Wat is producentenvertrouwen?

Producentenvertrouwen is een indicator waarmee de stemming van ondernemers in de industriële productie wordt gevisualiseerd doormiddel van een indexcijfer dat tot stand is gekomen door een onderzoek van het CBS over de oordelen en verwachtingen van ondernemers in de industrie. Het producentenvertrouwen wordt in Nederland maandelijks in kaart gebracht door het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS). Het indexcijfer maakt duidelijk of producenten in Nederland positieve of juist negatieve verwachtingen hebben over de toekomst van hun eigen bedrijf en de industrie.

Producentenvertrouwen
Het Centraal Bureau voor de Statistiek hanteert voor de bepaling van het producentenvertrouwen een systeem dat door de Europese Commissie is ontwikkeld, de zogenaamde: Industrial Confidence Indicator. Sinds het begin van 1997 publiceert het CBS het producentenvertrouwen in Nederland volgens de berekeningsmethode die gebruikelijk is in de EU. Het producentenvertrouwen is als indicator vergelijkbaar met andere indicatoren die door het CBS worden opgesteld zoals het consumentenvertrouwen waarvan het indexcijfer tot stand komt door het zogenaamde Consumentenconjunctuuronderzoek van het CBS.

Onderzoek naar producentenvertrouwen
Het Centraal Bureau voor de Statistiek heeft voor de totstandkoming van het indexcijfer over het producentenvertrouwen informatie nodig. Deze informatie is afkomstig van producenten in de industrie. Het producentenvertrouwen is samengesteld op basis van drie variabelen uit de producentenconjunctuurtest die maandelijks wordt gehouden. Het gaat hierbij om de beoordeling van ondernemers in de industrie met betrekking tot hun orderportefeuille en de voorraden gereed product die ze hebben over de maand waarover het onderzoek betrekking heeft. Ook worden vragen gesteld over de verwachte bedrijvigheid in de eerstvolgende drie maanden. De cijfers worden gecorrigeerd op basis van de seizoeninvloeden en bias.

Indexcijfer producentenvertrouwen
Het producentenvertrouwen wordt door het CBS gevisualiseerd doormiddel van een indexcijfer. Het indexcijfer maakt duidelijk hoeveel producenten een positieve beeldvorming en positieve verwachtingen hebben met betrekking tot hun productie en de conjunctuur en hoeveel producenten een negatieve visie op deze onderwerpen hebben. Een indexcijfer nul toont een balans aan tussen het aantal negatief gestemde en positief gestemde producenten op de markt. Als het indexcijfer boven de nul uitkomt heeft het aantal positief gestemde producenten de overhand en als het indexcijfer beneden de nul uitkomt heeft het aantal pessimisten de overhand in de industrie. Door dit indexcijfer weet men in Nederland hoe het gesteld is met het producentenvertrouwen.

Producentenvertrouwen en de arbeidsmarkt
Het producentenvertrouwen is een belangrijk indexcijfer voor de Nederlandse economie. Wanneer producenten positief zijn ingesteld zullen er waarschijnlijk meer producten worden afgezet en zal er meestal meer omzet en marge worden behaald door bedrijven in de industrie actief zijn. Dat zorgt er vaak voor dat er meer investeringen worden gedaan. Er worden meer vacatures open gezet voor tijdelijk personeel zoals uitzendkrachten maar ook voor vast personeel. Dat zorgt er voor dat er meer vraag ontstaat op de arbeidsmarkt. Er kunnen meer werklozen aan een baan geholpen worden.

De positie van werknemers in de industrie wordt dan vaak ook beter. Ze kunnen meer loon vragen en zullen dit in de praktijk vaak ook krijgen doormiddel van een loonsverhoging die bijvoorbeeld in een cao is afgesproken. Doordat werknemers meer verdienen kunnen ze ook meer uitgeven. Het consumentenvertrouwen gaat omhoog waardoor de koopbereidheid onder consumenten toeneemt. Consumenten kunnen meer producten aanschaffen en dat is vaak goed voor de economie en voor de producenten die actief zijn in deze economie. Zo ontstaat in de meest ideale situatie een vicieuze cirkel waarvan het producentenvertrouwen een belangrijk onderdeel of een belangrijke uitkomst is.

Wat is consumentenvertrouwen?

