Wat is producentenvertrouwen?

Producentenvertrouwen is een indicator waarmee de stemming van ondernemers in de industriële productie wordt gevisualiseerd doormiddel van een indexcijfer dat tot stand is gekomen door een onderzoek van het CBS over de oordelen en verwachtingen van ondernemers in de industrie. Het producentenvertrouwen wordt in Nederland maandelijks in kaart gebracht door het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS). Het indexcijfer maakt duidelijk of producenten in Nederland positieve of juist negatieve verwachtingen hebben over de toekomst van hun eigen bedrijf en de industrie.

Producentenvertrouwen
Het Centraal Bureau voor de Statistiek hanteert voor de bepaling van het producentenvertrouwen een systeem dat door de Europese Commissie is ontwikkeld, de zogenaamde: Industrial Confidence Indicator. Sinds het begin van 1997 publiceert het CBS het producentenvertrouwen in Nederland volgens de berekeningsmethode die gebruikelijk is in de EU. Het producentenvertrouwen is als indicator vergelijkbaar met andere indicatoren die door het CBS worden opgesteld zoals het consumentenvertrouwen waarvan het indexcijfer tot stand komt door het zogenaamde Consumentenconjunctuuronderzoek van het CBS.

Onderzoek naar producentenvertrouwen
Het Centraal Bureau voor de Statistiek heeft voor de totstandkoming van het indexcijfer over het producentenvertrouwen informatie nodig. Deze informatie is afkomstig van producenten in de industrie. Het producentenvertrouwen is samengesteld op basis van drie variabelen uit de producentenconjunctuurtest die maandelijks wordt gehouden. Het gaat hierbij om de beoordeling van ondernemers in de industrie met betrekking tot hun orderportefeuille en de voorraden gereed product die ze hebben over de maand waarover het onderzoek betrekking heeft. Ook worden vragen gesteld over de verwachte bedrijvigheid in de eerstvolgende drie maanden. De cijfers worden gecorrigeerd op basis van de seizoeninvloeden en bias.

Indexcijfer producentenvertrouwen
Het producentenvertrouwen wordt door het CBS gevisualiseerd doormiddel van een indexcijfer. Het indexcijfer maakt duidelijk hoeveel producenten een positieve beeldvorming en positieve verwachtingen hebben met betrekking tot hun productie en de conjunctuur en hoeveel producenten een negatieve visie op deze onderwerpen hebben. Een indexcijfer nul toont een balans aan tussen het aantal negatief gestemde en positief gestemde producenten op de markt. Als het indexcijfer boven de nul uitkomt heeft het aantal positief gestemde producenten de overhand en als het indexcijfer beneden de nul uitkomt heeft het aantal pessimisten de overhand in de industrie. Door dit indexcijfer weet men in Nederland hoe het gesteld is met het producentenvertrouwen.

Producentenvertrouwen en de arbeidsmarkt
Het producentenvertrouwen is een belangrijk indexcijfer voor de Nederlandse economie. Wanneer producenten positief zijn ingesteld zullen er waarschijnlijk meer producten worden afgezet en zal er meestal meer omzet en marge worden behaald door bedrijven in de industrie actief zijn. Dat zorgt er vaak voor dat er meer investeringen worden gedaan. Er worden meer vacatures open gezet voor tijdelijk personeel zoals uitzendkrachten maar ook voor vast personeel. Dat zorgt er voor dat er meer vraag ontstaat op de arbeidsmarkt. Er kunnen meer werklozen aan een baan geholpen worden.

De positie van werknemers in de industrie wordt dan vaak ook beter. Ze kunnen meer loon vragen en zullen dit in de praktijk vaak ook krijgen doormiddel van een loonsverhoging die bijvoorbeeld in een cao is afgesproken. Doordat werknemers meer verdienen kunnen ze ook meer uitgeven. Het consumentenvertrouwen gaat omhoog waardoor de koopbereidheid onder consumenten toeneemt. Consumenten kunnen meer producten aanschaffen en dat is vaak goed voor de economie en voor de producenten die actief zijn in deze economie. Zo ontstaat in de meest ideale situatie een vicieuze cirkel waarvan het producentenvertrouwen een belangrijk onderdeel of een belangrijke uitkomst is.

Wat is consumentenvertrouwen?

