Wat is Duplex rvs?

Duplex is een speciale roestvaststaal legering met een hoge sterkte en een grote corrosievastheid. Er zijn verschillende soorten Duplex die allemaal de kenmerkende microstructuur hebben die bestaat uit 50% ferriet en 50% austeniet. Duplex bevat verschillende elementen waaronder chroom en molybdeen. Daarnaast is er in dit materiaal ook een bepaald percentage stikstof aanwezig. Deze samenstelling geeft Duplex een aantal interessante eigenschappen waardoor het materiaal goed gebruikt kan worden in omstandigheden waarin andere metalen en legeringen spoedig zullen worden aangetast en hun sterkte zouden verliezen. Hieronder kun je lezen welke eigenschappen Duplex heeft en waar deze rvs-legering wordt toegepast.

Eigenschappen van Duplex
Duplex is een soort rvs legering. Dat betekent dat Duplex tot de roestvaststaal legeringen wordt gerekend. Het bijzondere van Duplex is dat deze legering een veel betere corrosiebestendigheid heeft dan andere rvs samenstellingen. Ten opzichte van andere rvs-legeringen heeft Duplex een grote weerstand tegen putcorrosie en andere aantastingen die ontstaan door invloeden van buitenaf. Daarnaast heeft Duplex ook een hoge rekgrens. Een ander kenmerk is dat Duplex een laag uitzettingscoëfficiënt heeft. De omvormbaarheid van Duplex is beperkt en bij een lage temperatuur is er sprake van een overgang van een traaie samenstelling naar een bros breukgedrag. Dit zijn echter algemene kenmerken van Duplex. De specifieke eigenschappen van Duplex zorgen er voor dat dit materiaal niet altijd eenvoudig te bewerken is. Lassers die Duplex moeten lassen moeten rekening houden met de specifieke eigenschappen van dit materiaal. Het smeltbad van Duplex is anders dan het smeltbad van gewoon koolstofstaal. Ook dient de lasser gebruik te maken van beschermingsgas en speciaal lasttoevoegmateriaal. De specifieke aspecten waarop gelet moet worden tijdens het Duplex lassen staan in de lasmethodebeschrijving (LMB) of de Welding Procedure Specification (Wps) die is opgesteld door een middelbaar lastechnicus, International Welding Technologist of lasbaas. Er zijn verschillende soorten Duplex op de markt met unieke eigenschappen. Daarover lees je in de alinea’s hieronder meer.

Lean Duplex

In eerste instantie zal je misschien denken: er is toch maar één Duplex op de markt en één Duplex-soort. Was het maar zo eenvoudig. Er zijn verschillende soorten Duplex en de kwaliteit van deze Duplexsoorten verschilt onderling. Zo hoor je op de markt ook wel de term “Lean Duplex”. De term “lean” klinkt natuurlijk interessant vanuit lean management en lean manufacturing. Het woord “lean” betekent echter in dit verband dat men een “afgeslankt” oftewel een vereenvoudigd product in handen heeft. Lean Duplex bevat minder gunstige elementen en minder kwaliteit dan andere Duplexsoorten en is daarom goedkoper. Lean Duplex is echter wel corrosie vaster en sterker dan bijvoorbeeld rvs 316. Dat zorgt er voor dat Lean Duplex in de praktijk toch vaak wordt gebruikt als alternatief voor andere rvs samenstellingen. Er zijn echter ook andere Duplexsamenstellingen op de markt met een veel hogere corrosievastheid en sterkte.

Standaard Duplex 1.4462
De standaard Duplex wordt ook wel aangeduid met Duplex 1.4462. Deze Duplex is al twee keer zo ster als bijvoorbeeld rvs 316. Daarnaast heeft Duplex 1.4462 ook een grotere corrosievastheid dan rvs 316. Duplex 1.4462 is goed beschikbaar op de markt en wordt veel toegepast in bijvoorbeeld de offshore-constructies vanwege de combinatie van de goede corrosievastheid en de grote sterkte van het materiaal. In de offshore komen constructies namelijk onder sterke weersinvloeden te staan en dan is hoogwaardig corrosievast materiaal wel belangrijk en noodzakelijk voor de levensduur en veiligheid van de constructie.

