag van 1000 euro wordt geen belasting betaald omdat het door de werkgever of uitzendbureau wordt verrekend als een netto-onkosten vergoeding. Voor een onkostenvergoeding vindt ook geen afdracht plaats zoals vakantiegeld of pensioen.

Het nettobedrag dat arbeidsmigranten betaald krijgen is gelijk aan het minimumloon dat iedere werknemer in Nederland zou moeten krijgen, namelijk 1.469 euro bruto per maand o.b.v. een fulltime dienstverband. In theorie zou een arbeidsmigrant in Nederland evenveel moeten verdienen als een Nederlandse werknemer op basis van de cao van de inlenersbeloning. Op het moment dat bijvoorbeeld Poolse arbeiders goedkoper kunnen worden aangeboden als Nederlandse arbeiders, ontstaat er oneerlijke concurrentie. Daarnaast draagt men over een arbeidsmigrant minder sociale lasten af waardoor de overheid in Nederland geld misloopt (Witteman, 2013).

Dit noemt men een schijnconstructie omdat een werkgever regels met betrekking tot minimum- of cao-loon kunnen ontduiken, terwijl men wel de schijn opwekt dat men zich aan de regels houdt. Als een arbeidsmigrant in Nederland woont kan een deel van het loon door de werkgever worden ingehouden. Omdat de werkgever namens de arbeidsmigrant geld moet betalen voor bijvoorbeeld huisvesting van de desbetreffende arbeidsmigrant. Iedere werknemer, ongeacht land van herkomst, die werkzaam is in Nederland hoort minimaal het minimumloon te ontvangen. Wanneer dit niet aan de orde is wordt er gesproken van uitbuiting (Rijksoverheid, Z.J.).   

Wetgeving: Artikel 5 Nederlandse grondwet
Iedereen die zich in ons land bevindt dient zich te houden aan de Nederlandse wet. Hierin staan rechten en plichten voor burgers, rechtspersonen of de overheid. De wet richt zich op het te bewerkstelligen van een gedragsverandering. Personen die de wet overtreden begaan een strafbaar feit.

Artikel 5 van de Algemene wet gelijke behandeling verbiedt discriminatie op grond van nationaliteit en afkomst bij onder meer de arbeidsvoorwaarden, de beloning, de arbeidsomstandigheden en het beëindigen van een arbeidsovereenkomst (Mensenrechten, Z.J.).

Op grond van bovenstaand artikel mogen Nederlandse werkgevers (Poolse) arbeidsmigranten niet anders behandelen dan werknemers uit Nederland. Arbeidsmigranten hebben dezelfde rechten als Nederlandse arbeiders. Het principe ‘gelijk loon voor gelijk werk op dezelfde werkplek’ geldt dus voor iedereen die in Nederland werkzaam is.

Internationaal kader
Naast de Nederlandse wet heeft ook Europa wetten opgesteld. Per 1986 is er een Europese Akte gesloten door de twaalf toenmalige leden van de Europese Gemeenschap. In deze akte is afgesproken dat er vanaf 1993 een Europese markt is met vrij verkeer van kapitaal, goederen, diensten en personen. Dit geldt echter alleen voor landen die staan ingeschreven bij de Europese Unie.

In de Europese wetgeving staat onder andere dat een werknemer recht heeft op behoorlijke arbeidsvoorwaarden en –omstandigheden. Dat houdt onder meer in: gelijk loon voor gelijk werk, het recht op veilige en gezonde arbeidsomstandigheden, het recht op redelijke werktijden en het recht op doorbetaalde vakantiedagen. Binnen de Europese Unie dient iedereen zich te houden de opgestelde Europese wetten (Mensenrechten.nl, Z.J.).

Inlenersbeloning
De inlenersbeloning is een gevolg van de Wet werk en zekerheid (Wwz). Uitzendbureaus dienen vanaf 30 maart 2015 de beloningsmethodieken van de inlenende partij te hanteren bij het vaststellen van het salaris van uitzendkrachten en ander flex-personeel. Wanneer een klant een kandidaat van een uitzendbureau inleent moet de inlenersbeloning worden gehanteerd. Dit is verplicht omdat een uitzendkracht recht heeft op hetzelfde salaris als een werknemer die een rechtstreeks contract heeft bij het inlenende bedrijf. In de inlenersbeloning staat dat de inleenkracht volgens de cao van het inlenende bedrijf verloond dient te worden, mits die dezelfde functie op dezelfde afdeling uitoefent als de werknemer die op contractbasis bij het inlenende bedrijf in dienst is. Maar is dit in de praktijk ook zo? (Geertsma, 2014).

Controle door SZW
In Nederland is er een inspectie die toezicht houdt op naleving van de de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag. Dit wordt gedaan door de inspectie Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW). Naast het toezicht houden op loon, controleert de inspectie SZW ook op klachten en tips die naar voren komen van werknemers en werkgevers. Het doel van de inspectie is om ongelijke betaling van werknemers tegen te gaan. Wanneer de inspectie concludeert dat een werkgever te weinig loon aan werknemers betaalt volgen er sancties. Deze sancties kunnen in de vorm van een geldboete worden gegeven. Hoe hoog de boete is hangt af van hoe ver het loon afwijkt van het wettelijk minimumloon en de wettelijke minimumvakantiebijslag (Inspectieszw, Z.J. ).  

Cijfers SZW
In 2016 heeft de inspectie SZW onderzoek gedaan met betrekking tot de arbeidsmigranten die werk verrichten in Nederland. Uit dit onderzoek komt naar voren dat het ingewikkeld en intensief werken is om resultaten boven water te krijgen. Desondanks heeft het zogeheten schijnconstructieteam ruim twee miljoen euro aan boetes opgelegd. Deze sancties zijn vooral opgelegd aan werkgevers die bewust de arbeidskosten verlagen. Dit deden bedrijven door middel van ondoorzichtige loonadministraties en het ontduiken van regels via ingewikkelde constructies. Het gevolg hiervan is  oneerlijke concurrentie, onderbetaling en lange werktijden, oftewel uitbuiting van arbeidsmigranten. Daarnaast levert het voor de Nederlandse overheid weinig geld op omdat er weinig of geen belasting wordt afgedragen.

In totaal zijn er in door het SZW 230 werkgevers gecontroleerd waarvan er zestig een boete opgelegd kregen in 2016. Dit wil zeggen dat een kwart van de onderzochte bedrijven moedwillig de regels overtreden. Dit om geld te kunnen besparen door middel van onderbetaalde verloning op arbeidsmigranten. Omdat de onderzoeken lastig en zeer arbeidsintensief zijn laat dit slechts een klein deel van de werkelijkheid zien. Geconcludeerd kan worden dat als er van slechts 230 onderzochte bedrijven al zestig werkgevers door de mand zijn gevallen in 2016, dit in de totale werkelijkheid veel meer werkgevers een schijnconstructie hanteren (Rijksoverheid, 2016).

Geen oplossing in Nederland
Ondanks dat arbeidsmigranten worden uitgebuit, komen ze nauwelijks in opstand. Dit komt omdat de cao’s in Nederland ingewikkeld zijn om te kunnen kijken waar personeel recht op heeft. Wanneer een arbeidsimmigrant dit wil naslaan zal hij merken dat dit gecompliceerd en tijdrovend is, zo stelt arbeidseconoom Lisa Berntsen van de universiteit in Tilburg. Zij komt tot de conclusie dat veel werkgevers misbruik maken van de ingewikkelde cao’s. Volgens Berntsen durven arbeidsmigranten niet met hun contract naar de leidinggevende te stappen omdat ze bang zijn ontslagen te worden. Alleen in bij extreme onderbetaling stappen arbeidsmigranten naar hun werkgever toe. Lisa Berntsen sprak voor haar onderzoek met ongeveer honderd werknemers, vakbondsbestuurders en werkgevers (RUG, 2015).  