Consumentenvertrouwen is een indicator waarmee het vertrouwen en de verwachtingen van consumenten ten opzichte van de Nederlandse economie doormiddel van een indexcijfer inzichtelijk wordt gemaakt. Het consumentenvertrouwen wordt door het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) in kaart gebracht. Daarbij hanteert het CBS enquêtes waarin de respondenten antwoorden geven op vijf vragen. Deze vragen gaan zowel over de beeldvorming over de algemene economie maar ook over de persoonlijke financiële situatie van de respondent. Het resultaat van het onderzoek is een indexcijfer waarmee het consumentenvertrouwen van de Nederlandse consument wordt gevisualiseerd.

Onderzoek naar consumentenvertrouwen
Het CBS doet onderzoek naar het consumentenvertrouwen van consumenten in Nederland. Dit wordt ook wel het Consumentenconjunctuuronderzoek genoemd. Er worden een aantal deelindicatoren gehanteerd namelijk het economisch klimaat en de koopbereidheid van consumenten. Er wordt ook een vraag gesteld over de aanschaf van duurzame consumptiegoederen. Deze vraag luid ongeveer als volgt: ‘is het nu de juiste tijd om een grote aankoop te doen zoals een wasmachine, droger, telvisie of andere grote consumentenproducten?
Het gaat bij de vraagstelling zuiver om de particuliere consumptie kortom de consumptie voor consumenten zelf en hun huishouden. De antwoorden op de vragen in de enquête over het consumentenvertrouwen worden in positieve en negatieve antwoorden verwerkt en worden in een percentage van het totaal aantal antwoorden inzichtelijk gemaakt. Zo ontstaat een positief beeld of een negatief beeld met betrekking tot het consumentenvertrouwen.

Indexcijfer consumentenvertrouwen
De uitkomst van het CBS met betrekking tot het consumentenvertrouwen is een indexcijfer. Dit indexcijfer maakt duidelijk wat het vertrouwen en de verwachtingen van consumenten zijn met betrekking tot de ontwikkelingen van de Nederlandse conjunctuur. Wanneer het indexcijfer op een nul uitkomt zijn er in Nederland evenveel consumenten die pessimistisch denken over de economische ontwikkelingen als het aantal optimisten. Wanneer het indexcijfer onder de nul komt spreekt men van een min en zijn er meer pessimisten dan optimistische consumenten in Nederland. Andersom kan natuurlijk ook voorkomen. Een indexcijfer boven de nul maakt duidelijk dat er meer mensen optimistisch zijn over de economie en hun eigen economische situatie.

Waarom is het meten van het consumentenvertrouwen belangrijk?
Het consumentenvertrouwen is, zoals eerder genoemd, een indicator. Dat houdt in dat het consumentenvertrouwen een beeld geeft. Dit beeld houdt verband met de economie. Wanneer consumenten over het algemeen positief zijn ingesteld over de economie en hun eigen koopkracht dan is de kans groot de consumptie in Nederland gaat toenemen. Kortom consumenten gaan waarschijnlijk meer kopen.

Kettingreactie door consumentenvertrouwen
Als consumenten meer kopen zorgt dat vaak voor een positieve kettingreactie. De binnenlandse bestedingen gaan omhoog en bedrijven kunnen meer producten afzetten. Daardoor draaien bedrijven een hogere omzet en in de praktijk meer marge. Het producentenvertrouwen gaat omhoog. Vervolgens kunnen bedrijven meer investeren en meestal zorgt dat er ook voor dat er meer vacatures ontstaan waardoor meer personeel aangenomen kan worden. Dat laatste is weer goed voor de arbeidsmarkt. Meer mensen kunnen aan een baan geholpen worden en de positie van werknemers die reeds een baan hebben wordt verstevigd. Dat zorgt er vaak voor dat er cao onderhandelingen plaatsvinden waarin een loonsverhoging wordt opgenomen. Zo krijgen de werknemers meer salaris en wordt hun koopkracht weer beter. Daardoor gaat het consumentenvertrouwen weer verder omhoog.

Consumenten zijn meer internationaal georiënteerd
Uiteraard zitten in de hiervoor genoemde opsomming een aantal logische reacties verwerkt. Deze reacties vinden echter niet altijd in de praktijk plaats. Dat kan een aantal oorzaken hebben waaronder politieke oorzaken maar ook de internationale concurrentie. Zo moeten bedrijven niet alleen binnen de Nederlandse landsgrenzen met elkaar concurreren maar ok daar buiten. Dat maakt het vaak lastig om alle consumentenbestedingen ook in Nederland te verzilveren. Een deel van de consumenten koopt in de mondiale economie hun producten in het buitenland. Daardoor blijven effecten voor de Nederlandse economie beperkt evenals de positieve effecten voor de Nederlandse arbeidsmarkt. Bedrijven in Nederland doen er daarom ook alles aan om het vertrouwen van Nederlandse consumenten voor zich te winnen. Dit is ook een vorm van consumentenvertrouwen namelijk het vertrouwen van de Nederlandse consument in haar eigen Nederlandse producenten en leveranciers.