Super Duplex en Hyper Duplex
De termen Super Duplex en Hyper Duplex maken duidelijk dat men niet te maken heeft met vereenvoudigde of ‘afgeslankte’ vormen van Duplex. Super Duplex is bijvoorbeeld nog corrosie vaster dan de hiervoor genoemde Duplex 1.4462. De Hyper Duplex heeft een grotere sterkte die uit komt op 700 N/mm2 of Mpa.

Toepassing van Duplex
Duplex soorten worden in de praktijk vaak toegepast in constructies die te maken krijgen met een sterke corrosieve werking van stoffen maar ook vanuit het weer en het klimaat. Om die reden wordt Duplex vaak gebruikt als alternatief van de gangbare, goedkopere rvs soorten. Duplex wordt bijvoorbeeld toegepast in industrieën en sectoren waarin men te maken krijgt met chemicaliën en bijtende stoffen. Hierbij kun je denken aan de petrochemische sector maar ook aan de voedingsmiddelen industrie waarin het voorkomen van roest een belangrijk aspect is en hoge eisen stelt aan het materiaal. Verder is ook de papierindustrie een belangrijke sector waarin Duplex wordt gebruikt omdat ook in deze industrie wordt gewerkt met chemische stoffen. Ook kan men denken aan een omgeving waarin chloor en zouten inwerken op het materiaal zoals in de zee maar ook in zwembaden. Tot slot wordt Duplex ook in bepaalde onderdelen van gebouwen en complexen toegepast in verband met de stevigheid en duurzaamheid van het materiaal.

Leren lassen

Lassen is het maken van onuitneembare verbindingen tussen materiaal waarbij de uitgangsmaterialen in elkaar worden versmolten door het verhogen van de temperatuur van de contactvlakken. Deze korte definitie zal je niet in studieboeken over lassen aantreffen omdat deze is opgesteld door Pieter Geertsma van Technischwerken.nl. Toch is de definitie breed genoeg om alle verschillende soorten lasprocessen te omvatten. Er zijn een aantal basisaspecten die je moet weten voordat je kunt leren lassen. Hieronder staan een aantal belangrijke aspecten die van belang zijn als men wil leren lassen. Uiteraard wordt daarbij begonnen met algemene aspecten die bij het lassen aan de orde komen. Voor lassen is namelijk ook theoretische kennis nodig.

Smeltbad tijdens lassen
Als je wilt leren lassen is het belangrijk te weten dat bij lassen het maken van een goed smeltbad tussen het uitgangsmateriaal en eventueel het lastoevoegmateriaal van groot belang is voor het creëren van een kwalitatief goede lasverbinding.Het smeltbad is een term die wordt gebruikt voor het vloeibaar maken van de contactvlakken van de materialen die aan elkaar moeten worden verbonden. Dit smeltbad ontstaat door het verhogen van de temperatuur. Dat kan echter op verschillende manieren gebeuren. Zo maakt men bij autogeen lassen gebruik van een brander en maakt men bij MIG/MAG lassen en BMBE lassen gebruik van een elektrische vlamboog of plasmaboog. In het smeltbad kan men ook lastoevoegmateriaal aanbrengen waardoor het smeltbad groter wordt.

Beschermgas
Het is belangrijk dat het smeltbad niet verontreinigd raakt en goed beschermd wordt doormiddel van een beschermgas of backinggas. Dit gas is bij MAG lassen een actief gas, vandaar ook de Metal Active Gas. Actief gas is meestal CO2. Er zijn ook lasprocessen waarbij gebruik wordt gemaakt van een inert beschermgas. Voorbeelden hiervan zijn MIG lassen (afkorting staat voor: Metal Inert Gas) en TIG lassen (Tungsten Inert Gas). Een inert beschermgas zoals argon of helium beschermt het smeltbad nog beter tegen verontreiniging tijdens het lassen en zorgt er voor dat er geen corrosieve werking optreed tijdens het lassen.