Geen oplossing in Europa
Volgens het CNV wordt er door vakbonden in Europa al jaren gestreden tegen onderbetaling en uitbuiting van arbeidsmigranten. De Europese Commissie heeft op 8 maart 2016 erkend dat er duidelijkere regels moeten komen met betrekking tot de rechten van arbeiders uit MOE-landen (Rijksoverheid, Rijksoverheid, 2016). Het principe: ‘gelijk loon voor gelijk werk op dezelfde werkplek’ zal hierdoor worden toegepast als de Europese Commissie hiervoor plannen gaat uitwerken.

Omdat Nederland is gevestigd in de Europese Unie mag Nederland niet zelf een beslissing nemen hoe arbeidsmigranten worden betaalt. Nederland, en daarbij alle andere landen die zijn aangesloten bij de Europese Unie, moeten akkoord krijgen van de Europese Commissie om arbeidsmigranten op dezelfde manier te betalen als autochtonen. Zolang de Europese Commissie niet een plan uitwerkt m.b.t. arbeidsovereenkomsten voor arbeidsmigranten mogen arbeidsmigranten worden onderbetaald. Uitbuiting en sociale dumping (onderbetaling) zijn daarbij het gevolg,  zo stellen de voorzitters van FNP, CNV en VCP (Hemmes, 2016).

Ondanks dat de Europese Commissie heeft aangegeven dat er wat moet worden veranderd omtrent de uitbuiting van arbeidsmigranten, vinden Minister Asscher en zijn Europese collega’s dat er meer daadkracht vanuit de Europese Commissie moet zijn. De Europese Commissie heeft echter geen initiatief genomen om voor iedereen een gelijk loon op dezelfde werkplek te garanderen (CMweb, 2016).

Conclusie
Iedereen die in Nederland op dezelfde werkplek in dezelfde functie werk verricht, moet gelijk worden betaald. Ook Nederland heeft de afgelopen jaren te maken gehad met een economische crisis waardoor er maatregelen zijn genomen om de Nederlandse staat alsnog voldoende te kunnen spekken (denk aan de BTW-verhoging). De schijnconstructies, die alleen gelden bij arbeidsmigranten, zorgen ervoor dat werkgevers geen belastingen hoeven af te dragen aan de staat. Hierdoor is het voor een werkgever financieel aantrekkelijk om een arbeidsmigrant aan het werk te hebben maar voor de staat niet. Naast de Nederlandse staat zijn ook werkzoekenden uit ons eigen land de dupe omdat er oneerlijke concurrentie wordt gecreëerd op deze manier. Als er gelijke betaling voor gelijk werk op dezelfde werkplek is, wordt een arbeidsmigrant aangenomen omdat het een gewaardeerde kracht is en niet omdat het voor een werkgever financieel gezien aantrekkelijker is.

Stelling
Ondanks dat de Europese Commissie op 8 maart 2016 heeft erkend dat er nieuwe, duidelijkere richtlijnen voor het betalen van arbeidsmigranten moet komen (Rijksoverheid, Rijksoverheid, 2016) is er tot op heden nog geen actie verricht (CMweb, 2016). De vraag die je hierbij kunt stellen is, of de Europese Commissie, ruim een halfjaar na erkenning, daadwerkelijk nieuwe regels gaat opstellen. Tot op heden zijn er nog geen aanwijzingen dat de Europese Commissie actie gaat voeren betreffende dit onderwerp. De stelling luidt daarom als volgt:

‘Nederland moet als EU land een pilot invoeren waarbij Equal Pay wordt toegepast bij alle arbeidskrachten uit MOE-landen.’

Argumenten voor:

Het tegengaan van oneerlijke concurrentie tussen Nederlandse werknemers en arbeidsmigranten.
Door middel van schijnconstructies kan een werkgever arbeidsmigranten uit MOE-landen goedkoper aan het werk krijgen dan Nederlandse werknemers. Zoals is toegelicht worden de salarissen aan een arbeidsmigrant niet altijd eerlijk uitbetaald waardoor de werkgever misbruik kan maken door hem bijvoorbeeld onbetaald te laten overwerken (Rijksoverheid, 2016). Bij Nederlandse werknemers lukt dit niet omdat zij niet volgens een schijnconstructie kunnen werken, immers zijn het Nederlanders die ook woonachtig zijn in Nederland.

Hierdoor ontstaat oneerlijke concurrentie omdat werkgevers hier niet van kan profiteren bij Nederlandse arbeiders , dit zorgt dat het voor werkgevers financieel gezien aantrekkelijker is om een arbeidsmigrant aan te nemen (Rijksoverheid, 2016). Volgens de wet dient iedere werknemer die op Nederlands grondgebied werkt gelijk loon, voor gelijk werk op dezelfde werkplek moet ontvangen (Mensenrechten, Z.J.). Door het falen van het zelfregulering-systeem wordt het mogelijk gemaakt om arbeidsmigranten voor minder salaris aan het werk te krijgen. De directe werkgever of intermediair mogen zelf regels opstellen voor bepaalde bevolkingsgroepen in bepaalde sectoren zonder dat de overheid tussenkomt bij tekenen van het akkoord (Ensie, 2013).

Het tegengaan van uitbuiting arbeidsmigranten uit MOE-landen.
Arbeidsmigranten verdienen in Nederland veel geld t.o.v. het salaris dat ze in eigen land voor hetzelfde werk ontvangen. Hierdoor maken werkgevers misbruik van de situatie en betalen bijvoorbeeld niet volledig uit. Andere voorkomingen die op de werkvloer stelselmatig terug komen bij arbeidsmigranten zijn discriminatie en/of werkdruk. Omdat er grote salarisverschillen tussen MOE-landen en Nederland zijn klaagt een arbeidsmigrant niet zo snel bij de leidinggevende of SZW (Sociale Zaken en Werkgelegenheid) omdat ze anders vrezen voor hun baan (Trouw, 2016).

De inspectie SZW onderzoekt of werkgevers regels naleven die zijn opgesteld, echter is dit lastig te onderzoeken omdat zowel de werkgever als de arbeidsmigrant in veel gevallen niet mee willen werken aan het onderzoek (Inspectieszw, Z.J. ). Het risico voor de werkgever is dat het een forse boete krijgt opgelegd als de SZW erachter komt dat het bedrijf de regels overtreedt. Het gevolg hiervan kan zijn dat de arbeidsmigrant op straat komt te staan omdat de werkgever de regels niet heeft nageleefd. Ondanks dat uitbuiting lastig te onderzoeken is  heeft de inspectie vorig jaar (2016) 60 van de 230 onderzochte bedrijven een boete opgelegd omdat zij moedwillig regels overtreden m.b.t. onderbetaalde verloning aan arbeidsmigranten (Rijksoverheid, 2016). Dit laat slechts een klein deel van de werkelijkheid zien, als er meerdere bedrijven onderzocht worden dan is de kans groot dat er veel werkgevers in Nederland zijn die arbeidsmigranten onderbetalen.           

Overheid loopt geld mis.
Omdat de arbeidsmigrant voor een groot deel wordt betaald door middel van een onkosten vergoeding wordt er geen belasting betaalt aan de Nederlandse overheid. De onkostenvergoeding bedraagt €1000,- en het salaris wordt door het uitzendbureau in het MOE-land betaald, dit is zo’n €500,-. Bij elkaar opgeteld is dit €1500 en daarmee voldoet de werkgever, in ieder geval op papier,  aan het wettelijk minimumloon dat de arbeidskracht moet verdienen in Nederland (Witteman, 2013). De afgelopen 10 jaar is het aantal arbeidsmigranten uit MOE-landen verdubbeld (CBS, 2014). Uit het onderzoek van de inspectie SZW is gebleken dat werknemers  bij 60 van de 270 onderzochte bedrijven in 2016 worden onderbetaald (22,2%). Het geeft daarmee sterk de indruk dat deze werkgevers de schijnconstructies hanteert, hierdoor loopt de overheid geld mis (Inspectieszw, Z.J. ). Omdat het een lastig onderzoek betreft en daardoor veel tijd bezit komen niet alle gegevens boven tafel.
Uit afbeelding 1 is te zien dat Nederland zo’n 38.000 arbeidsmigranten telden (CBS, 2014). Deze arbeidskrachten plus haar werkgevers moeten allemaal belasting afdragen aan de Nederlandse staat. Uit het onderzoek van de SZW bleek dat 22,2% van de gecontroleerde werkgevers haar arbeidsmigranten onderbetaalden in 2016 (Inspectieszw, Z.J. ). Als bij 22,2% van de arbeidsmigranten geen loonheffing wordt toegepast betekent dit, uit bevolkingscijfers van 2014 (CBS, 2014), dat bijna 8.500 arbeidsmigranten en werkgevers geen belasting betaald.

