Wat is Duplex rvs?

Duplex is een speciale roestvaststaal legering met een hoge sterkte en een grote corrosievastheid. Er zijn verschillende soorten Duplex die allemaal de kenmerkende microstructuur hebben die bestaat uit 50% ferriet en 50% austeniet. Duplex bevat verschillende elementen waaronder chroom en molybdeen. Daarnaast is er in dit materiaal ook een bepaald percentage stikstof aanwezig. Deze samenstelling geeft Duplex een aantal interessante eigenschappen waardoor het materiaal goed gebruikt kan worden in omstandigheden waarin andere metalen en legeringen spoedig zullen worden aangetast en hun sterkte zouden verliezen. Hieronder kun je lezen welke eigenschappen Duplex heeft en waar deze rvs-legering wordt toegepast.

Eigenschappen van Duplex
Duplex is een soort rvs legering. Dat betekent dat Duplex tot de roestvaststaal legeringen wordt gerekend. Het bijzondere van Duplex is dat deze legering een veel betere corrosiebestendigheid heeft dan andere rvs samenstellingen. Ten opzichte van andere rvs-legeringen heeft Duplex een grote weerstand tegen putcorrosie en andere aantastingen die ontstaan door invloeden van buitenaf. Daarnaast heeft Duplex ook een hoge rekgrens. Een ander kenmerk is dat Duplex een laag uitzettingscoëfficiënt heeft. De omvormbaarheid van Duplex is beperkt en bij een lage temperatuur is er sprake van een overgang van een traaie samenstelling naar een bros breukgedrag. Dit zijn echter algemene kenmerken van Duplex. De specifieke eigenschappen van Duplex zorgen er voor dat dit materiaal niet altijd eenvoudig te bewerken is. Lassers die Duplex moeten lassen moeten rekening houden met de specifieke eigenschappen van dit materiaal. Het smeltbad van Duplex is anders dan het smeltbad van gewoon koolstofstaal. Ook dient de lasser gebruik te maken van beschermingsgas en speciaal lasttoevoegmateriaal. De specifieke aspecten waarop gelet moet worden tijdens het Duplex lassen staan in de lasmethodebeschrijving (LMB) of de Welding Procedure Specification (Wps) die is opgesteld door een middelbaar lastechnicus, International Welding Technologist of lasbaas. Er zijn verschillende soorten Duplex op de markt met unieke eigenschappen. Daarover lees je in de alinea’s hieronder meer.

Lean Duplex

In eerste instantie zal je misschien denken: er is toch maar één Duplex op de markt en één Duplex-soort. Was het maar zo eenvoudig. Er zijn verschillende soorten Duplex en de kwaliteit van deze Duplexsoorten verschilt onderling. Zo hoor je op de markt ook wel de term “Lean Duplex”. De term “lean” klinkt natuurlijk interessant vanuit lean management en lean manufacturing. Het woord “lean” betekent echter in dit verband dat men een “afgeslankt” oftewel een vereenvoudigd product in handen heeft. Lean Duplex bevat minder gunstige elementen en minder kwaliteit dan andere Duplexsoorten en is daarom goedkoper. Lean Duplex is echter wel corrosie vaster en sterker dan bijvoorbeeld rvs 316. Dat zorgt er voor dat Lean Duplex in de praktijk toch vaak wordt gebruikt als alternatief voor andere rvs samenstellingen. Er zijn echter ook andere Duplexsamenstellingen op de markt met een veel hogere corrosievastheid en sterkte.

Standaard Duplex 1.4462
De standaard Duplex wordt ook wel aangeduid met Duplex 1.4462. Deze Duplex is al twee keer zo ster als bijvoorbeeld rvs 316. Daarnaast heeft Duplex 1.4462 ook een grotere corrosievastheid dan rvs 316. Duplex 1.4462 is goed beschikbaar op de markt en wordt veel toegepast in bijvoorbeeld de offshore-constructies vanwege de combinatie van de goede corrosievastheid en de grote sterkte van het materiaal. In de offshore komen constructies namelijk onder sterke weersinvloeden te staan en dan is hoogwaardig corrosievast materiaal wel belangrijk en noodzakelijk voor de levensduur en veiligheid van de constructie.

Super Duplex en Hyper Duplex
De termen Super Duplex en Hyper Duplex maken duidelijk dat men niet te maken heeft met vereenvoudigde of ‘afgeslankte’ vormen van Duplex. Super Duplex is bijvoorbeeld nog corrosie vaster dan de hiervoor genoemde Duplex 1.4462. De Hyper Duplex heeft een grotere sterkte die uit komt op 700 N/mm2 of Mpa.

Toepassing van Duplex
Duplex soorten worden in de praktijk vaak toegepast in constructies die te maken krijgen met een sterke corrosieve werking van stoffen maar ook vanuit het weer en het klimaat. Om die reden wordt Duplex vaak gebruikt als alternatief van de gangbare, goedkopere rvs soorten. Duplex wordt bijvoorbeeld toegepast in industrieën en sectoren waarin men te maken krijgt met chemicaliën en bijtende stoffen. Hierbij kun je denken aan de petrochemische sector maar ook aan de voedingsmiddelen industrie waarin het voorkomen van roest een belangrijk aspect is en hoge eisen stelt aan het materiaal. Verder is ook de papierindustrie een belangrijke sector waarin Duplex wordt gebruikt omdat ook in deze industrie wordt gewerkt met chemische stoffen. Ook kan men denken aan een omgeving waarin chloor en zouten inwerken op het materiaal zoals in de zee maar ook in zwembaden. Tot slot wordt Duplex ook in bepaalde onderdelen van gebouwen en complexen toegepast in verband met de stevigheid en duurzaamheid van het materiaal.

Wat is de keelhoogte van lasverbindingen?

Keelhoogte is de hoogte van de lasverbindingen waarbij men kijkt naar het gedeelte van de lasverbinding die boven het plaatmateriaal uitsteekt, kortom de dikte van de lasnaad. De keelhoogte van een lasverbinding wordt ook wel de a-hoogte genoemd en wordt op een tekening vaak met de letter ‘a’ aangegeven. De keelhoogte is een belangrijke maataanduiding voor een lasser. Wanneer een lasser bijvoorbeeld een te kleine keelhoogte hanteert zal de lasverbinding mogelijk niet sterk genoeg zijn. De inbranding of penetratie van het smeltbad van de lasverbinding zijn hierbij echter ook belangrijke factoren. Als de keelhoogte van de lasverbinding veel te hoog is heeft dit meestal gevolgen voor het materiaal dat door de warmte-inbreng kan vervormen. Een lasser moet daarom de juiste keelhoogte hanteren deze informatie vindt de lasser in de lasmethodebeschrijving (LMB) of de Welding Procedure Specification (WPS).

Lasmethodebeschrijving en Welding Procedure Specification
Het maken van een lasverbinding is precies werk. Een lasverbinding is een verbinding die niet-uitneembaar is. Dat houdt in dat een lasverbinding alleen met geweld uit elkaar gehaald kan worden doormiddel van zagen, knippen, slijpen, gutsen of breken. Dit zijn zeer destructieve methoden daarom is een goede voorbereiding op het lassen van groot belang. Gelukkig hoeft een lasser in de praktijk meestal niet zelf alle informatie te verzamelen voor het maken van de juiste lasverbinding.

Meestal wordt bij het werkstuk een lasmethodebeschrijving (LMB) of een Welding Procedure Specification (WPS) geleverd. Daarin staat het lastoevoegmateriaal, de lasmethode, de laspositie en nog meer relevante informatie voor het maken van de lasverbinding. Ook de keelhoogte of a-hoogte wordt in deze documenten aangegeven. De maataanduiding voor de hoogte van de lasverbinding staat meestal ook op de tekening van het werkstuk doormiddel van de letter ‘a’. Na de letter ‘a’ volgt een maataanduiding in millimeters. De letter ‘s’ kan ook worden aangegeven.

Deze letter ‘s’ staat voor de nominale keelhoogte inclusief inbranding en valt net als de aanduiding voor de keelhoogte onder de ISO 2553 / EN 22553 richtlijnen. Met de inbranding wordt de diepte van het smeltbad van het lasproces bedoelt. Dit is de hoeveelheid van het uitgangsmateriaal dat gesmolten wordt tijdens het lassen. Daar komt de keelhoogte nog bovenop om tot de hoogte te komen die met de letter ‘s’ wordt aangeduid.

Indien er onvoldoende documentatie of informatie wordt gegeven over de lasverbinding die gemaakt moet worden dan zal de lasser zich kunnen wenden tot een lasspecialist. Dit kan een European Welding Technologist,  een International Welding Technologist of een Middelbaar lastechnicus zijn. In de volgende alinea wordt hier iets dieper op ingegaan.

Middelbaar Lastechnicus
Niet alle bedrijven hebben een lastechnicus in dienst maar de bedrijven die een dergelijke specialist in dienst hebben zijn wel in het voordeel als het gaat om specifieke kennis over lasprocessen en lasmethoden. Voor lassers is een middelbaar lastechnicus een belangrijke informatiebron als er onduidelijkheden zijn over de lasverbinding die gemaakt moet worden. Ook een International Welding Technologist of een European Welding Technologist zijn specialisten als het gaat om lasverbindingen. Wanneer deze personen echter niet aanwezig zijn en de lasverbinding niet onder certificaat of lasmethodekwalificatie gemaakt hoeft te worden dan kan de lasser bij het bepalen van de keelhoogte of a-hoogte ook een aantal vuistregels hanteren.


Vuistregels keelhoogte lasverbindingen
Vuistregels moeten alleen gebruikt worden als er geen Lasmethodebeschrijving, geen Welding Procedure Specification, geen tekening en geen aanspreekpunt aanwezig is in de vorm van een lastechnicus of voorman aanwezig is. Ook moet er sprake zijn van lasverbindingen die niet onder een lasmethodekwalificatie vallen. Pas als al deze zaken niet aanwezig zijn kan een lasser met vuistregels de keelhoogte of a-hoogte van de lasverbinding bepalen. Er zijn verschillende vuistregels die hiervoor worden gebruikt. Deze vuistregels gaan allemaal uit van de plaatdikte van het materiaal dat gelast moet worden. Een bekende vuistregels is dat de keelhoogte 0,7 maal de minimale plaatdikte moet wezen. Weer een andere vuistregels is dat de keelhoogte gelijk is aan 0,6 keer de minimale plaatdikte. Daarbij wordt uitgegaan van een volledig rondom gelast product dus niet een buis voor de helft aflassen. Er zijn echter ook andere vuistregels voor het bepalen van de keelhoogte zoals de regel dat de keelhoogte gelijk is aan de helft van de plaatdikte plus 1 millimeter.