Materialen die je kunt lassen
Bij het woord lassen denkt men meestal aan het maken van een onuitneembare verbinding tussen metalen maar met bepaalde lastechnieken kan men echter ook kunststoffen aan elkaar verbinden. Denk hierbij aan het spiegellassen waarbij de uiteinden van twee kunststofleidingen aan elkaar worden verbonden nadat ze eerst tegen een gloeiendhete ‘spiegel’ zijn aangedrukt. Omdat de meeste mensen lassen en lastechniek koppelen aan de metaalsector wordt in deze tekst de nadruk gelegd op de toepassing in de metaaltechniek. In de metaalsector wordt lassen veelvuldig toegepast wanneer de verbinding niet uitneembaar moet zijn. Metaal kan men over het algemeen beter aan elkaar lassen dan lijmen. Ook is een lasverbinding vaak veel effectiever dan een verbinding die doormiddel van solderen tot stand komt.

Ferro of non-ferro
Lasverbindingen worden in de metaalsector toegepast bij verschillende metaalsoorten. Deze metaalsoorten worden onderverdeeld in ferro en non-ferro. Bij ferro-metalen en legeringen bestaat het hoofdbestandsdeel uit ijzer wat gevoelig is voor corrosie of roest. Een voorbeeld hiervan is koolstofstaal dat veel wordt gebruikt in de staalconstructie vanwege de stevigheid en verhoudingsgewijs gunstige prijs. Bij ferro-metaal en legeringen maakt men over het algemeen gebruik van actief gas.

Non-ferro metalen zijn minder gevoelig voor corrosie of hebben een oxidelaag die het onderliggende materiaal goed beschermd zoals bij zink en aluminium het geval is. Soms zegt men dat non-ferrometalen edeler zijn dan ferro-metalen maar dat is niet altijd het geval. Zo staat zink in het periodiek systeem der elementen lager dan ferro terwijl zink toch veel beter bestand is tegen corrosie. Denk hierbij aan het verzinken van staal waarbij het zinklaagje het onderliggende staal beschermd tegen roest.

Non-ferro metalen worden ook wel inerte metalen genoemd en worden daarom gelast met een inert beschermgas of backinggas. Een aantal voorbeelden van Non-ferro metalen zijn aluminium, nikkel en zink. Sommige legeringen bevatten echter wel ijzer maar worden toch beschouwd als non-ferro zoals roestvaststaal dat ook wel bekend is onder de afkorting rvs. Het materiaal dat gelast wordt noemt men ook wel uitgangsmateriaal en bepaald in belangrijke mate welk lastoevoegmateriaal gebruikt kan worden. Het spreekt voor zich dat men voor inert uitgangsmetaal ook een inert lastoevoegmateriaal (lasdraad) gebruikt.

Lasposities
Een las kan in verschillende posities worden aangebracht. Daarbij kan men bijvoorbeeld denken aan onder de hand lassen maar ook recht omhoog lassen wat ook wel stapelen wordt genoemd. Andere posities zijn uit de zij lassen en boven het hoofd lassen. Dit zijn verschillende lasposities en verschillen ook in complexiteit. Zo is boven het hoofd lassen veel moeilijker dan onder de hand lassen.

MLT en IWT
De hiervoor genoemde alinea’s beschrijven algemene informatie die een lasser moet weten om een goede lasverbinding te kunnen maken. Gelukkig hoeft een lasser op theoretisch vlak niet alles te weten. Daarvoor zijn lasspecialisten oftewel lastechnici. Deze specialisten hebben veel kennis van lastechniek en hebben vaak een opleiding Middelbaar Lastechnicus gevolgd. Deze opleiding wordt ook wel afgekort met MLT. Ook de opleiding IWT is mogelijk, dit staat voor International Welding Technologist. In de praktijk heeft men het ook wel over een IWT-er of een MLT-er. Deze specialisten kunnen een lasmethodebeschrijving opstellen of een welding procedure specification. Daarover lees je in de volgende alinea meer

Lasmethodebeschrijving of welding procedure specification
Lassers moeten weten hoe een lasverbinding tot stand moet worden gebracht. Vooral bij complexere werkstukken van hoogwaardige legeringen is het belangrijk dat een lasser precies weet wat er van hem of haar verwacht wordt. Dat is overigens ook het geval bij constructies die worden gemaakt voor de bouw en offshore waarbij een lasser een uitstekende lasverbinding moet leggen omdat er anders grote gevaren kunnen ontstaan met betrekking tot de constructieve stevigheid van producten en constructies.