Consumentenvertrouwen is een indicator waarmee het vertrouwen en de verwachtingen van consumenten ten opzichte van de Nederlandse economie doormiddel van een indexcijfer inzichtelijk wordt gemaakt. Het consumentenvertrouwen wordt door het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) in kaart gebracht. Daarbij hanteert het CBS enquêtes waarin de respondenten antwoorden geven op vijf vragen. Deze vragen gaan zowel over de beeldvorming over de algemene economie maar ook over de persoonlijke financiële situatie van de respondent. Het resultaat van het onderzoek is een indexcijfer waarmee het consumentenvertrouwen van de Nederlandse consument wordt gevisualiseerd.

Onderzoek naar consumentenvertrouwen
Het CBS doet onderzoek naar het consumentenvertrouwen van consumenten in Nederland. Dit wordt ook wel het Consumentenconjunctuuronderzoek genoemd. Er worden een aantal deelindicatoren gehanteerd namelijk het economisch klimaat en de koopbereidheid van consumenten. Er wordt ook een vraag gesteld over de aanschaf van duurzame consumptiegoederen. Deze vraag luid ongeveer als volgt: ‘is het nu de juiste tijd om een grote aankoop te doen zoals een wasmachine, droger, telvisie of andere grote consumentenproducten?
Het gaat bij de vraagstelling zuiver om de particuliere consumptie kortom de consumptie voor consumenten zelf en hun huishouden. De antwoorden op de vragen in de enquête over het consumentenvertrouwen worden in positieve en negatieve antwoorden verwerkt en worden in een percentage van het totaal aantal antwoorden inzichtelijk gemaakt. Zo ontstaat een positief beeld of een negatief beeld met betrekking tot het consumentenvertrouwen.

Indexcijfer consumentenvertrouwen
De uitkomst van het CBS met betrekking tot het consumentenvertrouwen is een indexcijfer. Dit indexcijfer maakt duidelijk wat het vertrouwen en de verwachtingen van consumenten zijn met betrekking tot de ontwikkelingen van de Nederlandse conjunctuur. Wanneer het indexcijfer op een nul uitkomt zijn er in Nederland evenveel consumenten die pessimistisch denken over de economische ontwikkelingen als het aantal optimisten. Wanneer het indexcijfer onder de nul komt spreekt men van een min en zijn er meer pessimisten dan optimistische consumenten in Nederland. Andersom kan natuurlijk ook voorkomen. Een indexcijfer boven de nul maakt duidelijk dat er meer mensen optimistisch zijn over de economie en hun eigen economische situatie.

Waarom is het meten van het consumentenvertrouwen belangrijk?
Het consumentenvertrouwen is, zoals eerder genoemd, een indicator. Dat houdt in dat het consumentenvertrouwen een beeld geeft. Dit beeld houdt verband met de economie. Wanneer consumenten over het algemeen positief zijn ingesteld over de economie en hun eigen koopkracht dan is de kans groot de consumptie in Nederland gaat toenemen. Kortom consumenten gaan waarschijnlijk meer kopen.

Kettingreactie door consumentenvertrouwen
Als consumenten meer kopen zorgt dat vaak voor een positieve kettingreactie. De binnenlandse bestedingen gaan omhoog en bedrijven kunnen meer producten afzetten. Daardoor draaien bedrijven een hogere omzet en in de praktijk meer marge. Het producentenvertrouwen gaat omhoog. Vervolgens kunnen bedrijven meer investeren en meestal zorgt dat er ook voor dat er meer vacatures ontstaan waardoor meer personeel aangenomen kan worden. Dat laatste is weer goed voor de arbeidsmarkt. Meer mensen kunnen aan een baan geholpen worden en de positie van werknemers die reeds een baan hebben wordt verstevigd. Dat zorgt er vaak voor dat er cao onderhandelingen plaatsvinden waarin een loonsverhoging wordt opgenomen. Zo krijgen de werknemers meer salaris en wordt hun koopkracht weer beter. Daardoor gaat het consumentenvertrouwen weer verder omhoog.

Consumenten zijn meer internationaal georiënteerd
Uiteraard zitten in de hiervoor genoemde opsomming een aantal logische reacties verwerkt. Deze reacties vinden echter niet altijd in de praktijk plaats. Dat kan een aantal oorzaken hebben waaronder politieke oorzaken maar ook de internationale concurrentie. Zo moeten bedrijven niet alleen binnen de Nederlandse landsgrenzen met elkaar concurreren maar ok daar buiten. Dat maakt het vaak lastig om alle consumentenbestedingen ook in Nederland te verzilveren. Een deel van de consumenten koopt in de mondiale economie hun producten in het buitenland. Daardoor blijven effecten voor de Nederlandse economie beperkt evenals de positieve effecten voor de Nederlandse arbeidsmarkt. Bedrijven in Nederland doen er daarom ook alles aan om het vertrouwen van Nederlandse consumenten voor zich te winnen. Dit is ook een vorm van consumentenvertrouwen namelijk het vertrouwen van de Nederlandse consument in haar eigen Nederlandse producenten en leveranciers.