Uitzendkrachten moeten hetzelfde verdienen als contractanten zoals in de inlenersbeloning staat. Maar geldt niet voor uitzendkrachten uit MOE-landen. Zoals in de inlenersbeloning staat moet iedereen hetzelfde verdienen voor hetzelfde werk in dezelfde organisatie (Geertsma, 2014). Voor Nederlanders wordt deze regel wel gehanteerd, maar als het om arbeidsmigranten uit MOE-landen gaat geldt deze regel niet meer blijkt uit onderzoek van het SZW (Inspectieszw, Z.J. ). Daarnaast staat in de Nederlandse wet beschreven dat er  gelijk loon, voor gelijk werk op dezelfde werkplek geldt voor iedereen in Nederland (Mensenrechten, Z.J.).

Argumenten tegen:
Ondernemers maken extra kosten ten opzichte van de huidige situatie.
Werkgevers hebben het economisch zwaar te verduren (gehad). Arbeidsmigranten kunnen eventueel minder kosten met zich mee brengen dan Nederlandse werknemers door de zogenaamde schijnconstructies, waardoor het bedrijfsresultaat omhoog gaat (Rijksoverheid, 2016).

Tegenwerping 1
Ondernemers hebben een belangrijke rol in de maatschappij als het gaat om het ethisch verantwoord behandelen van werknemers. Schijnconstructies dienen niet het belang van de overheid en ook niet het belang van Nederlandse werknemers (Rijksoverheid, 2016). Daarom dient de Pilot te worden ingevoerd zodat werkgevers gedwongen worden om ook arbeidsmigranten gelijkwaardig te belonen. Ondernemers dienen zich te houden aan de wet (Equal pay) en dat wordt niet gedaan wanneer zij schijnconstructies hanteren (Mensenrechten, Z.J.).Daarnaast is er de afgelopen jaren een stijging van het aantal arbeidsmigranten in Nederland ontstaan, ook in de toekomst wordt verwacht dat het aantal arbeidsmigranten uit MOE-landen gaat toenemen in Nederland (CBS, 2014). Hierdoor zal, door oneerlijke concurrentie, het voor Nederlandse werknemers alsmaar lastiger worden om aan een baan te komen door falen van de zelfregulering bij werkgevers (Ensie, 2013). Hierdoor zullen er vaker schijnconstructies worden opgesteld door de werkgever omdat dit kostenbesparend is voor het bedrijf (Rijksoverheid, 2016). Het gevolg hiervan kan zijn dat de Nederlandse staat hierdoor veel geld misloopt waardoor er nieuwe, harde maatregelen worden getroffen door het kabinet.

MOE-landen zullen de aangescherpte regelgeving van Nederland als een belemmering in de samenwerking, vrijhandelsverkeer of opengrenzenbeleid zien.
Wanneer arbeiders uit MOE-landen even veel gaan verdienen als Nederlandse werknemers ontstaat er eerlijke concurrentie (Rijksoverheid, 2016). Dit zal voor arbeidsmigranten wellicht nadelig gaan werken omdat zij dan minder snel aan het werk komen in Nederland. Het gevolg hiervan is dat bijvoorbeeld Polen, Roemenen of Hongaren minder inkomen uit een ander EU land halen waardoor zij minder geld kunnen besteden in eigen land (Inspectieszw, Z.J. ).

Tegenwerping 2
Uiteindelijk is elk land in de Europese Unie verantwoordelijk voor haar eigen arbeidsmarkt en economische situatie. Europese landen kunnen elkaar ondersteunen maar een nivellering binnen de Europese Unie is niet gewenst. West-Europese landen moeten hun eigen economie en arbeidsmarkt niet hoeven opofferen aan de economieën en arbeidsmarkten van andere (Oost) Europese landen. Oost-Europese landen hebben hiervan kunnen profiteren de afgelopen jaren en dat heeft voor veel ongenoegen gezorgd binnen West-Europese landen. Dat uit zich ook in verkiezingen. De overheid doet er goed aan om naar haar eigen arbeidsmarkt en bevolking te luisteren. Dit houdt in dat doormiddel van deze Pilot de Nederlandse arbeidsmarkt meer wordt beschermd (Mensenrechten.nl, Z.J.). Bovendien dient Nederland en Europa zich te houden aan de opgestelde wetgeving. In artikel 5 van de Algemene wet gelijke behandeling staat beschreven dat alle medewerkers gelijk dienen te worden behandeld op de werkvloer, dit geldt voor primaire, secundaire en tertiaire arbeidsvoorwaarden  (Mensenrechten, Z.J.).
Niet voor niks is per maart 2015 de  inlenersbeloning verplicht gesteld voor uitzendbureaus in Nederland. Met deze beloningsmethodiek wordt voorkomen dat er ongelijke betalingen plaatsvindt tussen uitzendkrachten en vaste krachten binnen een  bedrijf (Geertsma, 2014).  

Het is voor arbeidsmigranten lastiger om een baan te verkrijgen in Nederland, de kans op hetzelfde inkomen wordt een stuk kleiner.
Poolse arbeidsmigranten hebben een hoog inkomen in Nederland vergeleken met het salaris dat ze zouden verdienen in het land van herkomst (Inspectieszw, Z.J. ). Door de invoering van de pilot zal het voor werknemers uit MOE-landen lastiger worden om een baan in Nederland te bemachtigen. Er zal eerlijke concurrentie ontstaan tussen Nederlandse- en alle buitenlandse werknemers die in Nederland werkzaam zijn (Witteman, 2013). Het gevolg is dat een (groot) deel van de arbeidsmigranten niet meer werk zal verrichten  in Nederland omdat zij hetzelfde inkomen moeten ontvangen dan Nederlandse werknemers omdat er een pilot is ingevoerd.

Tegenwerping 3
De Europese wet dient als richtlijn voor de Europese landen (Mensenrechten, Z.J.). In zowel Europa als in Nederland zijn er wetten opgesteld omtrent het tegengaan van discriminatie op de werkvloer. Artikel 5 van de Nederlandse Algemene wet gelijke behandeling verbiedt discriminatie op grond van nationaliteit en afkomst bij onder meer de arbeidsvoorwaarden, de beloning, de arbeidsomstandigheden en het beëindigen van een arbeidsovereenkomst. Dit geldt voor iedere burger en rechtspersoon die zich in Nederland bevindt (Mensenrechten, Z.J.). Werkgevers die moedwillig kwaad willen kunnen misbruik maken van zelfreguleringen waardoor de arbeidsmigrant mogelijk wordt onderbetaald (Ensie, 2013). Daarnaast kan

Persoonlijke mening
De schrijve ,Henry Lap, vind dat iedereen die op Nederlands grondgebied werkzaam is recht heeft op gelijk loon op dezelfde werkplek in dezelfde functie. Dit is ook in artikel 5 van de algemene wet gelijke behandeling opgenomen. Ik vind dit voornamelijk omdat hierdoor eerlijke concurrentie ontstaat tussen Nederlandse burgers en arbeidsmigranten. Vooropgesteld ben ik tegen elke vorm van discriminatie, maar met de zogenaamde schijnconstructies begint het er op te lijken dat Nederlandse werknemers gediscrimineerd worden ten opzichte van arbeidsmigranten. De schijnconstructie kan immers niet toegepast worden op  Nederlandse werknemers waardoor het voor werkgevers financieel aantrekkelijker is om arbeidsmigranten te contracteren. Zoals het woord zelf al aangeeft zijn schijnconstructies bedrog, we moeten eerlijk zijn en niet alles afdekken met een schone schijn. Naast dat er oneerlijke concurrentie ontstaat loopt de Nederlandse staat geld mis. Niet voor niks zijn er de afgelopen jaren maatregelen getroffen om de Nederlandse staat extra te spekken ten gevolge van de economische crisis. Tot slot, maar zeker niet minder belangrijk, wordt uitbuiting door afschaffing van schijnconstructies tegen gegaan.