Bij dergelijke laswerkzaamheden wordt gebruik gemaakt van een welding procedure specification (wps) of een lasmethodebeschrijving (lmb). Deze duidelijke omschrijvingen zijn meestal opgesteld door een International Welding Technologist of een Middelbaar Lastechnicus. In een lasmethodebeschrijving of welding procedure specification staat informatie over het lastproces dat gehanteerd moet worden door de lasser maar ook het lastoevoegmateriaal, het beschermgas en de laspositie die de lasser moet hanteren voor het maken van de lasverbinding. In de praktijk zullen lassers voor het maken van dergelijke lasverbindingen ook persoonlijk gecertificeerd moeten worden. Dit houdt in dat de lasser een lascertificaat moet behalen die gekoppeld is aan zijn of haar naam.

Lasvaardigheid leren
Uit de alinea’s hierboven komt naar voren dat het maken van een lasverbinding niet eenvoudig is. Er is behoorlijk wat theoretische kennis voor nodig om een goede lasverbinding te maken. Het leren van lasvaardigheid is vooral een kwestie van toepassen. Dat houdt in dat men zelf regelmatig moet oefenen met lassen. Dan leert men namelijk een goed smeltbad maken en leert men ook wat het effect is van warmte op metaal. Er ontstaat namelijk krimp en rek in een werkstuk als men bepaalde gedeelten verwarmt en andere gedeelten niet verwarmt. Het lassen is namelijk vooral het lokaal verhitten van het werkstuk.

Een lasser kan echter ook een gedeelte van het werkstuk voorgloeien. Ook dit is beschreven in de lasmethodebeschrijving of welding procedure specification. Lassers zijn vooral praktijkmensen en daarom is het verstandig om met collega-lassers informatie uit te wisselen over hoe een lasverbinding gemaakt kan worden. Veel lassers hebben door jaren ervaring zichzelf truckjes aangeleerd met betrekking tot het vasthouden van de lastoorts en het instellen van het lasapparaat. Lassen is wat dat betreft echt een beroep dat je in de praktijk moet leren. Veel lassers hebben thuis ook een lastoestel staan waardoor ze ook thuis hun lasniveau op peil kunnen houden.

Uiteraard is het verstandig om een lasopleiding te volgen bij een opleidingsinstituut dat goed bekend staat. Veel technische mbo-scholen bieden lasopleidingen aan. Daarnaast heeft ook het Nederlands Instituut voor Lastechnieken (NIL) veel informatie over lastechniek. Lasopleidingen  die erkend zijn door het NIL hebben meerwaarde op de arbeidsmarkt.

Veiligheid en lassen
Lassen is overigens een beroep met risico’s. Tijdens het lassen maakt men gebruik van hoge temperaturen waardoor er een risico is op brand. Daarnaast wordt tijdens het lassen ook een zeer schadelijk UV-licht geproduceerd waartegen de ogen beschermd moeten worden. Lassers moeten in de praktijk altijd de voorschreven persoonlijke beschermingsmiddelen dragen. Dit houdt in dat ze een vlamvertragende lasoverall moeten dragen en een lashelm. De lasdampen moeten worden afgezogen doormiddel van een goed ventilatiesysteem of een lasdampafzuiginstallatie.

Veiligheidsinstructie en personeelsinstructieformulier
Lassers moeten daarnaast ook andere materialen zoals slijptollen en slijpmachines gebruiken conform de veiligheidsvoorschriften. Bedrijven zijn volgens de arbowetgeving verplicht hun werknemers te wijzen op veilig en verantwoord werken. Uitzendbureaus die lassers als uitzendkracht bemiddelen moeten de doorgeleidingsplicht hanteren. Dit houdt in dat deze uitzendbureaus bij de opdrachtgever de veiligheidsvoorschriften en de risico’s op de werkvloer moeten opvragen en doorgeven aan de uitzendkrachten die als lasser gaan werken. Op die manier worden lassers voor de aanvang van de werkzaamheden op de hoogte gebracht van de veiligheidsrisico’s die aan het laswerk verbonden zijn en de manier waarop de veiligheidsrisico’s beperkt kunnen worden. Dit gebeurd onder andere door een personeelsinstructieformulier die veel VCU gecertificeerde uitzendbureaus hanteren.