Wat is de beroepsbevolking?

De beroepsbevolking is een verzamelnaam voor alle personen die binnen wettelijk vastgestelde leeftijdsgrenzen arbeid verrichten of beschikbaar zijn voor het verrichten van arbeid. Als men het heeft over de beroepsbevolking in het algemeen dan bedoelt men dus zowel de werkenden als de mensen die niet werken maar wel in de leeftijdscategorie vallen waarop geacht kan worden dat men arbeid zou kunnen uitvoeren.  De beroepsbevolking bestaat dus uit werklozen en werknemers.

Definitie beroepsbevolking
Het bepalen van de omvang van de beroepsbevolking is aan een aantal kaders gebonden. Deze kaders kunnen door overheden en onderzoeksbureaus worden geschetst als ze cijfers publiceren over de beroepsbevolking. Over het algemeen hanteert men een minimale leeftijd van 15 jaar als men het heeft over minimum leeftijd om tot de beroepsbevolking te behoren. Soms hanteert men ook wel lagere leeftijden. Daarnaast wordt ook vaak een maximale leeftijd genoemd. Deze leeftijd kan per land verschillen.

In Nederland is deze maximale leeftijd (nog) op 65 jaar vastgesteld. Het woord ‘nog’ staat tussen haakjes omdat de overheid verwacht dat werknemers langer moeten doorwerken. Inmiddels is de pensioengerechtigde leeftijd vastgesteld op 67 jaar. Dit kan echter nog hoger worden maar eventueel ook lager. Dat is afhankelijk van de politiek. Om de beroepsbevolking te bepalen zal men ook moeten kijken naar de arbeidsinzet van personen, deze moeten namelijk in staat zijn om kunnen werken. Dit is niet altijd leeftijdsgebonden.

Er kan namelijk ook sprake zijn van fysieke en psychische aspecten die er voor zorgen dat men medisch niet in staat kan worden geacht om arbeid te verrichten. Al deze factoren zorgen er voor dat men naast een definitie van de beroepsbevolking ook duidelijke kaders moet scheppen over welke mensen wel en welke mensen niet bij de beroepsbevolking horen. Onderzoeksbureaus zoals het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) geven daarom ook vaak een omschrijving over wat ze verstaan onder het begrip beroepsbevolking.

Beroepsbevolking volgens het CBS
Het Centraal Bureau voor de Statistiek is in Nederland verantwoordelijk voor het verzamelen van gegevens en het uitvoeren van onderzoeken. Het CBS publiceert regelmatig de resultaten van onderzoeken en deze resultaten worden vaak als zeer nuttig beschouwd door zowel de overheid, bedrijven als consumenten. Het CBS voert ook regelmatig onderzoeken uit met betrekking tot de arbeidsmarkt. De term beroepsbevolking is daardoor bij het CBS goed bekend. Het onderzoeksbureau heeft dit begrip zelf ook ingekaderd. Het CBS verstaat het volgende onder de beroepsbevolking (volgens het CBS op 4 februari 2016):

  • Alle personen in Nederland tussen de 15 en 65 jaar die;
  • minimaal twaalf uur werk verrichten per week of die;
  • Werk hebben aanvaard waardoor ze minimaal twaalf uur per week gaan werken.
  • Mensen die hebben aangegeven dat ze in ieder geval 12 uur of meer per week kunnen werken en daar actief naar op zoek zijn en ondanks dat nog geen werk gevonden hebben.
  • Mensen in de leeftijd tussen de 15 en 65 jaar die niet werken of minder dan 12 uur per week werken en daarbij niet op zoek zijn naar werk worden volgens het CBS niet tot de beroepsbevolking gerekend.

Het CBS maakt een tweedeling tussen de werkende beroepsbevolking en de werkloze beroepsbevolking. De werkzame beroepsbevolking is het deel van de beroepsbevolking dat per week minimaal 12 uur werkt. Het werkloze deel van de beroepsbevolking is het deel dat geen werk heeft of minder dan twaalf uur per week werkt en daarbij wel (geregistreerd) op zoek is naar werk voor meer dan 12 uur per week. De beroepsbevolking vormt de som van de werkende personen en de niet werkende personen die aan de hiervoor genoemde criteria voldoen.

Wat is contractloon?