Kanttekening bij vuistregels voor de keelhoogte
Vuistregels moeten alleen worden toegepast als verdere informatie ontbreekt en als de lasverbinding niet op certificaat of certificaatniveau gemaakt hoeft te worden. Daarnaast is er nog een belangrijke andere kanttekening namelijk de dikte van de plaat. Bij hele dikke plaatsen zijn de vuistregels niet meer effectief of kunnen ze zelfs zorgen voor een problematische lasverbinding. Immers een hele dikke plaat zou ook een grote keelhoogte van de lasverbinding tot gevolg hebben. Daardoor kan een enorme dikke laag op de lasnaad worden aangebracht wat voor scheuren en andere beschadigingen aan het werkstuk kan zorgen. Meestal moet in die gevallen de las dieper worden aangebracht door een goed smeltbad aan te brengen. Dit kan echter ook voor scheuren zorgen en vereist dat dikke platen worden voorgegloeid tot een bepaalde temperatuur zodat de temperatuur rondom het smeltbad en de temperatuur van de rest van het (plaat) materiaal niet teveel verschilt. Juist het verschil in temperatuur in één plaat kan voor grote krimp en rek scheuren zorgen. Voor het lassen van dikke plaat worden daarom in de praktijk vrijwel altijd een WPS en/of LMB gehanteerd.

Wat is de A-hoogte bij lassen?

A-hoogte is de hoogte oftewel de dikte van een las deze is meestal vastgelegd op een tekening, lasmethodebeschrijving (LMB) of Welding Procedure Specification (WPS). De A-hoogte is belangrijke informatie voor een lasser. Als de A-hoogte van een las bijvoorbeeld te laag is dan kan de lasverbinding niet sterk genoeg zijn. Een te grote A-hoogte kan echter voor andere problemen zorgen. Zo kan een te grote A-hoogte er voor zorgen dat er teveel warmte in de lasverbinding wordt gebracht waardoor het werkstuk kan vervormen of scheuren. Daarom is het belangrijk dat een lasser zorgvuldig te werk gaat bij het bepalen van de A-hoogte en het maken van een lasverbinding. Hieronder is in een paar alinea’s informatie gegeven rondom de A-hoogte voor lasverbindingen.

A-hoogte of keelhoogte bij lasverbindingen
De informatie in de inleiding maakt duidelijk wat onder een A-hoogte wordt verstaan. In de praktijk wordt in de lastechniek echter ook gesproken over een keelhoogte. In feite wordt hiermee hetzelfde bedoelt als de A-hoogte. Meestal heeft men het dan over een keelhoogte met penetratiediepte. De keelhoogte wordt met een letter ‘a’ aangegeven en de keelhoogte met penetratiediepte wordt aangegeven met de letter ‘s’. De letter ‘s’ is dus de A-hoogte inclusief de penetratiediepte van de las. Dit is dus de totale hoogte van de lasverbinding. Tijdens het lassen ontstaat namelijk een smeltbad waardoor de las een deel van het plaatwerk tot smelten brengt dit wordt ook wel de penetratie van de lasverbinding genoemd. De A-hoogte of keelhoogte komt nog bovenop deze penetratiediepte waardoor de maataanduiding ‘keelhoogte met penetratiediepte’ ontstaat oftewel de maataanduiding die wordt aangegeven met de letter ‘s’.

Informatie over A-hoogte voor lasverbindingen
Voor het bepalen van de juiste A-hoogte zal een lasser in eerste instantie altijd de lasmethodebeschrijving (LMB) of de Welding Procedure Specification (WPS) moeten raadplegen. Indien deze er niet is kan de lasser de tekening nalezen. Op de tekening wordt meestal ook een A-hoogte bij de te maken lasverbinding benoemd. Verder is een middelbaar lastechnicus (MLT-ER) ook een belangrijke informatiebron op het gebied van lassen. De middelbaar lastechnicus heeft een specifieke opleiding gevolgd voor lasverbindingen en is bevoegd om de eerder genoemde lasmethodebeschrijving op te stellen. Daarom kan deze lastechnicus een duidelijk en bindend advies geven over de lasverbindingen en dus ook de gewenste A-hoogte van deze verbindingen. In plaats van de benaming ‘middelbaar lastechnicus’ gebruiken sommige bedrijven de benaming ‘European Welding Technologist’ of ‘International Welding Technologist’.

Deze functies worden ook wel afgekort met EWT en IWT. In het vakjargon spreekt men ook wel over ene MLT-er, een EWT-er en een IWT-er. Welke benaming een bedrijf ook gebruikt voor en lastechnicus het feit blijft bestaan dat dit specialisten zijn waar lassers advies kunnen inwinnen over de te maken lasverbinding. Sommige bedrijven hebben echter geen lasmethodebeschrijvingen en maken geen gebruik van Welding Procedure Specifications omdat de lasverbindingen aan minder strenge eisen moeten voldoen. In dat geval kan een lasser gebruik maken van zogenaamde vuistregels om de A-hoogte van de lasverbindingen te bepalen. In de volgende alinea worden een aantal vuistregels genoemd voor het bepalen van de A-hoogte. Het is belangrijk te weten dat de vuistregels die genoemd worden ondergeschikt zijn aan de informatie die in een WPS of LMB staan met betrekking tot de hoogte van een lasverbinding.

Vuistregels voor bepalen A-hoogte
Er zijn verschillende vuistregels voor het bepalen van de A-hoogte. Zo is een algemene vuistregel dat de A-hoogte 0,7 x de dunste plaatdikte moet zijn. Weer anderen hanteren de vuistregel dat de A-hoogte gelijk is aan 0,6 maal de minimale plaatdikte. Daarbij moet de las geheel rondom worden gelast. Er is ook een vuistregel dat de A-hoogte gelijk moet zijn aan de halve plaatdikte plus 1 mm.

Kanttekening bij vuistregels voor A-hoogte
De bovenstaande vuistregels voor het bepalen van de A-hoogte voor een lasverbinding kunnen in de praktijk worden gehanteerd tot middeldikke plaat wanneer deze vuistregels uiteraard niet in strijd zijn met de informatie die is benoemd in de lasmethodebeschrijving en de Welding Procedure Specification. Wanneer een laser echter dikke plaat gaat lasser zal hij of zij er achter komen dat met deze vuistregels veel te dikke lasverbindingen worden gemaakt met alle gevolgen voor het werkstuk van dien. Daarom moet men bij het lassen van dikke plaat altijd een ervaren specialist inschakelen voor het bepalen van de A-hoogte. Dit is belangrijk om scheuren, vervorming en andere ongewenste aspecten te voorkomen.

Wat is lassen met gevulde draad?

Lassen met gevulde draad is een aanduiding die men gebruikt wanneer men in het MIG/MAG-lasproces geen gebruik maakt van een extern toegevoegd beschermgas in een gasfles maar van een gevulde lasdraad. Lassen met gevulde draad wordt ook wel aangeduid met de Engelse termen innershield® welding of fluxed core arc welding.

Het lasproces met gevulde draad
Zoals hierboven aangegeven maakt men bij het lassen met gevulde draad gebruik van het MIG/MAG lasproces. Hierbij wordt de draad door de lastang heengevoerd en in het smeltbad aangebracht. Dit smeltbad moet echter beschermd worden tegen invloeden van buiten af anders verbrand de lasverbinding of ontstaan er andere schadelijke verstoringen in de lasverbinding. Deze lasfouten kunnen worden voorkomen door gebruik te maken van een beschermgas. Bij MIG/MAG lassen is dit beschermgas een inert gas (daar staan de letters ‘IG’ voor) of een actief gas (daar staan de letters ‘AG’ voor). Echter maakt men bij gewoon MIG/MAG lassen gebruik van een gasfles met inert gas of actief gas.

Bij lassen met gevulde draad wordt in plaats van een externe gasfles gebruik gemaakt van een holle draad. Deze holle draad is gevuld met een fijn laspoeder zoals rutiel. De gevulde draad vormt de laselektrode. Deze laselektrode smelt tijdens het lasproces af. De buitenkant van de lasdraad is van metaal gemaakt en gaat op in het smeltbad maar de binnenkant is gemaakt van een poeder dat tijdens het verhitten wordt omgezet in gassen. Deze gassen beschermen het smeltbad tegen de schadelijke uitwerking van de lucht rondom het lasproces. Zo zorgen de beschermgassen er voor dat het vloeibare metaal van het smeltbad beschermd wordt tegen de indringing van zuurstof.

Door het verbranden van de draadvulling ontstaat ook verband afvalmateriaal. Dit afvalmateriaal gaat boven op het smeltbad drijven en vormt een zogenaamde slak. De snelstollende slak beschermd het smeltbad en ondersteund bovendien de verticale en bovenhandse laspositie. Daarnaast wordt door de slak de kans op spannen en stralen verkleind. Hierdoor kan de lasser met relatief hoge stromen lassen. De slak kan na het uitharden vrij gemakkelijk worden verwijdert met bijvoorbeeld een lasbeitel.

Verschillende soorten lasdraad
Door de jaren heen zijn er veel verschillende lastoevoegmaterialen ontwikkeld. Ook voor het lassen met gevulde draad zijn veel verschillende lasdraden ontwikkeld. Er zijn diverse materialen die gebruikt kunnen worden als laspoeder, rutiel is hiervan een bekend voorbeeld. Naast de laspoeders kunnen er ook verschillen zijn in de manier waarop de lasdraad is geproduceerd. Er bestaat bijvoorbeeld rondgevouwen lasdraad en dichtgelaste lasdraad. In de lasmethodebeschrijving is beschreven welke lasdraad en welk lasproces toegepast moet worden. Vaak is een lascertificaat vereist. Dit certificaat is persoonsgebonden en maakt inzichtelijk welke lasser bevoegd is om een bepaald lasproces uit te voeren. De lasser dient zich echter houden aan de lasmethodebeschrijving en de daarin aangegeven gegevens. Als er is aangegeven dat er met een poedergevulde draad gelast moet worden is er ook omschreven welk laspoeder in de lasdraad moet zitten om het lasproces conform de kwalificatie te laten verlopen.

Wat is visuele lasinspectie of visuele controle van laswerk?

De kwaliteit van een lasverbinding is zeer belangrijk. Een lasverbinding is een verbinding die niet- uitneembaar is. Deze verbinding kan men dus niet doormiddel van aandraaien van bouten en moeren verstevigen. Een las moet daarom meteen goed gelegd worden. De manier waarop een las moet worden aangebracht is gebonden aan strenge eisen. De eisen waaraan een lasverbinding moet voldoen zijn vastgelegd in een lasmethodebeschrijving, dit document wordt ook wel een LMB genoemd en is opgesteld door een lastechnicus.