 

Wat is de keelhoogte van lasverbindingen?

Keelhoogte is de hoogte van de lasverbindingen waarbij men kijkt naar het gedeelte van de lasverbinding die boven het plaatmateriaal uitsteekt, kortom de dikte van de lasnaad. De keelhoogte van een lasverbinding wordt ook wel de a-hoogte genoemd en wordt op een tekening vaak met de letter ‘a’ aangegeven. De keelhoogte is een belangrijke maataanduiding voor een lasser. Wanneer een lasser bijvoorbeeld een te kleine keelhoogte hanteert zal de lasverbinding mogelijk niet sterk genoeg zijn. De inbranding of penetratie van het smeltbad van de lasverbinding zijn hierbij echter ook belangrijke factoren. Als de keelhoogte van de lasverbinding veel te hoog is heeft dit meestal gevolgen voor het materiaal dat door de warmte-inbreng kan vervormen. Een lasser moet daarom de juiste keelhoogte hanteren deze informatie vindt de lasser in de lasmethodebeschrijving (LMB) of de Welding Procedure Specification (WPS).

Lasmethodebeschrijving en Welding Procedure Specification
Het maken van een lasverbinding is precies werk. Een lasverbinding is een verbinding die niet-uitneembaar is. Dat houdt in dat een lasverbinding alleen met geweld uit elkaar gehaald kan worden doormiddel van zagen, knippen, slijpen, gutsen of breken. Dit zijn zeer destructieve methoden daarom is een goede voorbereiding op het lassen van groot belang. Gelukkig hoeft een lasser in de praktijk meestal niet zelf alle informatie te verzamelen voor het maken van de juiste lasverbinding.

Meestal wordt bij het werkstuk een lasmethodebeschrijving (LMB) of een Welding Procedure Specification (WPS) geleverd. Daarin staat het lastoevoegmateriaal, de lasmethode, de laspositie en nog meer relevante informatie voor het maken van de lasverbinding. Ook de keelhoogte of a-hoogte wordt in deze documenten aangegeven. De maataanduiding voor de hoogte van de lasverbinding staat meestal ook op de tekening van het werkstuk doormiddel van de letter ‘a’. Na de letter ‘a’ volgt een maataanduiding in millimeters. De letter ‘s’ kan ook worden aangegeven.

Deze letter ‘s’ staat voor de nominale keelhoogte inclusief inbranding en valt net als de aanduiding voor de keelhoogte onder de ISO 2553 / EN 22553 richtlijnen. Met de inbranding wordt de diepte van het smeltbad van het lasproces bedoelt. Dit is de hoeveelheid van het uitgangsmateriaal dat gesmolten wordt tijdens het lassen. Daar komt de keelhoogte nog bovenop om tot de hoogte te komen die met de letter ‘s’ wordt aangeduid.

Indien er onvoldoende documentatie of informatie wordt gegeven over de lasverbinding die gemaakt moet worden dan zal de lasser zich kunnen wenden tot een lasspecialist. Dit kan een European Welding Technologist,  een International Welding Technologist of een Middelbaar lastechnicus zijn. In de volgende alinea wordt hier iets dieper op ingegaan.

Middelbaar Lastechnicus
Niet alle bedrijven hebben een lastechnicus in dienst maar de bedrijven die een dergelijke specialist in dienst hebben zijn wel in het voordeel als het gaat om specifieke kennis over lasprocessen en lasmethoden. Voor lassers is een middelbaar lastechnicus een belangrijke informatiebron als er onduidelijkheden zijn over de lasverbinding die gemaakt moet worden. Ook een International Welding Technologist of een European Welding Technologist zijn specialisten als het gaat om lasverbindingen. Wanneer deze personen echter niet aanwezig zijn en de lasverbinding niet onder certificaat of lasmethodekwalificatie gemaakt hoeft te worden dan kan de lasser bij het bepalen van de keelhoogte of a-hoogte ook een aantal vuistregels hanteren.