Contractloon is het loon dat voortvloeit uit de afspraken die zijn vastgelegd in de collectieve arbeidsovereenkomsten (cao). Bij het tot stand komen van een contractloon is er een verschil tussen de overheid en de private sector. Bij de private sector komen de contractlonen tot stand door afspraken die tussen werkgeversorganisaties en werknemersorganisaties (vakbonden) zijn vastgelegd in de cao.

Bij de overheid is er geen sprake van cao-onderhandelingen en worden de contractlonen vastgesteld op basis van arbeidsvoorwaardenafspraken die door de overheid worden gemaakt met overheidspersoneel. Een contractloon is dus in feite een loon dat is geregeld doormiddel van een cao of arbeidsvoorwaardenafspraken.

Contractloon volgens CBS en CPB
Het contractloon wordt door het Centraal Bureau van de Statistiek (CBS) en het Centraal Planbureau (CPB) ook gebruikt voor berekeningen, publicaties en rapportages. De definitie van het contractloon blijft staan alleen wordt het contractloon door het CBS soms anders bepaald dan het CPB. Dit heeft te maken met de steekproef en de weging. Ook het boeken van loonmutaties en de hoogte daarvan heeft effect op de hoogte van het contractloon. Hierbij kunnen ook verschillen ontstaan tussen het bepalen van het contractloon door het CBS en het CPB.

Als men de publicaties van deze instanties echt goed met elkaar wil vergelijken moet men goed bekijken hoe men het contractloon precies heeft gehanteerd en berekend.

Wat zijn uitzenduren van uitzendbureaus?

Uitzenduren is een woord dat regelmatig wordt gebruikt door uitzendbureaus en statistiekbureaus zoals het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS). Met uitzenduren bedoelt men het aantal uren dat uitzendkrachten in een bepaalde periode hebben gewerkt. Statistiekbureaus en onderzoeksbureaus kunnen in opdracht van de overheid of uitzendbranche onderzoeken hoe het gaat met de flexibele arbeidsmarkt in Nederland. Het aantal uitzenduren kan daar een duidelijke indicatie van geven.

Uitzenduren als graadmeter voor de economie
Als het aantal uren van uitzendkrachten toeneemt zegt dat wat over het aantrekken van de werkgelegenheid. Veel bedrijven kiezen er voor om in eerste instantie uitzendkrachten in te lenen alvorens ze overwegen om rechtstreeks contracten voor bepaalde en onbepaalde tijd te verstrekken. Als er meer uitzendkrachten worden ingeleend en de uitzendkrachten meer uren werken kan dat een voorteken zijn van het herstellen van de arbeidsmarkt. Geen wonder dat uitzendbureaus ook wel de graadmeter voor de economie worden genoemd.

Wat zijn uitzenduren?
Elk onderzoeksbureau zal trachten een duidelijke omschrijving te geven van het begrip ‘uitzenduren’. Over het algemeen bedoelt men met uitzenduren de uren die een uitzendkracht voor een uitzendbureau werkt bij een inlenende partij (opdrachtgever). Deze uitzendkrachten werken op uitzendbasis (uitzendbeding). Dit houdt in de praktijk in dat ze bij het wegvallen van het uitzendwerk geen loon doorbetaald krijgen. Het werken op uitzendbasis behoort tot de meest flexibele vormen van werken in Nederland.

Uitzenden of detacheren?
Uitzendkrachten kunnen ook een contract krijgen. Meestal werken de uitzendkrachten in eerste instantie in de zogenoemde fase A voor een uitzendbureau. Ze worden dan bemiddeld onder uitzendbeding. Na 78 weken gewerkt te hebben voor een uitzendbureau ontvangt de uitzendkracht een contract van het uitzendbureau als de werkzaamheden worden voortgezet. De uitzendkracht ontvangt dan meestal een contract voor bepaalde tijd maar het is ook mogelijk dat hij of zij meteen een vast contract krijgt. Vanaf het moment dat de uitzendkracht een contract heeft zou je eigenlijk van detachering kunnen spreken.

Er zijn echter detacheringbureaus die hun flexibele arbeidskrachten meteen vanaf de eerste werkdag op contract nemen. Dat biedt voor detacheringkrachten meer zekerheden. Bij het wegvallen van de werkzaamheden van de inlener krijgen de contractanten van het detacheringbureau toch nog loon doorbetaald tot ze de volgende opdracht bij een inlener kunnen uitvoeren. Zowel uitzendbureaus als detacheringbureaus kunnen hun personeel detacheren.