Keuren van laswerk
Laswerk kan op verschillende manieren worden gekeurd. De keuringsprocessen kunnen worden ingedeeld in destructief onderzoek en niet- destructief onderzoek (NDO). Bij de eerst genoemde categorie van keuringsprocessen wordt de las destructief onderzocht. Dit houdt in dat de lasverbinding tijdens het onderzoek wordt vernietigd. Dit gebeurd bijvoorbeeld door de lasverbinding door te zagen, te snijden of uit elkaar te trekken. Het spreekt voor zich dat de lasverbinding na deze onderzoeken totaal vernietigd is.

Bij NDO wordt een lasverbinding niet vernietigd maar op andere manieren, dan hierboven zijn beschreven, onderzocht. Een NDO kan bijvoorbeeld plaatsvinden door met geluidsgolven te controleren of er insluitingen zitten in de las of doormiddel van röntgenfoto’s controleren of de las goed dicht is.

Visuele lasinspectie
De meest eenvoudige vorm van het controleren van laswerk is de visuele lasinspectie. Deze inspectie kan door de lasser zelf worden gedaan of door zijn leidinggevende. Een lastechnicus is speciaal opgeleid om de lasinspectie uit te voeren. De visuele lasinspectie wordt door de desbetreffende persoon gedaan zonder speciale hulpmiddelen. Er wordt gekeken naar de gelijkmatigheid van de las en of de las de juiste A-hoogte heeft. Ook wordt gekeken over er geen sprake is van verbrande lassen, doorbrandingen of randinkartelling. Als deze lasfouten wel aanwezig zijn zal men de las afkeuren. In dat geval kan het werkstuk in de oud-metaalbak of kan men trachten de las er uit te slijpen of te gutsen om een nieuwe las aan te brengen.

Visueel Lasinspecteur Level 1 of Level2
In Nederland kunnen leidinggevenden of andere werknemers in de metaaltechniek en werktuigbouwkunde er voor kiezen om een opleiding of cursus te volgen tot visueel lasinspecteur. Met deze opleiding op zak is iemand geen lastechnicus maar kan men wel goed beoordelen of een las aan de gestelde visuele eisen voldoet. Sommige opdrachtgevers stellen in hun inkoopvoorwaarden dat er een gecertificeerde visuele lasinspecteur aanwezig moet zijn in het bedrijf waar ze hun producten kopen.

Wat wordt bedoelt met slak bij lasprocessen?

Het woord ‘slak’ wordt regelmatig gebruikt bij lasprocessen. Dit woord heeft niets met een dier of een aanduiding van snelheid. Ook heeft de slak die vrijkomt bij lasprocessen niets te maken met de zogenoemde hoogovenslak die vrijkomt bij het smelten van ertsen en metalen in hoogovenprocessen. In plaats daarvan heeft het woord ‘slak’ bij lasprocessen te maken met een materiaal dat vrij kan komen bij het lasproces. De slak die hierbij vrij kan komen is een bros materiaal dat een beetje glasachtig is. De slak bij lasprocessen kan bestaan uit verschillende materialen. Het ontstaan van een slak tijdens het lasproces kan gewenst zijn maar ook ongewenst.

Hoe ontstaat slak bij lasprocessen?
Niet bij alle lasprocessen ontstaat een slak. Een slak ontstaat bij lasprocessen waarbij gebruik wordt gemaakt van laspoeder zoals bij onder poederdek lassen (OP-lassen) of bij beklede elektrodelassen (BMBE lassen). Hierbij ontstaat de slak als een restproduct of afvalproduct. Het laspoeder of de elektrodebekleding smelt door de hitte van het lasproces. Dit materiaal gaat als het ware op het smeltbad drijven en is in eerste instantie vloeibaar. Wanneer de las afkoelt is ook de slak afgekoeld en wordt de slak zichtbaar in de vorm van een harde breekbare brosse laag. De slak kan zich stevig hechten op de lasnaad maar het is ook goed mogelijk dat de slak als het ware achter de lastoorts weg krult.

Bij welke lasprocessen ontstaat slak?
Hiervoor zijn al een aantal lasprocessen genoemd waarbij slak kan ontstaan. Er zijn lasprocessen waarbij men opzettelijk een slak produceert om de las te beschermen tegen invloeden van buitenaf. Voorbeelden van dergelijke lasprocessen zijn:

  • BMBE lassen, lassen met beklede elektrode
  • Onder Poederdek lassen, OP-lassen
  • Elektroslaklassen
  • Exothermisch lassen
  • Lassen met poedergevulde draad,

Als men geen gebruik maakt van elektrodebekleding of poeder maar een beschermgas of vacuüm toepast, is de kans op het ontstaan van een slak kleiner. Bij het MIG/MAG lassen kan nog wel eens een slak ontstaan. In dit geval ontstaat de slak niet uit toevoegmateriaal maar uit verontreinigingen die aanwezig waren in de laskanten van de werkstukken. Deze verontreinigingen kunnen bijvoorbeeld vuil en oxide zijn. Ook door het verbranden van het lasmateriaal kan een slak ontstaan. Het verbranden van lasmateriaal gebeurd als het lasproces onvoldoende is beschermd.

Wat is het nut van een slak bij lasprocessen?
Hiervoor zijn een aantal lasprocessen genoemd waarbij opzettelijk een slak wordt geproduceerd tijdens het lasproces. Er zijn een aantal redenen waarom er bewust voor wordt gekozen om tijdens het lassen een slak te produceren. Een slak is allereerst een bijproduct dat slechts van tijdelijke aard is. De slak wordt na uitharding meestal meteen verwijdert door de lasser of nabewerker. Dit verwijderden van de slak kan doormiddel van het wegbikken van de slak met een beitel.

Tijdens het lassen heeft de slak een belangrijk nut omdat deze het smeltbad beschermd tegen ongewenste invloeden rondom het lasproces. De slak beschermd met name het smeltbad tegen verbranding tegen inwerking van stikstof uit de omringende lucht. Daarnaast heeft de slaklaag ook een isolerende werking die er voor zorgt dat de lasnaad minder snel afkoelt.

Door zure of rutiele lastoevoegmaterialen kan de oppervlaktespanning van het smeltbad worden verlaagd. Hierdoor vloeit de las mooi en wordt deze glad. De slak kan ook een ondersteunende functie hebben bij het verticaal of bovenhands lassen. Door de slak kan worden voorkomen dat het smeltbad omlaag gaat stromen voordat de las gestold is. Dit komt door basische toevoegmaterialen.

Ongewenste effecten van slak
Een slak kan gewenst zijn maar er kunnen ook fouten in de las terecht komen doordat er een slak wordt gevormd. Een slak of delen van de slak kunnen namelijk tijdens het lassen ingesloten worden in het smeltbad. Deze insluitingen behoren tot de lasfouten omdat de las op de plaatsen van de insluitingen niet solide is.

Een ander nadeel van de slak is dat deze verwijdert moet worden en dat is arbeidsintensief. De las moet worden nabewerkt met een beitel.

Wat wordt bedoelt met laskanten en laskantvoorbewerking?

Voordat een lasser een las gaat aanbrengen in een werkstuk zal de lasser zich eerst verdiepen in de constructietekening, de lasmethodebeschrijving (LMB) of de Welding Procedure Specification (WPS). Hierin vindt de lasser informatie over de manier waarop de las gelegd moet worden. Daarbij is onder andere aangegeven welke lasnaad gebruikt moet worden. Er zijn verschillende lasnaden, bijvoorbeeld de V-naad, de K-naad, de Y-naad en de X-naad. Ook kan er gebruik worden gemaakt van een zogenoemde stompe naad. Bij de laatste naad zal er niet of nauwelijks voorbewerking nodig zijn. De kanten die aan elkaar gelast moeten worden zullen dan slechts recht en schoon moeten zijn. Bij de overige naden zal ten minste één van de beide kanten van het werkstuk moeten worden voorbewerkt.

Wat is een laskant?
De kant van een werkstuk die gelast moet worden noemt men de zogenoemde laskant. Als men een werkstuk samenstelt heeft men echter verschillende laskanten die samengesteld moeten worden. Zo bevat een V-naad twee platen die beide zijn afgeschuind aan de laskant. De lasser zorgt er voor dat de twee laskanten van de platen zo dicht mogelijk tegen elkaar aan liggen alvorens de las wordt aangebracht. Hiervoor kan de lasser in sommige gevallen gebruik maken van een mal waarin de plaatdelen kunnen worden vastgezet. In andere gevallen zal de lasser creatiever te werk moeten gaan om de laskanten zo dicht mogelijk bij elkaar te brengen.

Hoe wordt een laskant gemaakt?
Een laskant is de kant van het werkstuk of werkstukonderdeel waarop de las moet worden aangebracht door de lasser. Deze kant moet schoon zijn zodat er geen vervuiling in het smeltbad van de las kan ontstaan. Daarnaast is de laskant in een bepaalde vorm. Meestal is er sprake van een zogenoemde afschuining zoals in het hiervoor genoemde voorbeeld van de V-naad. Er kan echter ook sprake zijn van bijvoorbeeld een K-naad of een X-naad. Ook hierbij wordt de laskant van één deel of twee delen van het werkstuk afgeschuind. Het afschuinen van een plaat kan op verschillende manieren gebeuren. De volgende manieren zijn gebruikelijk:

  • Het slijpen van de laskant
  • Frezen van de laskant
  • Snijden van de laskant met behulp van een plasmasnijder
  • Knabbelen van de laskant

Deze bovengenoemde technieken zijn in feite technieken om de laskant voor te bewerken. Daarom vallen deze technieken onder de laskantvoorbewerking. Meestal staat op een constructietekening een lassymbool waarmee wordt aangegeven welke lasnaad moet worden gemaakt. Als een las verkeerd is aangebracht kan men er voor kiezen om de las uit te slijpen of te gutsen. Dit is echter veel werk en de laskant zal daarna vaak hersteld moeten worden voordat de lasser een nieuwe las kan aanbrengen.

Voordelen van het aanbrengen van laskanten
Een bedrijf of een lasser heeft niet altijd de keuze om laskanten aan te brengen of niet. In veel gevallen zal in de lasmethodebeschrijving of de Welding Procedure Specification duidelijk zijn aangegeven hoe de lasnaad voorbewerkt dient te worden. Mocht men echter wel de keuze hebben om een laskant voor te bewerken dan is het belangrijk om de voordelen van laskantvoorbewerking goed voor ogen te houden. We noemen een aantal voordelen:

  • De lasverbinding wordt steviger omdat men de las, door het aanbrengen van bijvoorbeeld een V-naad, dieper aan kan brengen.
  • Daarnaast heeft het afschuinen van de laskant een voordeel dat het lasoppervlak groter wordt. Hierdoor kan het smeltbad goed worden gevormd en kan het lastoevoegmateriaal zich op meer plekken echten. Ook de warmte die bij het lasproces wordt ingebracht wordt meer verspreid.
  • Een goede laskantvoorbewerking zorgt er ook voor dat de laskant schoon is zodat er minder kans op vervuiling en insluiting ontstaat tijdens het lassen.