Ontslagprocedure en social media

Dat social media een steeds belangrijkere positie inneemt in de communicatie tussen mensen en bedrijven is bekend. Bedrijven bekijken vaak de profielen die sollicitanten hebben aangemaakt op social media om een goed beeld te kunnen vormen over hoe iemand in zijn of haar leven staat.  Als men gaat solliciteren is het belangrijk om een professionele uitstraling te hebben op zakelijke social media zoals LinkedIn.

Ook privé social media zoals Facebook wordt door bedrijven bekeken als iemand solliciteert. De gegevens op social media zijn vaak openbaar daarom hebben bedrijven de mogelijkheid deze gevens te raadplegen. Dat wordt dan ook volop gedaan door bedrijven tijdens sollicitatieprocedure’s. Solliciteren doet men echter om bij een bedrijf aan de slag te kunnen. Als men eenmaal werkt bij een bedrijf kijken de meeste bedrijven niet meer naar de social media van de werknemer. Dit wordt echter anders tijdens ontslagprocedure’s.

Social media en ontslag

Als bedrijven of werkgevers in Nederland werknemers willen ontslaan dan moeten ze een ontslagdossier opbouwen. Daarin worden gegevens van functioneringsgesprekken opgenomen en officiële waarschuwingen indien die er zijn geweest. Relatief nieuw zijn gegevens die uit social media naar voren komen. Als een werknemer zich bijvoorbeeld ziek heeft gemeld en hij of zij plaatst op Facebook foto’s dat hij of zij die dag in de tuin heeft gewerkt dan kan dat invloed hebben op zijn of haar ontslagprocedure.

In Duitsland is een paar jaar gelden iemand ontslagen die met rugklachten thuis zat maar wel zijn vrouw optilde voor een foto op Facebook. Dat was een van de eerste ontslagen die het gevolg was van social media. Tegenwoordig komt dit veel vaker voor. De Vereninging van Arbeidsrecht Advocaten Nederland merkt deze ontwikkeling ook. Bedrijven bekijken foto’s op social media om te kijken of werknemers hobby’s en andere activiteiten ondernemen die in strijd zijn met het werk bij de organisatie.

Ook uitlatingen van werknemers over hun werkgever worden nauwkeurig onderzocht. Als werknemers zich negatief over hun werkgever uitspreken op internet dan kan een bedrijf in een ontslagprocedure aangeven dat er sprake is van een vertrouwensbreuk. Dit alles draagt bij om de ontslagprocedure in het voordeel van de werkgever uit te laten vallen.

Social media bewust gebruiken

Het is belangrijk dat mensen op social media bewust zijn van de informatie die ze er op plaatsen en de mensen die deze informatie kunnen bekijken. Het is natuurlijk nooit goed om werkgevers af te kraken op internet ook is het onverstandig om handelingen te vertonen die in strijd zijn met de organisatie waar je voor werkt. Je kunt jezelf de vrasg gaan stellen of je dan nog wel bij de organisatie past.

Een werkgever zal jou die vraag in ieder geval wel gaan stellen.  Daarommis het belangrijk om contact te onderhouden met je werkgever.  Als een werkgever een bepaald beleid heeft en je hebt daar vragen over dan is het verstandig om hierover in gesprek te treden. Dit moet al gebeuren voordat er sprake is van een ontslagprocedure.  Als de ontslagprocedure eenmaal in werking is gezet is het meestal te laat. Gebruik daarom social media bewust.

Wet Werk en Zekerheid is niet effectief

Wet Werk en Zekerheid is 1 juli 2015 ingevoerd en sindsdien van kracht in Nederland. Minister Lodewijk Asscher van Sociale zaken voerde de wet in  om de kansen voor werknemers om een vast contract te krijgen te vergroten. Werkgevers moet werknemers na twee aaneengesloten gewerkte jaren een vast contract bieden of een transitievergoeding aan de werknemer betalen indien er geen contract wordt verstrekt. De wet blijkt in de praktijk volgens verschillende instanties averechts te werken.

Reactie van arbeidsadvocaten

De reactie van arbeidsadvocaten op de Wet Werk en Zekerheid is zeer negatief. Uit een enquête die Nieuwsuur hield onder de Vereniging van Arbeidsrecht Advocaten Nederland (VAAN) blijkt dat de arbeidsadvocate  in Nederland de wet slecht noemen en een “gemiste kans”. De Wet Werk en Zekerheid functioneerd niet. In plaats van het bieden van meer zekerheid, biedt deze wet juist minder zekerheid voor werknemers. De wet heeft volgens de arbeidsadvocaten een tegengesteld effect. Werkgevers verzinnen verschillende manieren om de Wet Werk en Zekerheid te omzeilen.

Resultaat enquête onder arbeidsadvocaten

De Vereniging van Arbeidsrecht Advocaten Nederland heeft ongeveer 1000 leden. Ongeveer 500 leden hebben de enquête van Nieuwsuur ingevuld. Ongeveer 65 procent van deze respondenten geeft aan dat ze merken dat werkgevers minder snel vaste contracten verstrekken vanwege nieuwe wet en regelgeving omtrent ontslag. De kritiek van de arbeidsrechters is niet zachtzinnig.  Ze noemen de Wet Werk en Zekerheid “politieke baggerwetgeving van de bovenste plank”, verder noemen ze de wet een “gemiste kans”.  Ook noemden ze de beoogde versoepeling van het ontslagrecht een “farce”. Het is in de ogen van de arbeidsrechters een slechte wet, bovendien is volgens hen vast wek “nog vaster geworden en flexibel werk nog flexibeler”.

Tweedeling op de arbeidsmarkt

Hooguit de hoogopgeleide werknemers worden vast aangenomen volgens 42 procent van de respondenten.  De laagopgeleide werknemers komen dankzij deze wet nog steeds moeilijk aan vast werk. Pieter van den Brink is de oprichter van Vaan en benoemt in zijn commentaar dat de Wet Werk en Zekerheid voor een tweedeling zorgt op de arbeidsmarkt. De uitslag van de enquête maakt duidelijk dat vooral hoogopgeleide werknemers in aanmerking komen voor een vast contract. Volgens hem wordt dat deels verklaard doordat hoogopgeleiden vaak langer ingewerkt moeten worden omdat zij een hogere functie bekleden. Laagopgeleide arbeidskrachten zijn vaak makkelijker vervangbaar. Die krijgen daarom meestal tijdelijke contracten. Als deze contracten aflopen moeten ze de organisatie verlaten om vervolgens vervangen te worden door andere laagopgeleide arbeidskrachten. Volgens van den Brink ontstaat door deze ontwikkeling een tweedeling op de arbeidsmarkt.  De hoogopgeleiden die vaker een vast contract hebben tegenover de laagopgeleide arbeidskrachten die op flexibele basis werken.

Transitievergoeding omzeilen

De Wet Werk en Zekerheid verplicht wetkgevers om een transitievergoeding te betalen aan werknemers indien zij na een dienstverband van 24 maanden geen contract voor onbepaalde tijd krijgen.

Veel werkgevers vinden de transitievergoeding een nodeloze kostenpost die ze liever willen omzeilen.  Dat blijkt ook uit het onderzoek van Nieuwsuur. Bijna 70 procent van de arbeidrechters die aan het onderzoek deelnamen geeft aan dat werkgevers de transitievergoeding proberen te omzeilen. Het tijdelijk dienstverband van werknemers wordt beperkt tot 23 maanden. Pas bij een aaneengesloten dienstverband van 24 maanden hoeft een werkgever pas een transitievergoeding te betalen. Door het dienstverband van de werknemer te beperken tot 23 weken kan de werkgever geld besparen.

Reactie van Technisch Werken

Vanaf het voornemen van minister Asscher om de Wet Werk en Zekerheid in te voeren was de schrijver van technischwerken.nl sceptisch. Nu men ook in de praktijk tegen de verwachte obstakels aan loopt wordt voor iedereen duidelijk dat deze wet een gedrocht is waar werkelijk niemand wat aan heeft. Bovendien kost de invoering van de wet voor minder transparantie in plaats van voor helderheid. De minister had de wet veel beter niet kunnen invoeren, dat was veel beter geweest voor de arbeidsmarkt.