Definitie uitzenduren
Onderzoeksbureaus kunnen bij het in kaart brengen van het aantal uitzenduren over een periode zowel de uitzenduren in fase A (met uitzendbeding) bedoelen als de uren die uitzendkrachten op contactbasis voor een uitzendbureau of detacheringbureau werken. Daarom moet men bij de onderzoeken altijd kijken hoe men deze begrippen definieert.

Economische groei in Nederland in 2014 niet hoog

De nieuwswebsite Nu.nl heeft een interview gehad met twee hoogleraren. Dit waren de hoogleraar economie Sweder van Wijnbergen van de Universiteit van Amsterdam en hoogleraar financiële economie Sylvester Eijffinger van de Universiteit van Tilburg. Het interview ging over de economische verwachtingen voor 2014. Hierbij kwamen ook de cijfers aan bod die door het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) werden gepubliceerd over 2013. Het CBS gaf in haar rapport aan dat de economie in Nederland in het derde kwartaal met 0,1 procent is gegroeid ten opzichte van kwartaal twee van 2013.

De geïnterviewde hoogleraren gaven aan dat de economie in Nederland niet sterk zal groeien. Vermoedelijk komt het groeipercentage van de economie in 2014 niet boven de 1 procent van het  bruto binnenlands product. Wanneer de economie met een half procent of iets meer zou stijgen mogen we in Nederland al blij zijn. Volgens hoogleraren zit de Nederlandse economie nu op de bodem. De economie zal wel weer gaan groeien maar ze verwachten daarin geen grote sprongen.

De woningbouw speelt een belangrijke rol bij de groei van de economie volgens de hoogleraren. Ze zijn van mening dat het kabinet meer moet doen om de woningbouw te stimuleren. Volgens de hoogleraren lijkt het kabinet niet effectief met de woningmarkt om te gaan. Het geld dat weggehaald wordt bij de woningcorporaties en de moeite waarmee starters een hypotheek kunnen nemen worden als belangrijke oorzaken genoemd. Volgens de hoogleraren kan het geld bij oude hypotheken beter worden weggehaald. Om dit te bewerkstelligen moet de hypotheekrenteaftrek sneller en forser worden beperkt.

Reactie Technisch Werken
De hoogleraren geven een mening waarmee veel mensen het eens zullen zijn in Nederland. Het kabinet moet de woningmarkt stimuleren. Op dit moment gebeurd er nog weinig vanuit het kabinet om de woningmarkt te laten groeien. De grote hoeveelheden mensen die worden ontslagen in de bouwsector tonen aan dat er nog weinig nieuwe woningen en bedrijfspanden worden gebouwd in Nederland. Er vindt nauwelijks doorstroom plaats. Mensen die verhoudingsgewijs veel verdienen blijven daardoor in starterswoningen wonen. Hierdoor ontstaan voor starters weinig kansen op de woningmarkt. Ook het feit dat banken moeizaam hypotheken verstrekken zorgt er voor dat er weinig woningen worden verkocht. Zowel de banken als de overheid moeten structureel iets veranderen anders blijft de woningmarkt een groot probleem vormen voor het economisch herstel van Nederland.

Nederland uit recessie volgens CBS

Donderdag 14 november 2013 publiceerde het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) cijfers over de economische ontwikkelingen in Nederland. Hieruit kan worden geconcludeerd dat Nederland uit de recessie raakt. Nadat de Nederlandse economie over een periode van vier kwartalen een krimp heeft laten zien ontstaat er nu een klein herstel. In het kwartaal drie van 2013 is er een positief groeicijfer  ten opzichte van de periode daarvoor.

Het groeicijfer is echter wel zeer klein. Ten opzichte van het tweede kwartaal is de Nederlandse economie in het derde kwartaal met 0,1 procent gegroeid. Wanneer het derde kwartaal van 2013 echter wordt vergeleken met het derde kwartaal van 2012 dan is de Nederlandse economie alsnog gekrompen met 0,6 procent.

Werkloosheid
De werkloosheid neemt toe. Het derde kwartaal laat een stijging zien van de werkloosheid ten opzichte van kwartaal twee. In totaal verdwenen er in het derde kwartaal 46.000 banen in Nederland in 2013. De stijging van de werkloosheid neemt nog niet af. Sinds 2011 is er nog geen einde gekomen aan de oplopende werkloosheid. Wanneer de werkloosheid van het derde kwartaal van 2013 wordt vergeleken met het derde kwartaal in 2012 is de werkloosheid nog harder gestegen. Een vergelijking van deze kwartalen laat een stijging van de werkloosheid zien van 160.000 banen. Dit zorgt voor een daling van twee procent in kwartaal drie van 2013 ten opzichte van hetzelfde kwartaal in 2012. Het banenverlies in deze periode is daarmee het grootste banenverlies dat in Nederland heeft plaatsgevonden ten opzichte van 1995.