Wat is de beroepsbevolking?

De beroepsbevolking is een verzamelnaam voor alle personen die binnen wettelijk vastgestelde leeftijdsgrenzen arbeid verrichten of beschikbaar zijn voor het verrichten van arbeid. Als men het heeft over de beroepsbevolking in het algemeen dan bedoelt men dus zowel de werkenden als de mensen die niet werken maar wel in de leeftijdscategorie vallen waarop geacht kan worden dat men arbeid zou kunnen uitvoeren.  De beroepsbevolking bestaat dus uit werklozen en werknemers.

Definitie beroepsbevolking
Het bepalen van de omvang van de beroepsbevolking is aan een aantal kaders gebonden. Deze kaders kunnen door overheden en onderzoeksbureaus worden geschetst als ze cijfers publiceren over de beroepsbevolking. Over het algemeen hanteert men een minimale leeftijd van 15 jaar als men het heeft over minimum leeftijd om tot de beroepsbevolking te behoren. Soms hanteert men ook wel lagere leeftijden. Daarnaast wordt ook vaak een maximale leeftijd genoemd. Deze leeftijd kan per land verschillen.

In Nederland is deze maximale leeftijd (nog) op 65 jaar vastgesteld. Het woord ‘nog’ staat tussen haakjes omdat de overheid verwacht dat werknemers langer moeten doorwerken. Inmiddels is de pensioengerechtigde leeftijd vastgesteld op 67 jaar. Dit kan echter nog hoger worden maar eventueel ook lager. Dat is afhankelijk van de politiek. Om de beroepsbevolking te bepalen zal men ook moeten kijken naar de arbeidsinzet van personen, deze moeten namelijk in staat zijn om kunnen werken. Dit is niet altijd leeftijdsgebonden.

Er kan namelijk ook sprake zijn van fysieke en psychische aspecten die er voor zorgen dat men medisch niet in staat kan worden geacht om arbeid te verrichten. Al deze factoren zorgen er voor dat men naast een definitie van de beroepsbevolking ook duidelijke kaders moet scheppen over welke mensen wel en welke mensen niet bij de beroepsbevolking horen. Onderzoeksbureaus zoals het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) geven daarom ook vaak een omschrijving over wat ze verstaan onder het begrip beroepsbevolking.

Beroepsbevolking volgens het CBS
Het Centraal Bureau voor de Statistiek is in Nederland verantwoordelijk voor het verzamelen van gegevens en het uitvoeren van onderzoeken. Het CBS publiceert regelmatig de resultaten van onderzoeken en deze resultaten worden vaak als zeer nuttig beschouwd door zowel de overheid, bedrijven als consumenten. Het CBS voert ook regelmatig onderzoeken uit met betrekking tot de arbeidsmarkt. De term beroepsbevolking is daardoor bij het CBS goed bekend. Het onderzoeksbureau heeft dit begrip zelf ook ingekaderd. Het CBS verstaat het volgende onder de beroepsbevolking (volgens het CBS op 4 februari 2016):

  • Alle personen in Nederland tussen de 15 en 65 jaar die;
  • minimaal twaalf uur werk verrichten per week of die;
  • Werk hebben aanvaard waardoor ze minimaal twaalf uur per week gaan werken.
  • Mensen die hebben aangegeven dat ze in ieder geval 12 uur of meer per week kunnen werken en daar actief naar op zoek zijn en ondanks dat nog geen werk gevonden hebben.
  • Mensen in de leeftijd tussen de 15 en 65 jaar die niet werken of minder dan 12 uur per week werken en daarbij niet op zoek zijn naar werk worden volgens het CBS niet tot de beroepsbevolking gerekend.

Het CBS maakt een tweedeling tussen de werkende beroepsbevolking en de werkloze beroepsbevolking. De werkzame beroepsbevolking is het deel van de beroepsbevolking dat per week minimaal 12 uur werkt. Het werkloze deel van de beroepsbevolking is het deel dat geen werk heeft of minder dan twaalf uur per week werkt en daarbij wel (geregistreerd) op zoek is naar werk voor meer dan 12 uur per week. De beroepsbevolking vormt de som van de werkende personen en de niet werkende personen die aan de hiervoor genoemde criteria voldoen.