Asscher kan de wet nu beter schrappen en erkennen dat zijn probeersel gefaald is en de toets van de praktijk niet kan doorstaan. Als de minister dit niet doet zullen verschillende betrokkenen op de arbeidsmarkt de minister met scherpe woorden op andere gedachten proberen te brengen. De arbeidsrechters hebben hun standpunt al duidelijk gemaakt. Nu is de minister aan zet. Veel optisch heeft hij echter niet. De Wet Werk en Zekerheid functioneert in zijn geheel niet dus de minister kan zijn gezicht niet redden door een deel van de wet in stand te houden en een ander deel te schrappen.

Wat is verdringing op de arbeidsmarkt?

Verdringing is een term die af en toe wordt genoemd op de arbeidsmarkt. Als men het woord ‘verdringing’ letterlijk gaat omschrijven dan staat het woord voor: wegduwen of wegdrukken. Met verdringing op de arbeidsmarkt doelt met dus op het wegduwen of wegdrukken van arbeidskrachten. Dit maakt op zich nog niet veel duidelijk. Daarom wordt verdringing vaak in één adem genoemd met ‘oneerlijke concurrentie’ op de arbeidsmarkt. Dan begrijpt men vaak wel waar het om gaat. Namelijk dat bepaalde groepen op de arbeidsmarkt op een oneerlijke manier voorrang krijgen op andere werkzoekenden.

Verdringing op de arbeidsmarkt in verschillende vormen
Verdringing kan op verschillende manieren plaatsvinden op de arbeidsmarkt. Over het algemeen gaat het bij verdringing om bepaalde groepen werkzoekenden die doormiddel van subsidies of met behoud van uitkering aan de slag kunnen bij een potentiële werkgever. Doordat deze werkzoekenden voor de werkgever financieel aantrekkelijker zijn krijgen ze vaak voorrang op andere werkzoekenden. Een subsidie of andere kostenbesparing wordt echter niet voor niets verstrekt aan een bedrijf. De werknemer die te werk wordt gesteld moet aan een aantal criteria voldoen. Deze criteria hebben te maken met zijn of haar inzetbaarheid. Deze inzetbaarheid is de optelsom van de volgende factoren:

  • Afstand tot de arbeidsmarkt
  • Scholing
  • Leeftijd
  • Fysieke capaciteit
  • Mentale capaciteit

Als verwacht wordt dat iemand moeilijk aan betaald werk kan komen, zal daarvoor een rapportage worden opgesteld door de gemeente, het UWV of een andere instelling. Uit deze rapportage moet duidelijk naar voren komen dat de kandidaat zonder ondersteuning niet aan werk kan komen. Vaak worden voor deze (re-integratie) kandidaten speciale trajecten uitgestippeld. Die trajecten zijn meestal maatwerk en kunnen opleidingen bevatten en/of stages en werkervaringsplekken. Daarnaast wordt van mensen die geruime tijd in een uitkering positie zitten vaak ook een tegenprestatie verwacht in de vorm van vrijwilligerswerk met behoud van uitkering.

Stages werkervaringsplekken en tegenprestaties
Doordat aan stages, werkervaringsplekken en vrijwilligerswerk vrijwel geen kosten kleven voor werkgevers zijn ‘werknemers’ in deze trajecten zeer aantrekkelijk. Ze kunnen namelijk wel een bepaalde productie of prestatie leveren zonder dat het bedrijf daar financieel wat tegenover hoeft te stellen. Bedrijven die tijdelijk een piek hebben in een productie kunnen daar op verschillende manieren mee omgaan. Over het algemeen lenen ze flexkrachten in maar ze kunnen ook werknemers ‘met een afstand tot de arbeidsmarkt’ een werkervaring plek bieden. Als ze voor de laatste optie gaan kunnen ze dat doen vanuit moreel goede overwegingen maar de keuze kan ook gemaakt worden op basis van kostenbesparing en bedrijfseconomische overwegingen. Dit laatste is niet de bedoeling van de overheid die de subsidiemogelijkheden biedt en wordt misbruik van de wet en regelgeving genoemd.

Daarnaast is ook de inzet van vrijwilligers die werken met behoud van uitkering vaak discutabel. Door vrijwilligers in te zetten die op basis van een uitkering werken zorgen bedrijven er voor dat hun kosten worden gereduceerd. Voor de overheid nemen de kosten echter niet af omdat de kracht werkt met behoud van uitkering. De overheid wil daarom weten hoe lang de desbetreffende kracht in een uitkeringspositie blijft. Van bedrijven verlangd de overheid dat er een intentie is om de kracht in dienst te nemen na een bepaalde periode van proefplaatsing. Vrijwilligerswerk kan soms nog langer duren dan de 1 tot 2 maanden die gebruikelijk zijn voor een proefplaatsing.

Oneerlijke concurrentie en verdringing
Door subsidies en andere mogelijkheden om werknemers uit bepaalde doelgroepen aan het werk te helpen, kunnen vaak andere (reguliere) werkzoekenden hinder ondervinden bij het vinden van werk. Vooral laag opgeleide werkzoekenden merken hinder van werknemers die met speciale kostenbesparende trajecten aan het werk worden geholpen. De oneerlijke concurrentie zorgt er voor dat de maatregelen van de overheid juist averechts werken. Daarom probeert de overheid door controles en strenge regelgeving de oneerlijke concurrentie en verdringing tegen te gaan. Dit is in de praktijk minder eenvoudig dan het in de theorie lijkt.

Wat is een concurrentiebeding in een arbeidsovereenkomst?

In verschillende markten is sprake van concurrentie. Werkgevers willen voorkomen dat werknemers de kennis, innovaties, ideeën en klantenkring van het bedrijf na het verlaten van het bedrijf gaan gebruiken bij een andere werkgever om daar hun voordeel mee te doen. Om te voorkomen dat een werkgever wordt beconcurreerd door voormalige werknemers wordt er vaak een concurrentiebeding opgenomen in een arbeidsovereenkomst.

Wat is een concurrentiebeding?
Een concurrentiebeding is een bepaling in een arbeidsovereenkomst die tussen een werkgever en werknemer worden gesloten. De wijze waarop het concurrentiebeding wordt omschreven kan verschillen. Meestal gaat het om een verbod voor de werknemer om binnen een bepaalde periode na het verlaten van de organisatie werkzaamheden bij een andere werkgever te verrichten die als concurrerend kunnen worden beschouwd door de huidige werkgever.

Door bijvoorbeeld in dienst te treden bij een directe concurrent van de werkgever kan de werknemer in strijd met het concurrentiebeding handelen. Meestal is een concurrentiebeding aan een bepaalde tijdslimiet gekoppeld. Dit kan bijvoorbeeld een jaar zijn. Het concurrentiebeding  is dan een jaar na het verlaten van de organisatie van toepassing. Ook kan een geografische limiet worden vastgelegd. Dit kan bijvoorbeeld een bepaalde straal rondom het bedrijf zijn, een bepaalde provincie of andere afgebakende regio. Werknemers die de organisatie verlaten mogen dan meestal niet bij een concurrerend bedrijf werken binnen de straal die in het concurrentiebeding is opgenomen.

Beperkingen voor de werknemer door concurrentiebeding
Een concurrentiebeding zorgt voor beperkingen van de werknemer op de arbeidsmarkt indien hij of zij de organisatie gaat verlaten waar de arbeidsovereenkomst met het concurrentiebeding mee gesloten is. Een concurrentiebeding is een beperking omdat een werknemer door het ondertekenen van dit beding niet met elke organisatie een arbeidsovereenkomst kan sluiten binnen bepaalde periode en/ of straal als zijn of haar dienstverband om wat voor reden dan ook ten einde komt.

Een concurrentiebeding wordt in de praktijk vaak gecombineerd verschillende andere bedingen die beperkend zijn voor de werknemers. Hieronder staan een aantal voorbeelden van de beperkende bedingen die tussen werkgever en werknemer overeengekomen kunnen worden.