Veel banen zijn verloren gegaan in de bouwsector. De bouw lijkt in Nederland moeilijk te herstellen. Buurland Duitsland heeft daarentegen een groei in de bouw. Ook België doet het verhoudingsgewijs goed. De woningmarkt in Nederland komt nog onvoldoende op gang. Veel mensen aarzelen met de aanschaf van een woning en zijn onzeker of ze de hypotheek wel kunnen betalen. Hierbij speelt het behoud van een baan een belangrijke rol.

Minister Jeroen Dijsselbloem van Financiën geeft als reactie op de cijfers van het CBS dat het herstel van Nederland nog heel pril is. Nederland moet volgens hem opklimmen uit een diep dal. Minister  Dijsselbloem geeft aan dat we nog niet te optimistisch moeten worden over deze cijfers. Er verdwijnen nog banen en daarnaast wordt er door Nederlandse consumenten nog weinig besteed. Ook de overheidsfinanciën zijn nog niet geheel op orde. Dit laatste moet goed op orde worden gebracht om de economie van Nederland echt te laten groeien.

Reactie Technisch Werken
De cijfers van het CBS zijn niet zo positief dat we echt van een herstel kunnen spreken. Een groei van 0,1 procent is niet heel hoog. De economie is sterk afhankelijk van vertrouwen. Dit vertrouwen speelt ook een rol bij de binnenlandse bestedingen. Wanneer mensen daarnaast een vermindering ervaren in de koopkracht is de economie ver weg van een structureel herstel. Berichten over het al dan niet nut hebben van loonmatiging en bezuinigingen zorgen er voor dat Nederland niet unaniem achter het beleid van het Kabinet staat. Het Kabinet lijkt stevige bezuinigingen nog steeds te zien als de beste oplossing om uit de crisis te komen. De bevolking volgt het voorbeeld van de Overheid en bezuinigd ook op de uitgaven. Geen wonder dat de binnenlandse bestedingen niet omhoog gaan. Daar lijden de winkels en bedrijven in de maakindustrie onder.

Faillissementen nemen toe

De laatste maanden wordt er in het nieuws volop gesproken over een opleving van de economie. Bedrijven doen het weer wat beter en het aantal mensen dat uit een WW-positie werk vindt neemt toe. Ook banken zoals de ABN Amro verwachten dat het komende jaar een gunstig jaar zal worden voor Nederland. Er zou in tegenstelling tot 2013 weer een kleine economische groei zichtbaar worden. Daarom zouden banken de voorwaarden om kredieten te verstrekken aan bedrijven en particulieren versoepelen.

Het Centaal Bureau voor de Statistiek (CBS) maakte maandag 11 november 2013 bekend dat het positieve nieuws over de economie voor een aantal bedrijven te laat is gekomen. In de maand oktober van 2013 is het aantal faillissementen bij bedrijven weer toegenomen. Ten opzichte van de maand september nam het aantal faillissementen met 147 toe. Het totaal aantal aan faillissementen in oktober was 743. In dit aantal heeft het CBS het aantal faillissementen van eenmansbedrijven niet meegerekend.

Het aantal faillissementen was in september 2013 op het laagste niveau van het hele jaar. Het totaal aantal faillissementen stond toen op 595 bedrijven en instellingen. Volgens het CBS is de opmerkelijke stijging van het aantal faillissementen in oktober voor een deel te wijten aan een extra zittingsdag waardoor meer faillissementen konden worden uitgesproken.

Het aantal bedrijven dat in 2013 het faillissement moest aanvragen ligt hoger dan in 2012. In de eerste tien maanden van 2013 werden nog 7097 faillissementen uitgesproken over instellingen en bedrijven. Wanneer dit wordt vergeleken met dezelfde periode in 2012 dan komt daar een stijgingspercentage uit voort van 14 procent. Veel bedrijven die onder de faillissementen vallen waren actief in de bouwsector, de handel en de overige zakelijke dienstverlening.