Wat zijn uitzenduren van uitzendbureaus?

Uitzenduren is een woord dat regelmatig wordt gebruikt door uitzendbureaus en statistiekbureaus zoals het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS). Met uitzenduren bedoelt men het aantal uren dat uitzendkrachten in een bepaalde periode hebben gewerkt. Statistiekbureaus en onderzoeksbureaus kunnen in opdracht van de overheid of uitzendbranche onderzoeken hoe het gaat met de flexibele arbeidsmarkt in Nederland. Het aantal uitzenduren kan daar een duidelijke indicatie van geven.

Uitzenduren als graadmeter voor de economie
Als het aantal uren van uitzendkrachten toeneemt zegt dat wat over het aantrekken van de werkgelegenheid. Veel bedrijven kiezen er voor om in eerste instantie uitzendkrachten in te lenen alvorens ze overwegen om rechtstreeks contracten voor bepaalde en onbepaalde tijd te verstrekken. Als er meer uitzendkrachten worden ingeleend en de uitzendkrachten meer uren werken kan dat een voorteken zijn van het herstellen van de arbeidsmarkt. Geen wonder dat uitzendbureaus ook wel de graadmeter voor de economie worden genoemd.

Wat zijn uitzenduren?
Elk onderzoeksbureau zal trachten een duidelijke omschrijving te geven van het begrip ‘uitzenduren’. Over het algemeen bedoelt men met uitzenduren de uren die een uitzendkracht voor een uitzendbureau werkt bij een inlenende partij (opdrachtgever). Deze uitzendkrachten werken op uitzendbasis (uitzendbeding). Dit houdt in de praktijk in dat ze bij het wegvallen van het uitzendwerk geen loon doorbetaald krijgen. Het werken op uitzendbasis behoort tot de meest flexibele vormen van werken in Nederland.

Uitzenden of detacheren?
Uitzendkrachten kunnen ook een contract krijgen. Meestal werken de uitzendkrachten in eerste instantie in de zogenoemde fase A voor een uitzendbureau. Ze worden dan bemiddeld onder uitzendbeding. Na 78 weken gewerkt te hebben voor een uitzendbureau ontvangt de uitzendkracht een contract van het uitzendbureau als de werkzaamheden worden voortgezet. De uitzendkracht ontvangt dan meestal een contract voor bepaalde tijd maar het is ook mogelijk dat hij of zij meteen een vast contract krijgt. Vanaf het moment dat de uitzendkracht een contract heeft zou je eigenlijk van detachering kunnen spreken.

Er zijn echter detacheringbureaus die hun flexibele arbeidskrachten meteen vanaf de eerste werkdag op contract nemen. Dat biedt voor detacheringkrachten meer zekerheden. Bij het wegvallen van de werkzaamheden van de inlener krijgen de contractanten van het detacheringbureau toch nog loon doorbetaald tot ze de volgende opdracht bij een inlener kunnen uitvoeren. Zowel uitzendbureaus als detacheringbureaus kunnen hun personeel detacheren.

Definitie uitzenduren
Onderzoeksbureaus kunnen bij het in kaart brengen van het aantal uitzenduren over een periode zowel de uitzenduren in fase A (met uitzendbeding) bedoelen als de uren die uitzendkrachten op contactbasis voor een uitzendbureau of detacheringbureau werken. Daarom moet men bij de onderzoeken altijd kijken hoe men deze begrippen definieert.

Nederland uit recessie volgens CBS

Donderdag 14 november 2013 publiceerde het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) cijfers over de economische ontwikkelingen in Nederland. Hieruit kan worden geconcludeerd dat Nederland uit de recessie raakt. Nadat de Nederlandse economie over een periode van vier kwartalen een krimp heeft laten zien ontstaat er nu een klein herstel. In het kwartaal drie van 2013 is er een positief groeicijfer  ten opzichte van de periode daarvoor.

Het groeicijfer is echter wel zeer klein. Ten opzichte van het tweede kwartaal is de Nederlandse economie in het derde kwartaal met 0,1 procent gegroeid. Wanneer het derde kwartaal van 2013 echter wordt vergeleken met het derde kwartaal van 2012 dan is de Nederlandse economie alsnog gekrompen met 0,6 procent.