Wat zijn lassymbolen en waar worden deze voor gebruikt?

Een constructiebankwerker lasser krijgt meestal een tekening waarin is beschreven en weergegeven hoe het werkstuk er uit moet zien. Op de tekening staat de vorm van het werkstuk en staan daarnaast gegevens over de manier waarop de onderdelen van het werkstuk aan elkaar bevestigd moeten worden. Een voorbeeld van een manieren om onderdelen van een werkstuk aan elkaar te verbinden zijn lasverbindingen. Deze verbindingen komen tot stand door het basismateriaal van het werkstuk aan elkaar te smelten. Daarbij kan toevoegmateriaal worden gebruikt maar dat hoeft niet altijd. Een lasverbinding is een verbinding die niet uitneembaar is.

Dit houdt in dat een lasverbinding alleen doormiddel van geweld (gutsen, zagen slijpen) uit elkaar gehaald kan worden. Dit is één van de redenen waarom men extra zorgvuldig met het maken van een lasverbinding moet omgaan. Een constructiebankwerker lasser moet goed weten hoe een las moet worden gemaakt. Daarom staan op de werktekeningen die de constructiebankwerker moet gebruiken symbolen aangegeven. Dit zijn de zogenoemde lassymbolen.

Waarom een lassymbool?
Lassymbolen zijn nodig omdat kwalitatief goed laswerk van veel verschillende factoren afhankelijk is. Zo dient me rekening te houden met het soort metaal en de eventuele oxidehuid. Ook dient men rekening te houden met de vorm en de dikte van het materiaal. Daarnaast zijn er verschillende eisen met betrekking tot de hoogte van de las (de A-hoogte). De lassymbolen zorgen er voor dat de lasser de juiste instructie krijgt over het maken van de lasverbinding.

Waar staan lassymbolen?
De lassymbolen worden door een technisch tekenaar of constructeur op een constructietekening geplaatst. De constructeur of technisch tekenaar plaatst de lassymbolen niet zomaar op de tekening. Er is van te voren goed nagedacht over de lasverbinding. Daarbij is rekening gehouden met de normen die van toepassing zijn. Ook is er rekening gehouden met de verwachte belasting die op het werkstuk zal worden uitgeoefend. Daarvoor worden zogenoemde sterkteberekeningen toegepast. De eigenschappen van het materiaal en de dikte van het materiaal zijn eveneens van invloed op de keuze voor een bepaald lasproces. Daarom worden ook deze aspecten in de beoordeling meegenomen. Vaak worden deze gegevens ook in een lasmethodebeschrijving (LMB) benoemd of een zogenoemde Welding Procedure Specification (WPS). Dit zijn uitgebreide omschrijvingen over de lasmethode(s) die moeten worden toegepast bij het samenstellen en lassen van onderdelen van een werkstuk.

De lassymbolen zijn slechts korte aanduidingen die op de werktekeningen staan. Deze symbolen zijn bedoelt om informatie te verschaffen aan de lassen zodat deze de las op de juiste manier aanbrengt. Lassymbolen zorgen er dus voor dat de juistheid en de kwaliteit van de las gewaarborgd wordt.

Hoe worden lassymbolen aangegeven?
Lassymbolen worden met een pijl aangegeven op een constructietekening. Op deze pijl staat in ieder geval vier symbolen. Deze symbolen zijn het aanwijspunt van de pijl, het lassymbool, de referentie lijn en de maatinschrijving.

Lassymbool
Het lassymbool is een symbool dat belangrijk is voor de lasser. Met dit symbool wordt aangegeven welk type las er gemaakt moet worden door de lasser. Voorbeelden hiervan zijn bijvoorbeeld:

  • V-naad
  • ½ V-naad
  • I-naad
  • X-naad
  • Y-naad
  • ½ Y-naad
  • K-naad
  • Hoeklas
  • Dubbele hoeklas

Deze symbolen worden in een bepaalde vorm/ symbool ingetekend. De gebruikte symbolen zijn voor iedere lasser herkenbaar zodat elke lasser weet om wat voor lasnaad het gaat. Voor meer informatie over bijvoorbeeld het lasproces (bijvoorbeeld MIG/MAG, TIG, BMBE en autogeen) kan de lasser een lastechnicus in het bedrijf vragen stellen of de lasmethodebeschrijving / Welding Procedure Specification raadplegen indien deze aanwezig is.

Wat betekent BW of Butt welding?

Butt welding is een lastechniek die wordt gebruikt om onderdelen van een werkstuk parallel aan elkaar te verbinden zonder dat er sprake is van een overlap in de lasnaad. Butt Welding kan doormiddel van een machine worden uitgevoerd in een continu proces. Butt-Welding is een voordelige en betrouwbare methode om een lasproces uit te voeren. Er zijn geen aanvullende componenten bij dit lasproces nodig. Butt welding wordt op lascertificaten meestal afgekort met de letters ‘bw’.

Butt welding, stuiklassen of stomplassen
In het Nederlands wordt ‘butt welding’ ook wel vertaald met stuiklassen of stomplassen. De laatste term wordt vooral gebruikt in het maken van een lasverbinding tussen twee kunststofbuizen (PP-H leidingen) in elkaars verlengde. Dit wordt bijvoorbeeld gedaan doormiddel van spiegellassen waarbij de twee uiteinden van de buizen tegen een warme plaat worden aangedrukt zodat deze gaan smelten. Vervolgens worden gesmolten uiteinden tegen elkaar aangedrukt waardoor na uitharding een lasverbinding ontstaat.

Waarvoor is butt welding geschikt?
Butt welding wordt in de praktijk vaak gebruikt in de prefabricage van leidingdelen en speciale hulpstukken. Naast het eerder genoemde spiegellassen van kunststofleidingen wordt dit lasproces ook gebruikt bij metalen onderdelen. Hierbij wordt meestal gebruik gemaakt van het MIG lasproces. Als men metalen delen aan elkaar verbind doormiddel van butt welding noemt men dit in het Nederlands meestal stuiklassen.

Dit wordt ook vaak met de hand gedaan door lassers. Als men in de staalconstructie voor bijvoorbeeld de offshore gebruik maakt van het stuiklassen zal men daarvoor certificaten moeten behalen. Meestal is dat onder de Amerikaanse normering. Dit wordt op het certificaat aangeduid met de afkorting AWS. Stuiklassen worden ook toegepast in de scheepsbouw en machinebouw. Bij dik materiaal zal men eerst de delen van het werkstuk, die aan elkaar verbonden moeten worden, voorverwarmen tot de juiste temperatuur om een goede lasverbinding te maken. Als men dat niet doet kunnen door de warmteinbreng tijdens het lasproces scheuren ontstaan in het materiaal van het werkstuk.

LMB en WPS
Butt welding is een proces dat in verschillende vormen kan worden uitgevoerd daarom is het van belang dat de lasser van te voren zich goed in de lasmethodemethodebeschrijving verdiept. In de lasmethodebeschrijving (LMB) of Welding Procedure Specification (WPS) is beschreven aan welke richtlijnen de lasser zich moet houden. Het kan een vereiste zijn dat de lasser een geldig lascertificaat moet hebben om aan het desbetreffende werkstuk te mogen lassen. In dat geval moet de lasser gecertificeerd zijn. De lascertificering moet gebeuren onder toezicht van een daartoe bevoegd instituut. Een lasser dient onder toezicht van een ‘getuige’ de las te conform de lasmethode te maken en de las wordt vervolgens gekeurd in een testlaboratorium.

Conclusie over butt welding
Butt welding, stuiklassen of stomplassen zijn allemaal namen die worden gebruikt voor het verbinden van werkstukonderdelen in elkaars verlengde. Dit kan met verschillende materialen gebeuren zoals kunststoffen en metalen. Bij metalen heeft men nog de onderverdeling tussen ferro-metalen en non-ferro metalen.

Wat is S690 en S690QL?

Staal 690 wordt ook wel aangeduid met S690. De letter ‘S’ staat hierbij voor de Engelse aanduiding structural. De cijfers 690 geven de minimale rekgrens aan in megapascal in N/mm². Dit is constructiestaal met een zeer hoge treksterkte daarom wordt dit staal tot de hoogsterkte staalsoorten gerekend.

S690QL
Achter de aanduiding van staal 690 staan ook wel de letters QL, hierdoor ontstaat de staalaanduiding . Dit is constructiestaal met een zeer grote treksterkte en wordt geproduceerd volgens EN 10025:6:2004. De letter ‘Q’ staan voor Engelse aanduiding: Quenching & Tempering. In het Nederlands staat dit voor Afschrikken & Tempering, dit geeft aan dat het om getemperd staal gaat. Temperen is een warmtebehandeling en wordt gedaan om de sterkte van metaal en metaallegeringen te vergroten en de hardheid te verlagen.  De letter ‘L’ staat voor de Engelse aanduiding “Low notch toughness testing temperature’. Dit  betekend in het Nederlands: ‘Lage kerftaaiheid testtemperatuur’.

De prijs per kilogram van S690 is hoger dan de prijs van gebruikelijke staalsoorten zoals S235, S275 en S355. De hogere kiloprijs van S690 heeft te maken met de grotere belastbaarheid van het materiaal.

Waarvoor wordt S690 en S690QL gebruikt?
Ondanks de hogere kiloprijs kan het gebruik van staal 690 toch economisch voordelig zijn. Door gebruik te maken van staalsoorten met een hoge treksterkte hoeft men over het algemeen minder staal te gebruiken voor een staalconstructie. Hierdoor heeft niet alleen minder staal te worden gebruikt, het totale gewicht van de constructie kan ook worden gereduceerd.

Staal 690 en S690QL worden onder andere toegepast voor de constructies van kranen die zeer zwaar belast worden. Zowel de beweegbare arm van de kraan als de graafbak kunnen van S690 worden vervaardigd. Daarnaast kan het chassis ook van deze sterke staalsoort worden gemaakt zodat de gehele constructie zeer sterk is en bestand is tegen grote krachten. Ook in grondverzetmachines en kipperbakken  worden dikwijls vervaardigd uit S690 en S690QL.