Reactie Technisch Werken
Het is altijd jammer om tussen de positieve berichten over de economie  te worden geconfronteerd met de feiten van een onderzoeksbureau die een andere tendens laten zien. De bouw is een sector die moeite heeft om uit het economische dal te klimmen waar veel bedrijven in zijn geraakt sinds de economische crisis. De bouw is sterk afhankelijk van de koopkracht van consumenten op het gebied van grote uitgaven. De aanschaf van woningen en bedrijfspanden zijn hoge investeringen voor zowel particulieren als bedrijven. Deze investeringen worden vaak uitgesteld wanneer de economie nog niet voldoende aantrekt. De onzekerheid over de eigen financiële positie speelt hierbij een grote rol. Om echt een goed draaiende economie te krijgen is vertrouwen nodig van de burger. Dit vertrouwen moet niet alleen gericht zijn op de eigen inkomsten maar ook op de bankensector en de overheid. Wanneer de overheid en de banksector laten blijken dat ze dit vertrouwen waard zijn zal de economie weer een steuntje in de rug krijgen.

Economische groei in 2014 aldus ABN Amro

De vooruitzichten voor 2014 zijn positief. Verschillende bedrijven proberen voorzichtig een economische groei te voorspellen. Ook de ABN Amro hoort bij de bedrijven die een positief beeld hebben van de economie in 2014. Vrijdag 8 november 2013 bracht de ABN Amro een rapport uit waarin ze de verwachtingen voor 2014 uiteen heeft gezet.

In dit rapport is beschreven dat de Nederlandse economie zal groeien in 2014 dit in tegenstelling tot 2013. In 2013 is er nog sprake van een krimp in de economie. Deze krimp is 1 procent. Voor het jaar 2014 wordt een groei verwacht van een half procent door de ABN Amro.

De ABN Amro geeft aan dat in het derde kwartaal van 2013 al een groei merkbaar is in de economie. Dit is volgens de bank vooral te danken aan de export. De ABN sprak van een einde van de recessie waarmee Nederland te maken heeft gehad tot op dit moment.  Nu zijn de economische indicatoren duidelijk gunstiger dan eerder dit jaar.

Centraal Planbureau en
Naast de ABN Amro is ook het Centraal Planbureau (CPB) gunstig gestemd over de economische ontwikkelingen. De raming van het CPB en de ABN Amro komen met elkaar overeen. Het Centraal Bureau voor de Statistieken CBS kan nog meer duidelijkheid verschaffen over de economische ontwikkelingen in Nederland. Donderdag 14 november 2013 worden door het CBS de cijfers bekend gemaakt over de economische groei van Nederland in het derde kwartaal van 2013. Vanuit Europa wordt ook in Nederland een groei verwacht. De Europese Commissie raamt de groei van de Nederlandse economie op een lichte stijging van twee tiende procent in 2014.

Nederland ten opzichte van Europa
Ondanks de lichte groei die in 2014 wordt verwacht voor Nederland doet ons land het nog niet goed ten opzichte van andere landen in Europa. De groei die verwacht wordt in de economie van Nederland is lager dan andere landen. Echter moet de economie in andere landen in Europa soms ook vanuit een dieper dal opklimmen.  In de gehele Eurozone wordt een gemiddelde groei verwacht van 1,3 procent in 2014 door de ABN Amro.

Reactie Technisch Werken
De cijfers vanuit de ABN Amro komen overeen met de ontwikkelingen die in andere nieuwsberichten naar voren komen. Daaruit blijkt onder andere dat het aantal werkzoekenden dat in 2013 aan het werk is gekomen is gestegen. Daarnaast blijken uitzendbureaus over het dieptepunt heen te zijn met betrekking tot het aantal uitzenduren dat uitzendkrachten hebben gewerkt. De positieve berichtgeving vanuit banken zorgt er voor dat veel mensen een positieve kijk hebben op de marktontwikkelingen en bereid zijn om investeringen te doen. De banken hebben in eerdere berichten aangegeven dat ze ook soepeler zullen zijn met het verstrekken van financieringen. Hierdoor kunnen bedrijven meer investeringen doen.

Vakbonden Nederland raken leden kwijt

Het Centraal Bureau voor de Statistiek maakte donderdag 31 oktober 2013 bekend dat het ledenbestand van vakbonden in Nederland in 2013 gekrompen is. aan het einde van de maand maart hadden de vakbonden in Nederland gezamenlijk nog 1,8 miljoen leden. Dit leden aantal was ongeveer 52000 lager dan in 2012.

Het aantal vakbondsleden dat vijfenzestig jaar of ouder is nam verhoudingsgewijs toe. Het Centraal Bureau voor de Statistiek gaf hiervoor onder andere de reden dat een stijgend aantal vakbondsleden ook na hun pensioen lid van de vakbond blijven. Het aantal leden tussen de vijfentwintig en vijfenveertig jaar bij de vakbond nam af. De afgelopen tijd hebben uit deze leeftijdscategorie ongeveer 33000 vakbondsleden hun lidmaatschap opgezegd.