  • Relatiebeding: door het ondertekenen van een relatiebeding zijn de werkgever en werknemer schriftelijk overeengekomen dat de voormalig werknemer na het verlaten van de organisatie geen zakenpartners van de vorige werkgever mag benaderen.
  • Non-sollicitatiebeding: met het ondertekenen van een non-sollicitatiebeding legt een werknemer vast dat hij of zij geen voormalige collega’s gaat benaderen om bij het te solliciteren.
  • Geheimhoudingsbeding: een geheimhoudingsbeding kan eveneens in een arbeidsovereenkomst worden opgenomen. Als het geheimhoudingsbeding door de werknemer is ondertekend mag deze geen vertrouwelijke informatie openbaar maken.

Concurrentiebeding en boetes
Een concurrentiebeding is een beperking van de werknemer. Om er voor te zorgen dat werknemers zich aan het concurrentiebeding gaan houden wordt er meestal een bepaalde boete genoemd in het beding. Deze boete dient de werknemer te betalen indien hij of zij de richtlijnen van het concurrentiebeding niet naleeft. Hierdoor wordt de positie van de werkgever ten opzichte van de werknemer nog verder verstevigd.

Boete concurrentiebeding ter discussie
De schade die een werkgever lijdt doordat de werknemer het concurrentiebeding overtreed is meestal moeilijk te bepalen. Ondanks dat kan de rechter meestal de boete wel aan de werknemer opleggen indien hij of zij daadwerkelijk het genoemde beding heeft overtreden. Daarvoor moet het concurrentiebeding echter wel ondertekend zijn door de werknemer. Een werkgever moet dan wel kunnen aantonen dat de voormalig werknemer het concurrentiebeding daadwerkelijk heeft overtreden. Een werkgever hoeft de schade van de overtreding niet beslist aan te tonen omdat dit erg lastig is.

Concurrentiebeding vanaf 1 januari 2015
Vanaf 1 januari 2015 veranderen er een aantal dingen op de arbeidsmarkt. Het concurrentiebeding is één van de aspecten van de arbeidsmarkt die gaat veranderen. Vanaf 1 januari 2015 mogen werkgevers geen concurrentiebeding meer opnemen in tijdelijke contracten tenzij daarvoor aantoonbaar dringende redenen zijn. De dringende redenen dienen verband te houden met het bedrijfsbelang of het dienstbelang.

Een werkgever zal bij tijdelijke contracten een schriftelijke motivering moeten verstrekken indien hij of zij een concurrentiebeding in het contract heeft opgenomen. Deze schriftelijke motivering moet de noodzaak van het concurrentiebeding in het contract aantonen. Bij een onvoldoende motivering kan de rechter alsnog het concurrentiebeding ‘nietig’ verklaren. In het geval van een nietigverklaring is er in feite geen sprake van een rechtsgeldig concurrentiebeding en kan de (voormalig)  werknemer dus ook niet aan het concurrentiebeding gehouden worden.

In België is het overigens voor werkgevers niet toegestaan om een concurrentiebeding met werknemers overeen te komen als een werknemer een salaris heeft onder een bepaald bedrag.

Wat is de vergoeding als werkgever te laat een aanzegging doet?

Werkgevers in Nederland dienen zich vanaf 1 januari 2015 te houden aan de aanzegtermijn volgens de Wet Werk en Zekerheid. De aanzegtermijn is van toepassing op alle contracten met een looptijd van zes maanden of langer. Een werkgever dient uiterlijk een maand voor de afloopdatum van het contract bij de werknemer aan te geven of het contract wordt verlengd of niet. Dit dient de werkgever schriftelijk te doen en aan te kunnen tonen indien daarom wordt gevraagd. De aanzegging kan daarom het beste door een bedrijf aangetekend naar de werknemer worden verzonden.

Voortzetten dienstverband
Bij het voortzetten van het dienstverband van de werknemer dient de werkgever eveneens tijdig de aanzegging te versturen. Daarbij dient de werkgever duidelijk aan te geven onder welke voorwaarden het dienstverband van de werknemer kan worden voortgezet. Hierdoor weet de werknemer wat de werkgever met hem of haar voor ogen heeft. Dat schept een bepaalde zekerheid.

Niet voortzetten van het dienstverband
Het kan om verschillende redenen voorkomen dat een contract na de afloopdatum niet wordt verlengd. De desbetreffende medewerker zal na de afloopdatum van het contract meestal opnieuw de arbeidsmarkt op moeten om een nieuwe baan te vinden. Een werknemer dient echter minimaal een mand van te voren te weten of zijn of haar dienstverband wordt verlengd. Als dat niet het geval is kan de werknemer voorbereidingen treffen en eventueel via social media of andere kanalen bekend maken dat hij of zij weer beschikbaar komt voor werk. Ook bij het niet voortzetten van het dienstverband dient de werkgever tijdig de aanzegging te versturen aan de werknemer. De aanzegging dient uiterlijk een maand voor de daadwerkelijke einddatum van het contract in handen te zijn van de desbetreffende werknemer.

Vergoeding als de werkgever de aanzegging niet doet
Een werknemer kan aanspraak maken op een vergoeding als de werkgever de aanzegging niet doet. Ook als de aanzegging te laat in handen is van de werknemer kan de werknemer aanspraak maken op een vergoeding. De vergoeding die een medewerker kan ontvangen is één maandsalaris als de werkgever in het geheel geen aanzegging heeft verzonden. Als de werkgever de aanzegging te laat heeft verzonden wordt de vergoeding naar ratio berekend. Doormiddel van de verplichting om een vergoeding te verstrekken aan de werknemer bij een te laat of geheel niet verstrekken van een aanzegging hoopt de overheid aan werkgevers een extra prikkel te verschaffen om zich te houden aan de aanzegtermijn.

Vergoeding bij niet nakomen aanzegtermijn terwijl contract wordt verlengd
De vergoeding dient aan de werknemer te worden verstrekt als de werkgever de aanzegging te laat heeft gedaan of geheel niet heeft gedaan. Ook bij een voortzetting van het dienstverband kan een werknemer aanspraak maken op een vergoeding. Dit is wel naar rato en kan maximaal 1 maandsalaris bevatten. Stel dat de werkgever 2 weken te laat heeft aangezegd, dan heeft de medewerker recht op 2 weken salaris. Hij of zij kan hier aanspraak op maken maar de vraag is echter of een medewerker de arbeidsverhouding met zijn werkgever op scherp wil zetten omdat aan hem of haar immers een nieuw contract is aangeboden.

Wanneer heb je recht op transitievergoeding volgens de Wet werk en zekerheid?

De Wet werk en zekerheid is in 2014 ontstaan en heeft tot doel de ontslagprocedures in Nederland, eerlijker, sneller en goedkoper te maken. De overheid wil met deze wet meer mensen uit de WW-uitkering houden. Daarnaast wordt de positie van flexwerkers op de arbeidsmarkt versterkt door de bepalingen in de Wet werk en zekerheid.

Volgens de Wet werk en zekerheid moet de werkgever een transitievergoeding betalen aan een werknemer als de arbeidsovereenkomst met de desbetreffende werknemer minimaal 24 maanden heeft geduurd. De werkgever hoeft echter niet in alle gevallen een transitievergoeding aan de werknemer te betalen. Het betalen van de transitievergoeding is alleen van toepassing als:

  • de arbeidsovereenkomst door de werkgever is op gezegd.
  • de arbeidsovereenkomst op verzoek van de werkgever is ontbonden.
  • de arbeidsovereenkomst eindigt van rechtswege op initiatief van de werkgever en er wordt niet aansluitend een nieuw contract door de werkgever verstrekt.

De transitievergoeding dient ook door de werkgever te worden betaald als de werkgever ernstig verwijtbaar heeft gehandeld of ernstig nalatig is geweest en dat daardoor:

  • de werknemer de arbeidsovereenkomst heeft opgezegd.
  • het contract op verzoek van de werknemer is ontbonden.
  • de werknemer op grond van de nalatigheid of verwijtbaar handelen van de werkgever er voor kiest om na een contractbeëindiging op basis van rechtswege geen nieuw contract met de desbetreffende werkgever te sluiten.