Lassen van S690
Staal 690 is een hoogwaardige staalsoort daarom worden aan het lassen van deze staalsoort hoge eisen gesteld. De specifieke eisen die aan het lasproces worden gesteld zijn beschreven in een lasmethodebeschrijving (LMB), dit document wordt ook wel aangeduid Welding Procedure Specification (WPS). Daarin staan eisen met betrekking tot voorverwarming, toevoegdraad en lasmethode. De lasser dient deze voorschriften op te volgen.

Constructies die uit S690 bestaan worden in de praktijk zwaar belast daarom moet men er zeker van zijn dat de las door een gekwalificeerde lasser is gemaakt. Deze lasser moet in bezit zijn van een lasserkwalificatie, dit is een document dat ook wel een lascertificaat genoemd. In dit document staat de materiaalsoort, materiaaldikte en de laspositie waarvoor de lasser gecertificeerd is. Een lasserkwalificatie is persoonsgebonden en daarnaast gebonden aan een datum.

Een S690 lascertificaat is geen eenvoudige lasserkwalificatie. Deze kwalificatie wordt over het algemeen door zeer ervaren lassers gehaald omdat de materiaalsoort zeer hoogwaardig is. Staalsoorten zoals S235, S275 en S355 zijn eenvoudiger te lassen.

Wat is het verschil tussen een verspanende bewerking en een niet-verspanende bewerking?

Vormgevingstechnieken zijn technieken die worden gebruikt om een basismateriaal te vervormen tot een gewenst product. Het hiervoor benodigde basismateriaal kan uit verschillende grondstoffen bestaan, bijvoorbeeld uit hout, kunststof, glas, steen  of metalen. Vervormingstechnieken worden ingedeeld in verschillende bewerkingen. Een voorbeeld van deze indeling is de scheiding tussen verspanende bewerkingen en niet-verspanende bewerkingen. Vooral in de metaalbranche/ metaaltechniek wordt deze onderverdeling gehanteerd. Hieronder zijn de verschillen tussen deze vormgevingstechnieken beschreven.

Verspanende bewerking
Verspanende bewerkingen worden veel toegepast in de werktuigbouwkunde. Hiervoor wordt gebruik gemaakt van verschillende werktuigmachines. Werktuigmachines die verspanende bewerkingen uitvoeren hebben als gemeenschappelijk kenmerk dat er kleine deeltjes van het werkstuk of uitgangsmateriaal worden weggenomen. Voorbeelden van verspanende bewerkingen zijn draaien, boren, frezen en zagen. Ook slijpen en schaven kunnen tot de verspanende bewerkingen worden gerekend. Bij deze bewerkingen worden kleine deeltjes van het werkstuk verwijdert om het werkstuk de gewenste vorm of afmeting te geven. Deze kleine deeltjes hebben meestal de vorm van een spaantje of spanen, daarom wordt de bewerking van deze werktuigmachines ook wel verspanende bewerking genoemd. Verspanende bewerkingen worden vooral uitgevoerd in de werktuigbouwkunde bij bijvoorbeeld het maken van matrijzen of onderdelen van machines zoals lagers.

Niet-verspanende bewerking
Een niet-verspanende bewerking is een bewerking of techniek die wordt gebruikt om uitgangsmateriaal of basismateriaal in een bepaalde vorm te brengen zonder dat daarbij spanen van het werkstuk worden verwijdert. Dit is het grote verschil met een verspanende bewerking of een verspanende techniek.

Lassen
Lassen is een voorbeeld van een niet-verspanende bewerking die veel in de metaaltechniek wordt toegepast. In de praktijk worden verschillende lasmethodes gebruikt om werkstukken te maken. Doormiddel van lassen kan een lasser een niet-uitneembare verbinding maken tussen metalen. Ook kunststoffen kunnen gelast worden. Voor het maken van een goede las moeten verschillende factoren op elkaar worden afgestemd. Allereerst moet het materiaal goed lasbaar zijn. Daarnaast moet men de juiste lasmethode kiezen en het juiste toevoegmateriaal. In de meeste gevallen hoeft de lasser deze aspecten niet zelf uit te zoeken en kan hij of zij navraag doen bij een lasbaas of lastechnicus. Een lastechnicus is iemand met een opleiding International Welding Specialist (IWT) of een opleiding Middelbaar Lastechnicus (MLT). Deze werknemers hebben veel ervaring op het gebied van lassen en alle kwaliteitsaspecten en theoretische aspecten die daarbij aan de orde komen.

Verder wordt bij veel laswerk een lasmethodebeschrijving (LMB) gegeven of een Welding Procedure Specification (WPS). Hierin staat informatie die de lasser moet gebruiken om de las vakkundig te maken conform de Europese of Internationale voorschriften. De lasmethodebeschrijving / Welding Procedure Specification is gekoppeld aan de lasmethodekwalificatie van het desbetreffende bedrijf waar de lasser werkzaam is.

Gieten
Sommige metalen en kunststoffen kan men ook in de juiste vorm gieten. Hierbij komen ook geen spanen aan de orde daarom is gieten een voorbeeld van een niet-verspanende bewerking. Gieten wordt tegenwoordig veel toegepast bij kunststoffen en kan op verschillende manieren worden gedaan. Een voorbeeld hiervan is spuitgieten. Ook extruderen wordt bij kunststoffen regelmatig als vormgevingstechniek toegepast. Naast kunststof wordt ook ijzer en staal in vormen gegoten. Hierdoor ontstaat gietijzer en gietstaal. Kenmerkend voor het gietproces is dat het kunststof granulaat, ijzer of staal eerst in vloeibare vorm moet worden gebracht voordat het gegoten of gespoten kan worden. Over het algemeen moet daarvoor het materiaal verhit worden. Het verhitte materiaal wordt door gieten of spuitgieten in de juiste vorm gebracht. Na afkoeling behoudt het materiaal zijn nieuwe vorm.

Overige niet-verspanende bewerkingen
Voor het plastisch vervormen van metalen platen kunnen ook verschillende niet-verspanende bewerkingen worden uitgevoerd. Hierbij kan men denken aan buigen, walsen, zetten en kanten. Ook dieptrekken, persbuigen, wikkelbuigen en explosief vervormen zijn vervormingstechnieken. Als men gaten wil maken in plaat kan men ook ponsen of snijden. Doormiddel van lasers kan men uitgangsmateriaal in een bepaalde vorm brengen.

Eroderen en vonken
Doormiddel van eroderen en vonken kunnen metalen ook vervormd worden. Hierbij wordt gebruik gemaakt van elektrodes. Het werkstuk vormt een elektrode en daarnaast is er een vormgevende elektrode. Tussen de werkstukelektrode en de vormgevende elektrode wordt doormiddel van een machine een kortsluiting gemaakt. Hierbij ontstaan vonken tussen de elektrodes. Deze vonken zorgen er voor dat er deeltjes van het uitgangsmateriaal worden verwijdert. Deze deeltjes smelten tijdens het processen en lossen op in de hitte van de vonken. Vervolgens worden de restjes van de metaaldeeltjes verwijdert door het diëlektricum. Dit is een speciale olie die niet geleid. In de metaaltechniek wordt eroderen en vonken ingedeeld in de verspanende bewerkingen. Er zijn echter ook metaalbedrijven die eroderen juist een niet-verspanende bewerking noemen.

Welke lasverbindingen worden gebruikt in de werktuigbouwkunde?

Lasverbindingen zijn verbindingen die niet uitneembaar zijn. Dat houdt in dat een lasverbinding, in tegenstelling tot een schroefverbinding, niet zonder geweld uit elkaar kan worden gehaald. Een lasverbinding dient daarom professioneel te worden gemaakt door een ervaren lasser. In een Lasmethodebeschrijving LMB of Welding Procedure Specification WPS is aangegeven hoe een las gemaakt dient te worden. Hierin is aangegeven welk lasproces gebruikt moet worden. Dit kan bijvoorbeeld MIG/MAG, TIG of BMBE lassen zijn. Naast deze lasprocessen zijn er nog vele andere lasprocessen die door een lasser gebruikt kunnen worden voor het maken van een las. In een WPS of LMB is tevens beschreven in welke positie de las moet worden gemaakt en welk toevoegmateriaal (lasdraad) moet worden gebruikt. Verder staat in een WPS ook de soort lasverbinding die moet worden gemaakt.

Verschillende lasverbindingen
Er zijn verschillende lasverbindingen die gemaakt kunnen worden door een lasser. De lasverbindingen zijn verdeeld in een aantal verschillende hoofdgroepen. Deze hoofdgroepen zijn:

  • Stuiklas. Deze las wordt ook wel een kopse las genoemd. Deze las wordt zeer veel gebruikt in de werktuigbouwkunde
  • Overlaplas. De overlaplas wordt gebruikt om twee metalen platen die over elkaar heen geschoven zijn aan elkaar te lassen.
  • Oplas. Deze las is een bijzondere las die onder andere wordt gebruikt voor het repareren van bepaalde machineonderdelen en andere werkstukken die zijn afgesleten. Doormiddel van oplassen worden nieuwe laslagen aangebracht over het versleten object zodat het object zijn oorspronkelijke vorm of diameter weer krijgt. Vaak wordt in dat geval het desbetreffende object door een verspaner op de exacte diameter verspaand. Oplassen wordt overigens ook gebruik voor het aanbrengen van een slijtvaste laag op objecten van metaal.
  • T-las. Bij de T-las wordt een plaat met de kopse kant haaks tegen een andere plaat aangelast. De positie van de plaat die met de kopse kant tegen een andere plaat aan wordt gedrukt is zodanig dat aan de bovenzijde een ‘T’ vorm ontstaat.
  • Hoeklas. De hoeklas wordt in de werktuigbouwkunde ook veel gebruikt. Hierbij wordt ook een plaat met de kopse kant tegen een andere plaat aangelast. In tegenstelling tot een T-las ziet men aan de bovenkant niet een T-vorm maar een L vorm of een V-vorm.  De basisplaat waar de tweede plaat tegenaan wordt gelast steekt niet aan twee kanten uit zoals bij een T-las het geval is. In plaats daarvan steekt de basisplaat maar aan één kant uit. Er wordt onderscheid gemaakt tussen en binnenhoeklas en een buithoeklas.
  • Flenslas. Bij een flenslas worden de twee flensen van platen aan elkaar gelast. Een flens aan een plaat kan ontstaan wanneer men de plaat in een hoek van 90 graden buigt. De opstaande rand die dan ontstaat noemt men een flens. Als men de opstaande randen van twee platen tegen elkaar aan drukt en vervolgens een las maakt over de lengte van de flensen maakt men in feite een flenslas.