Vuistregels keelhoogte lasverbindingen
Vuistregels moeten alleen gebruikt worden als er geen Lasmethodebeschrijving, geen Welding Procedure Specification, geen tekening en geen aanspreekpunt aanwezig is in de vorm van een lastechnicus of voorman aanwezig is. Ook moet er sprake zijn van lasverbindingen die niet onder een lasmethodekwalificatie vallen. Pas als al deze zaken niet aanwezig zijn kan een lasser met vuistregels de keelhoogte of a-hoogte van de lasverbinding bepalen. Er zijn verschillende vuistregels die hiervoor worden gebruikt. Deze vuistregels gaan allemaal uit van de plaatdikte van het materiaal dat gelast moet worden. Een bekende vuistregels is dat de keelhoogte 0,7 maal de minimale plaatdikte moet wezen. Weer een andere vuistregels is dat de keelhoogte gelijk is aan 0,6 keer de minimale plaatdikte. Daarbij wordt uitgegaan van een volledig rondom gelast product dus niet een buis voor de helft aflassen. Er zijn echter ook andere vuistregels voor het bepalen van de keelhoogte zoals de regel dat de keelhoogte gelijk is aan de helft van de plaatdikte plus 1 millimeter.

Kanttekening bij vuistregels voor de keelhoogte
Vuistregels moeten alleen worden toegepast als verdere informatie ontbreekt en als de lasverbinding niet op certificaat of certificaatniveau gemaakt hoeft te worden. Daarnaast is er nog een belangrijke andere kanttekening namelijk de dikte van de plaat. Bij hele dikke plaatsen zijn de vuistregels niet meer effectief of kunnen ze zelfs zorgen voor een problematische lasverbinding. Immers een hele dikke plaat zou ook een grote keelhoogte van de lasverbinding tot gevolg hebben. Daardoor kan een enorme dikke laag op de lasnaad worden aangebracht wat voor scheuren en andere beschadigingen aan het werkstuk kan zorgen. Meestal moet in die gevallen de las dieper worden aangebracht door een goed smeltbad aan te brengen. Dit kan echter ook voor scheuren zorgen en vereist dat dikke platen worden voorgegloeid tot een bepaalde temperatuur zodat de temperatuur rondom het smeltbad en de temperatuur van de rest van het (plaat) materiaal niet teveel verschilt. Juist het verschil in temperatuur in één plaat kan voor grote krimp en rek scheuren zorgen. Voor het lassen van dikke plaat worden daarom in de praktijk vrijwel altijd een WPS en/of LMB gehanteerd.

Wat is de A-hoogte bij lassen?

A-hoogte is de hoogte oftewel de dikte van een las deze is meestal vastgelegd op een tekening, lasmethodebeschrijving (LMB) of Welding Procedure Specification (WPS). De A-hoogte is belangrijke informatie voor een lasser. Als de A-hoogte van een las bijvoorbeeld te laag is dan kan de lasverbinding niet sterk genoeg zijn. Een te grote A-hoogte kan echter voor andere problemen zorgen. Zo kan een te grote A-hoogte er voor zorgen dat er teveel warmte in de lasverbinding wordt gebracht waardoor het werkstuk kan vervormen of scheuren. Daarom is het belangrijk dat een lasser zorgvuldig te werk gaat bij het bepalen van de A-hoogte en het maken van een lasverbinding. Hieronder is in een paar alinea’s informatie gegeven rondom de A-hoogte voor lasverbindingen.