De krimp onder het aantal vakbondsleden nam vooral toe bij de grote vakbonden. Dit zijn de CNV, FNV en de MHP. Het aantal leden van de kleinere vakbonden steeg een beetje.

Reactie Technisch Werken
Het is bijzonder dat in een tijd van crisis het aantal leden van de vakbond krimpt. Werknemers maken zich in tijden van een economische crisis en een dalende koopkracht vaak zorgen over hun eigen positie binnen een bedrijf. Een vakbond kan een belangrijke bondgenoot zijn voor werknemers bij dreigend ontslag. Het opzeggen van een lidmaatschap bij de vakbond is in deze situatie niet begrijpelijk. Misschien heeft het te maken met de harde acties die vakbonden in de metaalsector hebben doorgevoerd. Werknemers kunnen de stakingen die zijn doorgevoerd binnen metaalbedrijven een te harde methode vinden om metaalbedrijven in crisistijd onder druk te zetten. Daarnaast kunnen ook de lidmaatschap kosten een rol spelen. Hoewel een lidmaatschap van een vakbond geen torenhoge kosten met zich meebrengt kan een bezuiniging hierop toch geld besparen.

Consumentenvertrouwen stijgt

Binnen de techniek zijn veel bedrijven die actief zijn in de maakindustrie. In de maakindustrie worden producten vervaardigd voor verschillende afnemers waaronder de detailhandel die de producten verkoopt aan consumenten. Voor de maakindustrie is het daarom goed nieuws dat het consumentenvertrouwen aan het stijgen is.

Vrijdag 18 oktober 2013 melde het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) dat het consumentenvertrouwen in oktober de hoogste stand heeft bereikt in meer dan twee jaar. Het consumenten vertrouwen verbeterde daarmee ten opzichte van september 2013.

Volgens het CBS zien de consumenten de komende twaalf maanden de economische situatie minder somber in dan voorheen het geval was. Op alle onderdelen waarop het consumentenvertrouwen is beoordeeld werd vooruitgang geboekt. Zo werd het economisch klimaat als beter beoordeeld maar ook was de het consumenten vertrouwen ten opzichte van het afgelopen jaar positiever.

Het klimaat om grote aankopen te doen wordt door consumenten ook positiever beoordeeld. Daardoor stijgt de koopbereidheid voor grotere aankopen. Dit zou goed nieuws kunnen zijn voor de woningbouw. De bouw kan wel een steuntje in de rug gebruiken in deze tijd. Toch wil minister Henk Kamp van Economische Zaken nog geen conclusies aan deze rapport over het consumentenvertrouwen verbinden.

Reactie van Technisch Werken
Het is uitstekend nieuws dat het vertrouwen van consumenten stijgt. De vraag is natuurlijk of dit vertrouwen ook wordt omgezet in daden. Uiteraard draait de markt om emoties en is consumenten vertrouwen een belangrijke basis voor het doen van aankopen. De koopkracht is echter ook een aspect waar rekening mee gehouden moet worden. Wanneer de koopkracht stijgt en het consumentenvertrouwen verbetert ontstaat de ideale mix voor een verbetering van de economie. Op dit moment is deze ideale mix nog niet aanwezig omdat de koopkracht niet stijgt. Daarnaast verlenen banken moeizaam kredieten aan bedrijven en particulieren. Hierdoor zullen investeringen niet snel worden gedaan. Jonge techneuten die innovaties hebben ontwikkeld op een technische universiteit kunnen in de praktijk al moeizaam aan geld komen om hun plannen te realiseren. Dit terwijl de kenniseconomie verlangd dat er geïnvesteerd wordt in nieuwe technologieën.

Deze investeringsmentaliteit moet in Nederland veranderen. De kenniseconomie vraagt om investeringen. Zonder investeringen zal de kenniseconomie niet naar een hoger niveau worden gebracht. Niet alleen de overheid moet meer de focus leggen op de kenniseconomie ook het bedrijfsleven moet bereid zijn om investeringen te doen.

Broeikasgassen in 2012 minder dan 2011

Volgens het Centraal Bureau voor de statistieken is de uitstoot van broeikasgassen in 2012 met 1 procent gedaald ten opzichte van 2011. Als belangrijkste oorzaken werden de afname van het wegverkeer en een terugloop van de uitstoot van gassen in de energiesector genoemd. De terugloop van uitstoot in de energiesector en brandstofgebruik op de weg heeft volgens het CBS te maken met de economische crisis. Er werd vorig jaar 193 miljard aan CO2-equivalenten in de lucht geblazen.