De lasverbindingen die worden gebruikt zijn afhankelijk van het materiaal dat gelast moet worden en de lastechniek die gebruikt wordt. Daarnaast zijn uiteraard ook de constructie en materiaaldikte van invloed op de lasverbinding die gekozen wordt. Er zijn lastechnieken die voor een specifieke verbindingsvorm worden gebruikt. Daarnaast zijn er ook lastechnieken die voor verschillende verbindingsvormen gebruikt kunnen worden. Een middelbaar lastechnicus kan adviseren op het gebied van de juiste lastechniek. De kennis van een lastechnicus is van belang bij het opstellen van een WPS of een LMB.

Metallurgie en lasverbindingen
Bij het bepalen van een lasmethode kan ook de hulp van en metallurg worden ingeschakeld. Een metallurg heeft een opleiding gevolgd op het gebied van metallurgie. Daardoor heeft deze specialist verstand van de samenstelling en eigenschappen van metalen en legeringen die gebaseerd zijn op metalen. Door deze kennis kan een metallurg goed aangeven welke metalen juist wel of juist niet geschikt zijn voor een bepaalde toepassing. Over het algemeen is bij de meeste bedrijven in de werktuigbouwkunde goed bekend welke eigenschappen de metalen hebben die worden gebruikt. deze eigenschappen kunnen bij de inkoop van metalen worden opgevraagd.

Wat is elektronenbundellassen en waar wordt dit lasproces toegepast?

Elektronenbundellassen is een uniek lasproces waarbij gebruik wordt gemaakt van een bundel elektronen. Dit lasproces wordt ook wel afgekort met EBW. Deze afkorting staat voor het Engelse Electron Beam Welding. Het EBW lasproces is ontwikkelt in 1958 door de Duitse natuurkundige Karl-Heinz Steigerwald. Hij had in dat jaar de eerste praktische elektronenbundellasmachine ontworpen en gemaakt.

Hoe wordt elektronenbundellassen uitgevoerd?
Net als elk ander lasproces is ook bij elektronenbundellassen energie nodig. Deze energie wordt bij elektronenbundellassen aan het werkstuk toegevoegd door gebruik te maken van een bundel elektronen in een elektronenkanon. In het elektronenkanon wordt een bundel elektronen vrijgemaakt. De elektronen worden gefocusseerd en daarnaast worden ze versneld. De versnelling van de elektronen is enorm en gaat wel tot de helft van de snelheid van licht. De elektronensnelheid is daardoor 150.000 km per seconde. De elektronen worden door het elektronenkanon op het werkstuk gericht. Als voldoende vermogen wordt gebruikt zal het metaal plaatselijk op de smelttemperatuur worden gebracht en gaan smelten. Als er nog meer vermogen wordt toegevoegd kan het metaal zelfs gaan verdampen. Met elektronenbundellassen kunnen temperaturen worden behaald van 25.000 Kelvin.

Met de bundel elektronen wordt het werkstuk in bestookt. Elektronenbundellassen kan alleen in een vacuüm worden gedaan omdat een elektronenbundel in gas snel zal verstrooien. Dit is niet erg praktisch, daarom wordt elektronenbundellassen in de praktijk nauwelijks gebruikt. Voor het elektronenbundellassen zal een ruimte eerst vacuüm moeten worden gezogen.

Een belangrijk voordeel van deze lasmethode is dat de bundel elektronen goed kan worden gestuurd. In het vacuüm is geen zuurstof aanwezig. Hierdoor ontstaat geen nieuwe oxide op het metaal tijdens het lasproces. Daarnaast kan de aanwezige oxide doormiddel van het lasproces worden verdampt. Dit is vooral praktisch bij het lassen van aluminium. Bij aluminium is de oxidehuid namelijk een stevige beschermlaag die harder is dan het aluminium dat onder de oxidehuid aanwezig is.

Elektronenbundellassen is geschikt voor verschillende plaatdiktes. In werkstukken met dikke platen kunnen smalle lassen worden gemaakt met elektronenbundels. Zo kunnen in platen van 150 mm dik lasnaden worden aangebracht met een breedte van 5 mm. Hierbij wordt gebruik gemaakt van keyhole techniek net als bij laserlassen.

Waar wordt elektronenbundellassen voor gebruikt?
Met elektronenbundellassen kunnen hoogwaardige lassen worden gemaakt. Dit is een belangrijk voordeel van dit lasproces. Dit voordeel is in sommige gevallen belangrijker dan de praktische uitvoerbaarheid van het lasproces. Onder andere bij gasturbines en de vliegtuigbouw moeten zeer hoogwaardige lassen worden aangebracht op kritische onderdelen. Dit is ook het geval bij onderdelen zoals tandwielen en assen en verschillende soorten aandrijvingen. Deze werkstukken moeten gelast worden op een zeer nauwkeurig niveau. Daarom is elektronenbundellassen voor deze werkstukken wel interessant ondanks het feit dat een vacuümruimte gerealiseerd moet worden alvorens men gaat lassen.

Elektronenbundellassen is overigens ook geschikt voor het verbinden van verschillende metaalsoorten aan elkaar. Zo kan men met dit lasproces aluminium aan staal lassen en kan men brons ook aan staal lassen. Verder is het mogelijk om met elektronenbundellassen gewoon koolstofstaal aan roestvast staal te lassen.

De keuze voor een bepaald lasproces is beschreven in een lasmethodebeschrijving LMB of een Welding Procedure Specification WPS. Mochten er onduidelijkheden zijn over het gewenste lasproces dan is het verstandig of zelfs verplicht om een expert op lastechnisch gebied in te schakelen. Dit kan bijvoorbeeld een lasbaas zijn, een Middelbaar Lastechnicus MLT of een International Welding Specialist IWT.

Wat is het verband tussen een lasmethodekwalificatie, lasmethodebeschrijving en de lasser kwalificatie

De kwaliteitseisen voor Europese producten wordt steeds strenger. Doormiddel van normeringen is vastgelegd aan welke eisen producten die in Europese bedrijven worden gemaakt moeten voldoen. Deze normen zijn er niet voor niets. Normen zorgen er voor dat bedrijven garant kunnen staan voor kwaliteit en veiligheid. Dit is belangrijk voor de consumenten en de werknemers die binnen een bedrijf werkzaam zijn. Daarnaast zorgt aantoonbare kwaliteit er voor dat de Europese producten op de wereldmarkt aantrekkelijker worden voor potentiële afnemers. De afnemers weten namelijk wat ze van de producten mogen verwachten. De concurrentiepositie van bedrijven wordt door de invoering en standaardisering van normen verbeterd.

In de metaaltechniek en de werktuigbouwkunde is veel aandacht voor normeringen. Met name op het gebied van lasverbindingen wordt veel aandacht besteed aan kwaliteitseisen. Een las is een niet-uitneembare verbinding, daarom moet een las goed aangebracht worden. Als de lasverbindingen van staalconstructies en machines niet goed zijn gemaakt kunnen de gevolgen zeer ernstig zijn. Daarom moeten bedrijven er voor zorgen dat ze hun lasmethodes gekwalificeerd hebben. Ook de lasmethodes dienen per project/ object duidelijk te zijn beschreven. verder dienen de lassers gekwalificeerd te zijn om de lassen te maken die in de lasmethodebeschrijving zijn aangegeven.

Wat is een lasmethodekwalificatie LMK?
Binnen de meeste bedrijven in de werktuigbouwkunde of metaaltechniek worden verschillende lasmethodes uitgevoerd. De verschillen tussen de lasmethodes hebben onder andere te maken met het verschil in lasprocessen zoals bijvoorbeeld TG, MIG/MAG en BMBE- lassen. Verder verschillend de materiaaldiktes en lasposities binnen een bedrijf. Ook de toevoegdraad en het al of niet voorverwarmen van de platen is van belang voor de lasmethode.

Een bedrijf die conform de normen producten produceert moet kunnen aantonen dat elke lasmethode is getoetst door een onafhankelijke instantie. Deze toetsing wordt ook wel kwalificatie genoemd. Binnen een bedrijf moet elke lasmethode gekwalificeerd zijn. Een lasmethodekwalificatie kan echter wel meerde lasposities dekken. Wanneer een las bijvoorbeeld op positie G6 of HL-45 (lassen van buis onder hoek van 45 graden) is gelast zijn de eenvoudiger lasposities daarmee gedekt, behalve de posities waarbij de lastoorts een neergaande beweging moet maken.

Wat is Lasmethodebeschrijving  LMB of een Welding Procedure Specification WPS?
Vanuit de lasmethodekwalificaties kunnen verschillende lasmethodebeschrijvingen worden gemaakt. Deze lasmethodebeschrijvingen worden ook wel afgekort met LMB. In het Engels wordt een lasmethodebeschrijving ook wel Welding Procedure Specification genoemd, dit wordt afgekort met WPS. Een lasmethodebeschrijving is niet hetzelfde als een lasmethodekwalificatie. De lasmethodebeschrijving komt echter uit de lasmethodekwalificatie voort. De lasmethodekwalificatie kan als ‘moederdocument’ worden beschouwd waar de lasmethodebeschrijving als ‘dochterdocument’ aan verbonden is.

De lasmethodebeschrijving bevat informatie die de lasser nodig heeft om de las conform de normen te maken. hierin is onder andere aangegeven welk lasproces door de lasser uitgevoerd dient te worden. dit kan bijvoorbeeld MIG/MAG of TIG-lassen zijn. Ook BMBE – lassen komt regelmatig voor. Verder zijn er nog diverse andere lasmethodes die in een lasmethodebeschrijving of WPS kunnen worden aangegeven.

De lasmethode die gebruikt wordt heeft onder andere te maken met het soort metaal dat gelast moet worden en de dikte van de plaat. Daarbij is ook de toevoegdraad van belang. Verder is in de lasmethodebeschrijving of het WPS aangegeven welke lasnaad aangebracht dient te worden. Dit kunnen bijvoorbeeld een X-naad, V-naad, K-naad of andere lasnaden zijn. Soms is één laslaag niet voldoende en dienen er meerdere laslagen of zogenoemde ‘snoeren’ aangebracht te worden. Dit is ook beschreven in de WPS of de lasmethodebeschrijving. Verder is aangegeven of de platen die gelast moeten worden ook voorverwarmd moeten worden of niet.

Een lasmethodebeschrijving of een WPS is gebonden aan een object of project dit in tegenstelling tot een lasmethodekwalificatie die bedrijfsgebonden is.

Wat is een lasser kwalificatie?
Lassers dienen zich te houden aan het WPS of de lasmethodebeschrijving die hoort bij het project of werkstuk dat ze moeten lassen. Men dient er echter zeker van te zijn dat de lasser onder de normen kan lassen die in de lasmethodebeschrijving zijn beschreven. Daarom moeten lassers gekwalificeerd worden en een Lasser Kwalificatie (LK) behalen. Deze kwalificatie wordt in het Engels aangeduid met Welder Preformance Qualifications (WPQ), ook de term Welders Qualification (WQ) wordt gebruikt.