A-hoogte of keelhoogte bij lasverbindingen
De informatie in de inleiding maakt duidelijk wat onder een A-hoogte wordt verstaan. In de praktijk wordt in de lastechniek echter ook gesproken over een keelhoogte. In feite wordt hiermee hetzelfde bedoelt als de A-hoogte. Meestal heeft men het dan over een keelhoogte met penetratiediepte. De keelhoogte wordt met een letter ‘a’ aangegeven en de keelhoogte met penetratiediepte wordt aangegeven met de letter ‘s’. De letter ‘s’ is dus de A-hoogte inclusief de penetratiediepte van de las. Dit is dus de totale hoogte van de lasverbinding. Tijdens het lassen ontstaat namelijk een smeltbad waardoor de las een deel van het plaatwerk tot smelten brengt dit wordt ook wel de penetratie van de lasverbinding genoemd. De A-hoogte of keelhoogte komt nog bovenop deze penetratiediepte waardoor de maataanduiding ‘keelhoogte met penetratiediepte’ ontstaat oftewel de maataanduiding die wordt aangegeven met de letter ‘s’.

Informatie over A-hoogte voor lasverbindingen
Voor het bepalen van de juiste A-hoogte zal een lasser in eerste instantie altijd de lasmethodebeschrijving (LMB) of de Welding Procedure Specification (WPS) moeten raadplegen. Indien deze er niet is kan de lasser de tekening nalezen. Op de tekening wordt meestal ook een A-hoogte bij de te maken lasverbinding benoemd. Verder is een middelbaar lastechnicus (MLT-ER) ook een belangrijke informatiebron op het gebied van lassen. De middelbaar lastechnicus heeft een specifieke opleiding gevolgd voor lasverbindingen en is bevoegd om de eerder genoemde lasmethodebeschrijving op te stellen. Daarom kan deze lastechnicus een duidelijk en bindend advies geven over de lasverbindingen en dus ook de gewenste A-hoogte van deze verbindingen. In plaats van de benaming ‘middelbaar lastechnicus’ gebruiken sommige bedrijven de benaming ‘European Welding Technologist’ of ‘International Welding Technologist’.

Deze functies worden ook wel afgekort met EWT en IWT. In het vakjargon spreekt men ook wel over ene MLT-er, een EWT-er en een IWT-er. Welke benaming een bedrijf ook gebruikt voor en lastechnicus het feit blijft bestaan dat dit specialisten zijn waar lassers advies kunnen inwinnen over de te maken lasverbinding. Sommige bedrijven hebben echter geen lasmethodebeschrijvingen en maken geen gebruik van Welding Procedure Specifications omdat de lasverbindingen aan minder strenge eisen moeten voldoen. In dat geval kan een lasser gebruik maken van zogenaamde vuistregels om de A-hoogte van de lasverbindingen te bepalen. In de volgende alinea worden een aantal vuistregels genoemd voor het bepalen van de A-hoogte. Het is belangrijk te weten dat de vuistregels die genoemd worden ondergeschikt zijn aan de informatie die in een WPS of LMB staan met betrekking tot de hoogte van een lasverbinding.

Vuistregels voor bepalen A-hoogte
Er zijn verschillende vuistregels voor het bepalen van de A-hoogte. Zo is een algemene vuistregel dat de A-hoogte 0,7 x de dunste plaatdikte moet zijn. Weer anderen hanteren de vuistregel dat de A-hoogte gelijk is aan 0,6 maal de minimale plaatdikte. Daarbij moet de las geheel rondom worden gelast. Er is ook een vuistregel dat de A-hoogte gelijk moet zijn aan de halve plaatdikte plus 1 mm.

Kanttekening bij vuistregels voor A-hoogte
De bovenstaande vuistregels voor het bepalen van de A-hoogte voor een lasverbinding kunnen in de praktijk worden gehanteerd tot middeldikke plaat wanneer deze vuistregels uiteraard niet in strijd zijn met de informatie die is benoemd in de lasmethodebeschrijving en de Welding Procedure Specification. Wanneer een laser echter dikke plaat gaat lasser zal hij of zij er achter komen dat met deze vuistregels veel te dikke lasverbindingen worden gemaakt met alle gevolgen voor het werkstuk van dien. Daarom moet men bij het lassen van dikke plaat altijd een ervaren specialist inschakelen voor het bepalen van de A-hoogte. Dit is belangrijk om scheuren, vervorming en andere ongewenste aspecten te voorkomen.