Werkloosheid
De werkloosheid neemt toe. Het derde kwartaal laat een stijging zien van de werkloosheid ten opzichte van kwartaal twee. In totaal verdwenen er in het derde kwartaal 46.000 banen in Nederland in 2013. De stijging van de werkloosheid neemt nog niet af. Sinds 2011 is er nog geen einde gekomen aan de oplopende werkloosheid. Wanneer de werkloosheid van het derde kwartaal van 2013 wordt vergeleken met het derde kwartaal in 2012 is de werkloosheid nog harder gestegen. Een vergelijking van deze kwartalen laat een stijging van de werkloosheid zien van 160.000 banen. Dit zorgt voor een daling van twee procent in kwartaal drie van 2013 ten opzichte van hetzelfde kwartaal in 2012. Het banenverlies in deze periode is daarmee het grootste banenverlies dat in Nederland heeft plaatsgevonden ten opzichte van 1995.

Veel banen zijn verloren gegaan in de bouwsector. De bouw lijkt in Nederland moeilijk te herstellen. Buurland Duitsland heeft daarentegen een groei in de bouw. Ook België doet het verhoudingsgewijs goed. De woningmarkt in Nederland komt nog onvoldoende op gang. Veel mensen aarzelen met de aanschaf van een woning en zijn onzeker of ze de hypotheek wel kunnen betalen. Hierbij speelt het behoud van een baan een belangrijke rol.

Minister Jeroen Dijsselbloem van Financiën geeft als reactie op de cijfers van het CBS dat het herstel van Nederland nog heel pril is. Nederland moet volgens hem opklimmen uit een diep dal. Minister  Dijsselbloem geeft aan dat we nog niet te optimistisch moeten worden over deze cijfers. Er verdwijnen nog banen en daarnaast wordt er door Nederlandse consumenten nog weinig besteed. Ook de overheidsfinanciën zijn nog niet geheel op orde. Dit laatste moet goed op orde worden gebracht om de economie van Nederland echt te laten groeien.

Reactie Technisch Werken
De cijfers van het CBS zijn niet zo positief dat we echt van een herstel kunnen spreken. Een groei van 0,1 procent is niet heel hoog. De economie is sterk afhankelijk van vertrouwen. Dit vertrouwen speelt ook een rol bij de binnenlandse bestedingen. Wanneer mensen daarnaast een vermindering ervaren in de koopkracht is de economie ver weg van een structureel herstel. Berichten over het al dan niet nut hebben van loonmatiging en bezuinigingen zorgen er voor dat Nederland niet unaniem achter het beleid van het Kabinet staat. Het Kabinet lijkt stevige bezuinigingen nog steeds te zien als de beste oplossing om uit de crisis te komen. De bevolking volgt het voorbeeld van de Overheid en bezuinigd ook op de uitgaven. Geen wonder dat de binnenlandse bestedingen niet omhoog gaan. Daar lijden de winkels en bedrijven in de maakindustrie onder.

Vakbonden Nederland raken leden kwijt

Het Centraal Bureau voor de Statistiek maakte donderdag 31 oktober 2013 bekend dat het ledenbestand van vakbonden in Nederland in 2013 gekrompen is. aan het einde van de maand maart hadden de vakbonden in Nederland gezamenlijk nog 1,8 miljoen leden. Dit leden aantal was ongeveer 52000 lager dan in 2012.

Het aantal vakbondsleden dat vijfenzestig jaar of ouder is nam verhoudingsgewijs toe. Het Centraal Bureau voor de Statistiek gaf hiervoor onder andere de reden dat een stijgend aantal vakbondsleden ook na hun pensioen lid van de vakbond blijven. Het aantal leden tussen de vijfentwintig en vijfenveertig jaar bij de vakbond nam af. De afgelopen tijd hebben uit deze leeftijdscategorie ongeveer 33000 vakbondsleden hun lidmaatschap opgezegd.

De krimp onder het aantal vakbondsleden nam vooral toe bij de grote vakbonden. Dit zijn de CNV, FNV en de MHP. Het aantal leden van de kleinere vakbonden steeg een beetje.

Reactie Technisch Werken
Het is bijzonder dat in een tijd van crisis het aantal leden van de vakbond krimpt. Werknemers maken zich in tijden van een economische crisis en een dalende koopkracht vaak zorgen over hun eigen positie binnen een bedrijf. Een vakbond kan een belangrijke bondgenoot zijn voor werknemers bij dreigend ontslag. Het opzeggen van een lidmaatschap bij de vakbond is in deze situatie niet begrijpelijk. Misschien heeft het te maken met de harde acties die vakbonden in de metaalsector hebben doorgevoerd. Werknemers kunnen de stakingen die zijn doorgevoerd binnen metaalbedrijven een te harde methode vinden om metaalbedrijven in crisistijd onder druk te zetten. Daarnaast kunnen ook de lidmaatschap kosten een rol spelen. Hoewel een lidmaatschap van een vakbond geen torenhoge kosten met zich meebrengt kan een bezuiniging hierop toch geld besparen.