Tijdens de kwalificering van een lasser dient de desbetreffende lasser een proeflas te leggen conform de lasmethodekwalificatie die bij het bedrijf gehanteerd wordt. Deze proeflas mag alleen door de lasser zelf worden gemaakt. Om er zeker van te zijn dat de lasser de las daadwerkelijk zelf legt is er een onafhankelijke getuige aanwezig. Deze getuige wordt ook wel aangeduid met de Engelse term ‘witness’. De witness controleert of de lasser het lasproces uitvoert volgens de normen en richtlijnen.

Nadat de lasser de proeflas heeft gelegd wordt deze visueel gekeurd. De las wordt bekeken en er wordt beoordeeld of de las er in eerste instantie goed uitziet, er mag bijvoorbeeld geen sprake zijn van randinkarteling of weggezakte lassen. Nadat de visuele inspectie of visuele beoordeling succesvol is verlopen wordt het werkstuk naar een keuringslaboratorium gestuurd.

In het keuringslaboratorium wordt de proeflas verder onderzocht op verborgen gebreken. Deze verborgen gebreken kunnen onder andere naar boven komen bij een niet-destructief onderzoek. Een niet-destructief onderzoek kan op verschillende manieren worden uitgevoerd. Hierbij kan gedacht worden aan röntgenfoto’s en geluidsgolven. Een onderzoek kan ook destructief worden uitgevoerd. Hierbij wordt het werkstuk vernietigd. Voorbeelden van een destructief onderzoek zijn een trekproef en het doorzagen van een las.

Als de proeven succesvol zijn uitgevoerd krijgt de lasser een certificaat waarop is aangegeven onder welke kwalificatie de lasser mag lassen. Een lasser kwalificatie is in tegenstelling tot een lasmethodekwalificatie beperkt houdbaar. Dit houdt in dat de lasser binnen een half jaar doormiddel van een stempel moet kunnen aantonen dat hij of zij een werkstuk heeft gemaakt onder de zelfde normen die in het lascertificaat zijn beschreven. Als dit niet meer gebeurd is het lascertificaat na een half jaar niet meer geldig.

Lasmethodekwalificatie, de lasmethodebeschrijving en de lasser kwalificatie
Bovengenoemde documenten zijn allemaal aan elkaar verbonden. De lasmethodekwalificatie is bedrijfsgebonden. De verschillende lasmethodekwalificaties zorgen er voor dat in het bedrijf bepaalde lasmethodes uitgevoerd mogen worden. Deze lasmethodes zijn beschreven in een WPS of lasmethodebeschrijving die gekoppeld is aan een project of werkstuk. Een lasser moet een geldige lasser kwalificatie hebben die hoort bij de lasmethode. Indien dit het geval is mag de lasser aan het desbetreffende project werken. Als er geen geldige lasser kwalificatie kan worden aangetoond mag de lasser niet aan het werkstuk werken.

Wat is een lasmethodekwalificatie en waarvoor is een lasmethodekwalificatie LMK nodig?

Een lasmethodekwalificatie wordt ook wel afgekort met LMK. Het is een rapport over de beproeving van een bepaalde las. In het Engels wordt een lasmethodekwalificatie een ‘Procedure Qualification Record’ genoemd, deze wordt afgekort met PQR. Een lasmethodekwalificatie is nodig voor elke nieuwe lasmethode die wordt toegepast in een bedrijf. De lassen die in een bedrijf worden aangebracht verschillen echter. Er kan worden gebruik gemaakt van bijvoorbeeld een hoeklas of er kunnen buizen rondom worden gelast. Verder is er een grote diversiteit aan lasnaden die door de lasser gevuld kunnen worden. Veelvoorkomende voorbeelden hiervan zijn de V-naad, de K-naad en de X-naad. Ook de metaalsoorten verschillen. Zo kunnen binnen een bedrijf verschillende metalen worden gelast zoals bijvoorbeeld roestvaststaal, koolstofstaal en aluminium.

Waarom een lasmethodekwalificatie?
Het is belangrijk dat in een bedrijf de lassen worden gemaakt conform de geldende normering. Daarom moeten lasmethodes gekwalificeerd worden. Elk bedrijf dient voor elke lasmethode die binnen het bedrijf uitgevoerd wordt gekwalificeerd te worden. Door deze lasmethodekwalificatie kunnen klanten of afnemers van het bedrijf er zeker van zijn dat de gelaste constructies of halffabricaten aan de gestelde normen voldoen. Deze normen worden steeds belangrijker. De kwaliteit van Europese producten moet gewaarborgd zijn. Dit zorgt voor een versteviging van de concurrentiepositie ten opzichte van opkomende economieën die lagere productiekosten hebben en meestal ook minder goede kwaliteit leveren. Verder eisen verzekeringsmaatschappijen dat constructies voldoen aan kwaliteitseisen. De basis voor deze kwaliteitseisen is het beschrijven en kwalificeren van lasmethodes. Daarom is een lasmethodekwalificatie niet alleen belangrijk, het is ook in veel gevallen verplicht.

Procedure lasmethodekwalificatie
Deze lasmethode dient door een onafhankelijke deskundige te worden beoordeeld. De onafhankelijke deskundige bezoekt hiervoor het bedrijf dat een bepaalde lasmethode wil kwalificeren. Onder toezicht van de deskundige wordt vervolgens de desbetreffende las door een lasser van het bedrijf gemaakt conform de procedure die gekwalificeerd dient te worden. Nadat de las is gemaakt wordt de las onderzocht. Het onderzoeken van een las wordt zowel destructief als niet-destructief  (NDO) gedaan door een expert. Niet-destructief onderzoek houdt in dat het werkstuk heel blijft en doormiddel van bijvoorbeeld röntgenfoto’s of geluidsgolven wordt gekeurd. Destructief onderzoek houdt in dat het werkstuk wordt vernietigd tijdens de proef. Zo kan tijdens destructief onderzoek het werkstuk doormidden worden gezaagd of uitelkaar worden getrokken,  waardoor het werkstuk na de proef niet meer bruikbaar is. Door deze proeven wordt duidelijk of de beproefde lasmethode aan de gestelde normen voldoet. De lasmethodekwalificatie wordt toegevoegd als bijlage bij de lasprocedure. Er wordt niet voor elk project een nieuwe lasmethodekwalificatie gemaakt. Als binnen het bedrijf precies dezelfde las gemaakt moet worden als in de kwalificatie is beschreven hoeft men de lasmethode niet opnieuw te kwalificeren.

Lasmethodekwalificatie en Lasmethodebeschrijving
Een lasmethodekwalificatie (LMK) is niet hetzelfde als een lasmethodebeschrijving. Een LMK is een bedrijfsgebonden kwalificatie. Dit houdt in dat een bedrijf met een LMK kan aantonen dat het bedrijf de in het LMK beschreven lasmethode conform de normen mag uitvoeren. Een LMK is niet alleen gebonden aan een bepaald bedrijf, de LMK is namelijk ook verbonden aan de specifieke normen waaronder de lasmethode is gekwalificeerd. Op dit moment hebben lasmethodekwalificaties een vrijwel onbeperkte ‘houdbaarheidsdatum’. Dit houdt in dat de LMK niet kan verjaren. De Europese wet- en regelgeving verandert echter voortdurend. In de meeste gevallen zorgen deze veranderingen er voor dat de kwaliteitseisen worden verscherpt. Daarom is het niet ondenkbaar dat lasmethodekwalificaties in de toekomst wel een beperkte ‘houdbaarheidsdatum’ krijgen. Dit houdt in dat bedrijven regelmatig moeten bewijzen dat de nog aan de gestelde normen in de lasmethodekwalificaties voldoen.

Een lasmethodebeschrijving is, zoals eerder genoemd, wat anders dan een lasmethodekwalificatie. Een lasmethodebeschrijving (LMB)wordt ook wel in het Engels aangeduid met Welding Procedure Specification (WPS). In tegenstelling tot een LMK is een LMB project specifiek. Dit houdt in dat een LMB (of WPS) een beschrijving is die verbonden is aan een specifiek object dat gelast moet worden. De LMB is een beschrijving van de wijze waarom de las gemaakt dient te worden door de lasser. Daarbij komen alle factoren aan de orde die invloed hebben op het lasproces en de kwaliteit daarvan. Hierbij kan gedacht worden aan de materiaaldikte, de materiaalsoort en de toevoegdraad. Daarnaast is ook in een LMB beschreven welke naad gelast moet worden en of het materiaal voorverwarmd dient te worden of niet. De laspositie(s) zijn eveneens in de LMB beschreven evenals, uiteraard, het lasproces zelf zoals bijvoorbeeld: MIG/MAG, TIG of BMBE lassen. De lasser dient zich aan de richtlijnen van de LMB of het WPS te houden. De LMB en het WPS zijn afgeleid van de lasmethodekwalificaties die het bedrijf heeft.

Lasmethodekwalificatie en Lasser Kwalificatie
De las die in de lasmethodebeschrijving is beschreven moet uiteraard ook door een lasser gemaakt worden die gekwalificeerd is om de desbetreffende las te maken. Een lasser wordt daarvoor gekwalificeerd. Dit wordt in het Nederlands ook wel een Lasser Kwalificatie genoemd (LK), in het Engels wordt dit aangeduid met de afkorting WPQ dat staat voor ‘Welder Preformance Qualifications’. Een andere Engelse afkorting die wordt gebruikt is WQ dat voluit geschreven wordt als ‘Welders Qualification’.  De lasser wordt doormiddel van de Lasser Kwalificatie beproeft doormiddel van een proeflas. De proeflas die de lasser maakt is beschreven in de lasmethodekwalificatie die aan het bedrijf gebonden is. Een lasser kan met de Lasser Kwalificatie aantonen dat hij of zij kan lassen conform de lasmethodekwalificatie van het bedrijf.

De proeflas dient door de lasser zelf te worden gemaakt conform de beschrijving uit de LMK. Hierbij is een onafhankelijke ‘getuige’ aanwezig, deze wordt ook wel in het Engels aangeduid met ‘witness’. De witness is van een onafhankelijk instituut en is goed onderlegd op lasgebied. Hij of zij ziet er op toe dat de lasser echt zelfstandig de las aanbrengt conform de LMK. Na dit bevestigt te hebben dient de proeflas te worden getest. Deze wijze waarop de proeflas getest wordt is eveneens omschreven in het LMK. De test kan zowel niet-destructief als destructief worden gedaan. Als de proef of proeven op het gelaste werkstuk succesvol zijn verlopen wordt de lasser gekwalificeerd. Lassers die gekwalificeerd zijn om een bepaalde las te maken worden ook wel gecertificeerde lassers genoemd. In tegenstelling tot de lasmethodekwalificatie heeft de Lasser Kwalificatie wel een beperkte houdbaarheidsdatum. Op een stempellijst moet de lasser elk half jaar aantonen dat hij of zij nog aan de gestelde normen van de lasmethodekwalificatie voldoet.