Wanneer treed de transitievergoeding in?
De Kantonrechtersformule (AxBxC) is afgeschaft per 1 juli 2015. Vanaf dat moment treed de transitievergoeding in er is namelijk door de overheid geen overgangsregeling benoemd.  De transitievergoeding is maximaal een bedrag van 75.000 euro of maximaal 1 jaarsalaris als dat bedrag hoger uitvalt dan 75.000 euro. Als de werknemer echter ernstig verwijtbaar heeft gehandeld hoeft de werkgever hem of haar geen transitievergoeding te betalen.

Bij de transitievergoeding wordt het uitgangspunt gehanteerd dat elke werknemer tot zijn of haar 10e dienstjaar 1/3 maandsalaris per jaar opbouwt. Na het 10e dienstjaar bouwt de werknemer een ½ maandsalaris per jaar op.

Wanneer moet een uitzendbureau de inlenersbeloning toepassen?

De inlenersbeloning is een veelbesproken onderwerp bij uitzendbureaus. Tot januari hadden uitzendbureaus de mogelijkheid om uitzendkrachten de eerste 26 gewerkte weken conform de ABU-cao te belonen. Uitzendkrachten moesten na 26 werkweken bij dezelfde klant beloond worden conform de cao van de klant. Wanneer een uitzendkracht echter kan worden aangemerkt als vakkracht zal hij of zij vanaf zijn eerste werkdag conform de beloningsmethodiek van de inlener moeten worden beloond.

Vakkrachten en vakkrachtenregeling?
Een uitzendkracht kan als vakkracht worden aangemerkt wanneer hij of zij onder de vakkrachtenregeling valt. Deze regeling is opgenomen in artikel 20 van de CAO-ABU en artikel 37/ bijlage 10 van de NBBU cao. In dit artikel is omschreven aan welke voorwaarden een uitzendkracht moet voldoen als hij of zij als vakkracht moet worden aangemerkt. Daarbij is ook aangegeven wat dit betekent voor de beloning van de uitzendkracht.

Hieronder volgt een citaat van de: ‘cao voor uitzendkrachten 2012-2017, november 2012’.

Artikel 20 Vakkrachten

1. De CAO van de opdrachtgever kan specifieke bepalingen bevatten met betrekking tot de belo­ning van vakkrachten.

2. Partijen betrokken bij de CAO van de opdrachtgever kunnen aan de Beloningscommissie bij deze CAO verzoeken die bepalingen omtrent vakkrachten vanaf de aanvang van de verblijfsduur van de uitzendkracht bij de inlenende onderneming van toepassing te verklaren op uitzend­overeenkomsten. Deze bepalingen treden pas in werking na goedkeuring en publicatie door de Beloningscommissie.

3. De Beloningscommissie toetst of:

a. vakkrachten zijn gedefinieerd in termen van het behalen van een diploma en/of voor de functie relevante vakkennis en/of vakervaring in een sector;

b. de beloning voor vakkrachten is samengesteld uit niet meer dan de zes beloningselementen van de inlenersbeloning zoals bedoeld in artikel 19 lid 5 onder b. van de CAO;

c. de elementen van de aangemelde bepalingen omtrent vakkrachten tezamen dusdanig hoger in waarde zijn dan de elementen van de beloningsregeling van onderhavige CAO dat zij in redelijkheid moeten worden toegepast.

4. Indien de Beloningscommissie overweegt om de aangemelde bepalingen omtrent vakkrachten niet te accepteren zal zij in overleg treden met de partijen die de bepalingen hebben aangemeld.

5. De commissie neemt binnen zes weken een schriftelijk gemotiveerd besluit over het ingediende verzoek, behoudens de situatie zoals genoemd in lid 4. In dit artikel wordt onder schriftelijk verstaan: ‘per brief of per e-mail verzonden’.

6. Nadat de Beloningscommissie de vakkrachtenmelding heeft goedgekeurd, zal de vakkrachten­melding worden gepubliceerd op www.sncu.nl.

7. Na publicatie is de vakkrachtenmelding direct van toepassing op nieuwe en lopende terbeschik­kingstellingen. Het besluit van de Beloningscommissie heeft geen terugwerkende kracht.

8. De Beloningscommissie is paritair samengesteld en bestaat uit drie vertegenwoordigers van werknemerszijde en drie vertegenwoordigers van werkgeverszijde en stelt haar eigen reglement vast. De Beloningscommissie heeft als opdracht te oordelen over zaken aangaande de leden 1 en 2 van dit artikel.

Welke uitzendkrachten zijn vakkrachten?
Elk cao-partij kan in de praktijk een vakkrachtenmelding doen. Deze vakkrachtenmeldingen kunnen worden gedaan bij de Stichting Naleving CAO voor Uitzendkrachten (SNCU). Deze stichting publiceert de vakkrachtenmelding op hun website zodat alle werkgevers de vakkrachtenmelding kunnen lezen. Bedrijven en uitzendbureaus doen er verstandig aan om regelmatig de website van de SNCU te bekijken of er nieuwe relevante vakkrachtenmeldingen zijn gedaan. In deze vakkrachtenmelding staat aan welke eisen de werknemer moet voldoen indien hij als vakkracht aangemerkt moet worden. Deze eisen zijn gericht op relevante werkervaring, opleidingsrichting en opleidingsniveau.

De vakkrachtenmelding is opgenomen in een cao. De cao’s zijn gekoppeld aan bedrijven of bedrijfstakken. De medewerkers die in de ene cao als vakkrachten worden aangemerkt kunnen mogelijk in een andere cao niet als vakkracht worden aangemerkt. Een vakkracht heeft namelijk relevante werkervaring en een relevante opleiding nodig die gericht is op het desbetreffende bedrijf of bedrijfstak.

Wat moet een uitzendbureau met de vakkrachtenmelding doen?
Uitzendbureaus moeten bij de inlener navragen onder welke cao het bedrijf valt. Vervolgens moet het uitzendbureau in de desbetreffende cao nagaan of er een vakkrachtenmelding is opgenomen. Dit kan ook worden bekeken op de website van de SNCU. Als een uitzendbureau uitzendkrachten bemiddelt bij een inlener die onder een cao valt met een vakkrachtenmelding, dient het uitzendbureau goed na te gaan of de uitzendkrachten die het uitzendbureau bemiddelt als vakkrachten kunnen worden aangemerkt. Als dat wel het geval is zullen de uitzendkrachten conform de beloningsmethodiek van de inlener beloond moeten worden. De inlenersbeloning dient te worden toegepast ten gunste van de uitzendkracht. Als de uitzendkracht bijvoorbeeld een contract voor bepaalde tijd heeft via het uitzendbureau kan hij of zij niet meer in salaris worden teruggezet.

Let op vanaf 1 januari 2015 moeten alle uitzendkrachten vanaf de eerste werkdag op basis van inlenersbeloning worden beloond.

Wat is de arbeidstijdenwet en wat is hierin vastgelegd?

De Arbeidstijdenwet wordt ook wel afgekort met ATW. In deze wet zijn regels vastgelegd met betrekking tot de arbeidstijden en de rusttijden voor werknemers. De Arbeidstijdenwet is gericht op het bieden van duidelijke kaders voor bedrijven en personeelsleden waardoor er veilig en gezond gewerkt kan worden. Deze doelstelling houdt een nauw verband met de doelstellingen die worden nagestreefd in de Arbeidsomstandighedenwet die ook wel de Arbowet wordt genoemd.

De Arbeidstijdenwet biedt echter ook regels die er voor moeten zorgen dat werknemers eenvoudiger werk kunnen combineren met zorgtaken en andere belangrijke verplichtingen en verantwoordelijkheden buiten hun dienstverband bij de werkgever.

De Arbeidstijdenwet is van toepassing op alle arbeidsrelaties die tussen werkgevers en werknemers worden aangegaan. Het maakt daarbij niet uit of de werknemer bij de overheid in dienst is of in het bedrijfsleven. Ook de dienstverbanden van stagiaires,  uitzendkrachten, gedetacheerden en ander tijdelijk en flexibel personeel vallen onder de wet en regelgeving van de Arbeidstijdenwet.