Lonen stijgen beperkt

De lonen in Nederland stijgen beperkt. Het Centraal Bureau voor de Statistiek heeft dinsdag 24 september 2013 cijfers bekend gemaakt over de loonstijging in Nederland. Volgens het CBS zijn de cao-lonen inclusief bijzondere beloningen het afgelopen kwartaal 1,3 procent gestegen ten opzichte van de hoogte van de lonen in 2012. In deze salarisverhogingen zijn onder andere toeslagen en eindejaarsuitkeringen verwerkt omdat deze onder bijzondere beloningen vallen. Een loonstijging in crisistijd lijkt natuurlijk mooi. Je zou bijna vermoeden dat de koopkracht zou stijgen per hoofd van de bevolking maar deze stijging komt echter onder de inflatie uit. Het is volgens het CBS al het derde jaar dat de inflatie hoger is dan de loonstijging.

Inflatie
Het tweede kwartaal van 2013 kwam de inflatie uit op 2,7 procent. Met een stijging van de lonen met 1,3 procent hebben mensen minder te besteden. Het CBS heeft voor haar conclusie 64 procent van de cao’s gebruikt. Een groot deel van de werknemers in Nederland vallen onder een cao. In totaal zijn dat ongeveer acht van de tien medewerkers.

Reactie Technisch Werken
De koopkracht neemt af. Uit de gegeven van het CBS blijkt dat werknemers minder stijgen in hun salaris ten opzichte van de inflatie. Met de nieuwe maatregelen van het Kabinet in het verschiet zal de koopkracht het komende jaar niet stijgen. Daarmee bereikt het Kabinet het tegenovergestelde van wat ze wil bereiken. Mensen zullen namelijk zuiniger gaan leven. De uitgaves worden beperkt en met name de aanschaf van luxe goederen wordt uitgesteld. Ook de aanschaf van woningen wordt beperkt. Wanneer mensen meer bestedingsruimte hebben kunnen ze ook meer geld gaan investeren. Met de huidige plannen wordt dat moeilijk.

Werkloosheid daalt

De werkloosheid wordt minder volgens het Centraal Bureau voor de Statistiek. Volgens het CBS is de werkloosheid in de maand augustus 2013 gedaald naar 8,6 procent. De daling is niet heel groot. In juli 2013 was de werkloosheid nog 8,7 procent. Het verschil is maar een tiende procent. Een enorme daling is het dus niet. Er zijn in augustus 2013 nog altijd 683 duizend personen werkloos van de Nederlandse beroepsbevolking.

Jongeren aan het werk
Het tiende procent waarmee de werkloosheid is gedaald komt nog altijd neer op elfduizend personen. Met name jongeren zijn meer aan het werk gegaan. Volgens econoom Senne Janssen van het Centraal Bureau voor de Statistiek heeft de daling onder de werkloosheid bij jongeren te maken met het seizoenseffect.

Seizoenseffect
Dit seizoenseffect keert ieder jaar terug. In de maand juli stijgt de werkloosheid onder jongeren. Een maand later, in augustus, daalt de werkloosheid weer. Volgens het CBS was dit seizoenseffect in 2013 sterker dan andere jaren. Dit had voor een belangrijk deel te maken met de gunstige weersomstandigheden. Door het mooie weer bloeide de horeca op. Hierdoor konden veel jongeren werk vinden in horecagelegenheden.

Opleiding
Daarnaast solliciteerden ook minder jongeren dit jaar. Dit heeft te maken met de kansen die ze voor zichzelf inschatten op de arbeidsmarkt. Jongeren kiezen er voor om langer te studeren. Het aantal aanvragen bij HBO-opleidingen en universiteiten is ook gegroeid aldus het CBS.

Reactie Technisch Werken
De werkloosheid is een beetje gedaald. Een echte daling is pas merkbaar op langere termijn. Ook het feit dat leerlingen en studenten na het afronden van hun studie er voor kiezen om verder te studeren zorgt er voor dat de cijfers over de daling van de werkloosheid niet helemaal transparant zijn.