Welke lasposities zijn er volgens de NEN-EN en ASME?

In de werktuigbouwkunde en de metaaltechniek wordt gebruik gemaakt van verschillende lasprocessen. Het is belangrijk dat een lasser een las op de juiste manier maakt en daarvoor het juiste lasproces en materiaal gebruikt. Voor lassers is het echter bijna onmogelijk om alle verschillende lasmethodes en bijbehorende richtlijnen te onthouden. Daarom maken lassers gebruikt van een lasmethodebeschrijving deze wordt ook wel afgekort met LMB. In het Engels wordt deze lasmethodebeschrijving ook wel Welding Procedure Specification of Weld Procedure Specification genoemd. Dit wordt afgekort met WPS. Zowel een WPS als een LMB kan door een lastechnicus worden geschreven.

Wat staat er in een Lasmethodebeschrijving en Welding Procedure Specification?
In een LMB of WPS staat informatie voor de lasser over hoe de las gemaakt dient te worden. Hierin is onder andere beschreven met welk lasproces de las moet worden gemaakt. Dit kan bijvoorbeeld MIG/MAG, TIG of elektrode zijn. Er zijn echter ook andere lasprocessen die gebruikt kunnen worden. Verder staat in het WPS of LMB welke lasdraad gebruikt moet worden en in het aantal lagen dat over elkaar heen aangebracht moet worden. De lasstroom en de voorverwarmtemperatuur hebben een belangrijke invloed op de kwaliteit van de las en kan men daarom ook lezen in het WPS of LMB. Ook de lasnaadvorm is beschreven, dit kan bijvoorbeeld een X-naad, V-naad of I-naad zijn. De diversiteit aan lasnaadvormen is zeer groot en is afhankelijk van de materiaalsoort en de wanddikte of plaatdikte. Deze zijn ook in het WPS en LMB beschreven. Verder is ook de laspositie aangegeven in deze rapporten. Daarover is hieronder meer informatie geschreven.

Welke lasposities worden toegepast in de metaalindustrie?
Er worden voor lasposities verschillende codes gebruikt. De code die wordt gebruikt voor een laspositie heeft te maken met de Europese normering en de Amerikaanse normering. De Europese Normering wordt aangegeven in NEN- EN. De Amerikaanse normering wordt vooral gebruikt in de offshore. Deze normering wordt aangegeven in een ASME-code. ASME is een afkorting die staat voor American Society of Mechanical Engineers. De ASME-code wordt internationaal het meest gebruikt. Hieronder is een lijst weergeven van de verschillende lasposities en de bijbehorende code:

ASME lasposities

1F  hoeklas onder de hand.

2F  hoeklas uit de zij.

3Fu  hoeklas verticaal (stapelen).

3Fd  hoeklas verticaal (van boven naar beneden).

4F  hoeklas boven het hoofd.

1G  V-las onder de hand.

2G  V-las horizontaal uit de zij.

3Gu V-las verticaal (stapelen).

3Gd V-las verticaal (van boven naar beneden).

4G  V-las boven het hoofd.

5Gu  V-las in horizontaal liggende pijp rondom lassen (stapelen).

5Gd  V-las in horizontaal liggende pijp rondom lassen (van boven naar beneden).

6G  V-las in pijp onder 45° rondom lassen.

6GR  V-las in pijp onder 45° rondom lassen met o.a. extra ring om pijp.

De letter F staat voor ‘Fillet weld’ dit is een hoeklas. De letter G staat voor ‘Groove weld’ en wordt gebruikt als aanduiding voor V-naden. Onder de Europese Norm zijn de lasposities ingedeeld in de volgende aanduidingen:

NEN-EN lasposities

PA   hoeklas onder de hand, V-las onder de hand.

PB   hoeklas uit de zij.

PF   hoeklas of V-las verticaal omhoog stapelen van de las.

PG  hoeklas of V-las verticaal naar beneden lassen van de las.

PD   hoeklas boven het hoofd.

PC   V-las horizontaal uit de zij.

PE   V-las boven het hoofd.

PH  V-las in horizontaal liggende pijp rondom lassen (stapelen).

PJ   V-las in horizontaal liggende pijp rondom lassen (van boven naar beneden).

PK  V-las in horizontaal liggende pijp rondom lassen.

H-L045, V-las in pijp onder 45° rondom lassen  (stapelen).

J-L045, V-las in pijp onder 45° rondom lassen (van boven naar beneden).

Wat is lassen en wat doet een lasser?

Lassen is een verbindingstechniek die onder andere in de werktuigbouwkunde wordt gebruikt. Doormiddel van lassen worden materialen aan elkaar verbonden. Hierbij wordt gebruik gemaakt van druk en warmte. De materialen die worden samengevoegd worden vloeibaar gemaakt. Daarmee verschilt lassen van solderen. Bij solderen wordt alleen het toevoegmateriaal vloeibaar gemaakt en niet het materiaal van het werkstuk.

Bij lassen wordt het materiaal van het werkstuk wel vloeibaar gemaakt om een zo stevig mogelijke verbinding te maken. Daarnaast kan bij lassen gebruik worden gemaakt van verschillende soorten toevoegmateriaal. De toevoegmaterialen hebben invloed op de las maar ook op het lasproces zelf.  Een las is een permanente verbinding die niet uitneembaar is zoals een moet-bout verbinding.

Eigenschappen lasverbindingen
Een verbinding die gemaakt is doormiddel van lassen heeft voor en nadelen. De voordelen van lasverbindingen ten opzichte van andere verbindingen zijn:

  • Een verbinding met een las is stevig. Als deze juist is aangebracht is de las even sterk of sterker dan het omliggende materiaal.
  • Een lasverbinding kan eenvoudig worden aangebracht. Er moet vaak wel een voorbewerking plaatsvinden zoals slijpen maar er hoeven geen gaten geboord te worden om bijvoorbeeld een boutverbinding mogelijk te maken.
  • Lasverbindingen zijn als ze goed worden aangebracht bestand tegen temperatuurswisselingen.
  • Een las die goed aangebracht is ziet er netjes uit. In de scheepsbouw kunnen lassen waarmee  huidplaten worden verbonden zeer netjes worden afgewerkt. Dit zorgt er voor dat ze volledig aan het zicht kunnen worden onttrokken waardoor het casco van een schip er uit ziet als één geheel.
  • Daarnaast zorgen lasverbindingen in leidingen er voor dat er geen open naden ontstaan in leidingen. Een goede gladde lasnaad zorgt er voor dat er geen bacteriën achter of in de naad achterblijven. Een lasnaad kan daardoor voor een hygiënische verbinding zorgen.  Ook de stromingsweerstand is bij een goed aangebrachte lasnaad in een leiding beperkt.

De nadelen van lasverbindingen zijn voor een deel het tegenovergestelde van de voordelen van deze verbindingen. De nadelen worden hieronder benoemd.

  • Een lasverbinding kan niet uit elkaar genomen worden zoals bijvoorbeeld een boutverbinding. Wanneer een las niet goed is gelegd moet deze worden weggeslepen of weg gegutst. Dit is zwaar en tijdrovend werk.
  • Lassen gebeurt over het algemeen met veel warmte. Daardoor kan het materiaal of het werkstuk krom gaan trekken.
  • Lassen is een verbindingstechniek waarbij giftige dampen vrij komen. Deze dampen moeten worden afgezogen door een installatie om de gezondheidsrisico’s voor de lassers en de medewerkers die bij hem in de buurt werken te beperken.
  • Voor lassen is naast lasapparatuur ook beschermende kleding en schoeisel nodig die brandvertragend is. Ook een lashelm is nodig om de ogen te beschermen tegen het licht dat van het lasproces af komt. Ook de omgeving moet tegen het licht van het lasproces worden beschermd om lasogen te voorkomen.
  • Niet alle materialen kunnen worden gelast en voor verschillende materialen heb je een specifiek lasproces nodig.

Lasverbindingen hebben voor en nadelen. Voordat je een las goed kunt aanbrengen moet je goed op de hoogte zijn van de veiligheidsaspecten en moet je weten hoe een las moet worden aangebracht. De meeste lassers in Nederland hebben hiervoor een opleiding of training gehad.

Lasprocessen
Er zijn verschillende lasprocessen ontwikkeld door de jaren heen. Elk lasproces heeft eigenschappen die het proces geschikt maken voor een bepaalde materiaalsoort of een bepaalde situatie. In een bedrijf is beschreven welke lastechnieken worden gebruikt voor een bepaald soort materiaal. Deze beschrijvingen zijn gebaseerd op Europese richtlijnen. Sommige bedrijven hebben te maken met Amerikaanse richtlijnen. Deze richtlijnen worden onder andere gebruikt in de offshore.

Op dit moment worden de verschillende  lasprocessen gebruikt door bedrijven. Deze kunnen voor het overzicht in onderstaande hoofdcategorieën worden ingedeeld. Daarbij zijn een aantal specifieke lasprocessen genoemd die onder de categorie vallen.

  • Booglassen: zoals MIG/MAG lassen, Onder Poederdek lassen, TIG lassen
  • Elektrisch weerstandlassen: zoals puntlassen, rolnaadlassen, weerstandstuiklassen
  • Autogeen lassen: hieronder valt alleen autogeen lassen
  • Druklassen: zoals ultrasoon lassen, gasdruk lassen, explosie lassen
  • Bundellassen: zoals laserlassen, röntgenlassen
  • Overige lasprocessen: zoals infraroodlassen, inductielassen, exothermisch lassen

Lasprocessen blijven in ontwikkeling en veranderen met de tijd. Er komen lasprocessen bij en er verouderen lasprocessen.

Lasposities
Er zijn verschillende lasposities die een lasser in de praktijk kan uitvoeren. Over het algemeen worden de positie onder de hand als de meest eenvoudige laspositie genoemd. Dit is positie PA. Daarnaast zijn er de hoeklassen die met PB worden aangeduid. Uit de zij lassen wordt met PC aangegeven. Een hoeklas boven je macht is positie PD. Helemaal boven het hoofd lassen wordt met PE aangeduid. Voor stapellassen wordt van beneden naar bogen de positie PF toegepast. Van boven naar beneden wordt de positie PG gebruikt. Voor pijp lassen worden daarnaast de posities PH, PJ, PK en H-L-45 graden in gebruik genomen.