Waarom de Arbeidstijdenwet?
Arbeid verandert voortdurend. Er worden nieuwe machines ontwikkeld en productieprocessen worden geautomatiseerd. Bedrijven die het verleden gewoon  tussen 9:00 en 17:00 open waren draaien nu in ploegen. Met name in de procesindustrie zijn veel bedrijven volcontinue operationeel. In deze sector wordt personeel ingezet in ploegendiensten. Dit vereist veel van de fysieke en mentale gesteldheid van het personeel. Ook in andere sectoren wordt veel van de inzetbaarheid van personeel verlangd.

Regelmatig staat het bedrijfsbelang haaks op het belang en de gezondheid van het personeel. Bedrijven willen dat personeelsleden zoveel mogelijk en zo lang mogelijk ingezet worden en zo rendabel mogelijk zijn. Personeel heeft echter regelmatig rust nodig en wil daarnaast ook de mogelijkheid krijgen om werk en privé met elkaar te combineren. Deze verschillende uitgangspunten zorgden aan het begin van de twintigste eeuw voor spanningen tussen personeel en werkgevers. De werkgevers hadden meer macht dan de werknemers omdat er sprake was van werkloosheid. Daarom werd in 1919 de Arbeidswet ingevoerd.  Op 1 januari 1996 werd deze wet vervangen door de Arbeidstijdenwet oftewel de ATW.

De Arbeidstijdenwet tot april 2007
De Arbeidstijdenwet die in 1996 werd ingevoerd is de oude ATW. Deze wet was geldig tot april 2007. In oude Arbeidstijdenwet stonden wetten en regels met betrekking tot:

  • maximale arbeidsduur of arbeidstijden
  • de minimale rusttijden tussen de arbeidstijden
  • nachtarbeid en zondagsarbeid
  • pauzes en overwerken
  • oproepdiensten (consignatie).

De oude Arbeidstijdenwet benoemde standaardregelingen en een overgangsregeling. De overgangsregeling bood ruimere kaders voor werkgevers en werknemers om de arbeidstijden aan te passen. Om misbruik te voorkomen mochten de uiterste grenzen van de overgangsregeling alleen worden ingevoerd wanneer werknemers en werkgevers hierover tot overeenstemming waren gekomen. Hierover moest een collectief overleg worden gehouden. Dit cao-overleg werd tussen de werkgever en de ondernemingsraad (of een andere afvaardiging van het personeel) gehouden.

De nieuwe Arbeidstijdenwet
Sinds 1 april 2007 is de Arbeidstijdenwet aangepast. De wet is vereenvoudigd en verruimd. Door deze aanpassingen hebben de werkgevers en werknemers meer mogelijkheden gekregen om de pauzes en de arbeidsduur per week en per dag in te vullen. Ook de regels met betrekking tot nachtarbeid zijn verruimd. In de nieuwe ATW zijn de regels met betrekking tot werken op zondag niet aangepast. De nieuwe normen in de ATW zijn sinds 1 april 2007 als volgt:

  • Een werknemer mag een maximale arbeidstijd werken van 12 uur per dienst. De maximale werktijd mag 60 uur per week zijn.
  • Gedurende een periode van 4 weken mag een werknemer gemiddeld iedere week maximaal 55 uur werken. Per 16 weken mag een werknemer gemiddeld maximaal 48 uur werken.
  • Per  nachtdienst mag door de werknemer niet meer dan 10 uur arbeid worden verricht.
  • Werknemers die gemiddeld 1 of meer nachtdiensten per week draaien mogen over een periode van 16 weken geen werkweek langer dan 40 uur werken.
  • Na één nachtdienst die na 02.00 uur eindigt moet de werknemer 14 uur rusten. Dit houdt in dat hij of zij geen arbeid mag verrichten.
  • Na een reeks van 3 of meer nachtdiensten achter elkaar moet de werknemer een rusttijd van 46 uur krijgen van de werkgever.
  • Over een periode van 16 weken mag een werknemer maximaal 36 nachtdiensten draaien. Er mogen maximaal zeven nachtdiensten achter elkaar door de werknemer worden gewerkt.
  • De standaardregeling en de overlegregeling die opgenomen waren in de oude Arbeidstijdenwet zijn in de nieuwe Arbeidstijdenwet komen te vervallen. Alleen over nachtdiensten mogen door werkgevers en werknemers andere afspraken worden gemaakt. Deze afspraken dienen door cao-overleg tot stand te komen en in een cao vastgelegd te worden.

Door de nieuwe eenvoudiger Arbeidstijdenwet hebben werkgevers en werknemers ruimere kaders om de arbeidsduur aan te passen aan de processen die in bedrijven worden uitgevoerd. Door een optimale aansluiting tussen de inzetbaarheid van werknemers en de werkprocessen binnen bedrijven hoopt Nederland de concurrentiepositie van Nederlandse bedrijven internationaal verbeteren.

Wat is arbeidsrecht en wat is hierin vastgelegd?

Arbeidsrecht is een onderdeel van het recht dat gericht is op de arbeidsrelaties tussen werkgevers en werknemers. Iemand is een werknemer of werkneemster wanneer hij of zij zich of haar doormiddel van een arbeidsovereenkomst verbindt aan een werkgever, om onder zijn of haar gezag werkzaamheden te verrichten in ruil voor een beloning. Arbeidsrecht is een integraal onderdeel van het sociaal recht en kan worden opgedeeld in individueel en het collectief arbeidsrecht.

Waarom arbeidsrecht?
Aan het begin van de twintigste eeuw was de positie van de werknemer zwak ten opzichte van de werkgever. De contractpartijen konden in die tijd onderling de contractvoorwaarden bepalen. Dit betekende in de praktijk vaak dat de werkgevers de voorwaarden bepaalden waaronder de werknemers de werkzaamheden moesten verrichten.  Dit zorgde voor mistanden op de arbeidsmarkt. Grote industriële bedrijven gebruikten hun invloed om werknemers tegen zo weinig mogelijk loon aan het werk te zetten. Vanuit de werknemers ontstond kritiek en de werknemers gingen zich met elkaar verenigen in vakbonden. De vakbonden kregen meer invloed en zorgden en probeerden meer rechten voor werknemers vast te leggen in de wet. De wetgeving zorgde er in Nederland voor dat de werkgevers zich aan richtlijnen moesten houden. Het arbeidsrecht kreeg door de jaren heen een steeds duidelijker vorm.

In de 21ste eeuw is er maar weinig contractvrijheid. De werknemers krijgen veel bescherming door het arbeidsrecht. Hierbij kan onder andere gedacht worden aan sociale zekerheid, arbeidsongevallenverzekering en ontslagbescherming.

Wat staat er in het arbeidsrecht?
Iedereen die in Nederland een arbeidsovereenkomst heeft gesloten krijgt te maken met rechten en plichten. Deze rechten en plichten zijn vastgelegd in het arbeidsrecht. Ambtenaren en uitzendkrachten krijgen eveneens te maken met aspecten die uit het arbeidsrecht naar voren komen.

De kern van het arbeidsrecht is boek 7 van het Nieuw Burgerlijk Wetboek betreffende Bijzondere overeenkomsten, onder titel 10 de Arbeidsovereenkomst. Onder deze titel staan in afdeling 11 een aantal bijzondere bepalingen die betrekking hebben tot de uitzendovereenkomst.

Een aantal belangrijke antwoorden met betrekking tot vragen over het arbeidsrecht kunnen in boek 7 van het BW worden gevonden. Voorbeelden van deze vragen zijn:

  • Wanneer is er sprake van een arbeidsovereenkomst?
  • Wanneer is de proeftijd van toepassing?
  • Wat zijn de verplichtingen van de werknemer?
  • Wat zijn de verplichtingen van de werkgever?
  • Welke verplichtingen heeft een werkgever met betrekking tot de loonbetaling?
  • Welke regels zijn er met betrekking tot verlof?
  • Wat is er vastgelegd over gelijke behandeling van werknemers?
  • Hoe kan een arbeidsovereenkomst worden beëindigd?
  • Wat zijn de-integratieverplichtingen van de werknemer?