Wat is fotolassen en wat doet een fotolasser?

In de metaaltechniek hoor je soms de functienaam ‘fotolasser’ ook vraag men wel om lassers die kunnen ‘fotolassen’. Deze benaming is behoorlijk ingeburgerd in de metaalsector maar is behoorlijk vaag. Daarom is in dit artikel informatie gegeven over de termen fotolassen en fotolasser.

Wat is fotolassen?

Fotolassen is een werkwoord maar men kan eigenlijk niet zeggen dat iemand gaat fotolassen. Ook kan iemand niet zeggen zou je die fotolassen even kunnen maken.  De term fotolassen is enkel een benaming voor de kwaliteit waaraan bepaalde lassen moeten voldoen.

Als men het over fotolassen heeft bedoelt men dat de lassen aan bepaalde kwaliteitseisen moeten voldoen. Deze kwaliteitseisen zijn vastgelegd in een lasmethodebeschrijving. De lasmethodebeschrijving is geënt op de lasmethodekwalificatie die het bedrijf heeft behaald. In de lasmethodebeschrijving is vastgelegd hoe een las gemaakt moet worden en via welk lasproces de las gemaakt moet worden door de lasser. Daarin kan zijn vastgelegd dat de las fototechnisch gecontroleerd moet worden. De controle van de las kan namelijk door röntgenfoto’s worden gedaan.

Röntgenfoto’s van lassen

Doormiddel van röntgenfoto’s kan men controleren of de las inderdaad goed is aangebracht door de lasser. Met röntgenfoto’s kan men zien of er geen insluitingen of andere onzuiverheden in de las aanwezig zijn. Een fotolas is pas echt een fotolas als de las de röntgenfototest kan doorstaan. Een voordeel van röntgenfoto’s is dat men de las niet hoeft te vernietigen tijdens deze test. De las blijft in tact. Daarom noemt men deze onderzoeksmethode ook wel Niet Destructief Onderzoek. Dit wordt ook wel afgekort met NDO. Destructief Onderzoek kan ook worden uitgevoerd. Hierbij wordt de las bijvoorbeeld doorgezaagd of uitelkaar getrokjen met een trekproef of breekproef. Het spreekt voor zich dat de lasverbinding dan vernietigd is.

Wat doet een fotolasser?

Een fotolasser is in feite geen functieaanduiding. Iemand is geen fotolasser maar een lasser kan wel lassen leggen conform een lasmethodebeschrijving. Een lasser moet een lascertificaat behalen conform de lasmethodebeschrijving en de lasmethodekwalificatie van een bedrijf. Hiervoor dient de lasser een proefstuk maken met een onafhankelijke getuige er bij. Dit proefstuk wordt gecontroleerd in een speciaal testlab. Tijdens de testen wordt de las op verschillende manieren gecontroleerd.  De manier van controleren worden vastgelegd in het lascertificaat.  Hierin kan bijvoorbeeld staan dat eem breekproef is toegepast of dat men met geluidsgolven (ultrasoon) getest heeft. Ook testen doormiddel van röntgenfoto’s kunnen vastgelegd worden op het lascertificaat.  In het laatste geval zou men kunnen zeggen dat een lasser een las kan maken op fototechnisch niveau. Dan zou je kunnen spreken van een fotolas en een fotolasser.

Aandachtspunten bij het woord fotolasser

Als iemand op fotoniveau kan lassen weet je eigenlijk nog heel weinig. Want je moet weten welk lasproces is gebruikt bij het proefstuk waar de lasser zijn of haar certificaat mee heeft behaald.  Ook moet je weten welk materiaal is gelast en welke dikte dit materiaal had. De vorm van de lasnaad is ook belangrijk. Was dit bijvoorbeeld een V-naad, een X-naad of een K-naad. Het toevoegmateriaal is eveneens belangrijk is er bijvoorbeeld gebruik gemaakt van poedergevulde draad (rutiel), beklede elektrode of andere lasdraad. Dit alles wordt vastgelegd op het lascertificaat van de lasser. Bovendien staat op dit lascertificaat in welke positie de lasser de las heeft aan gebracht. Voorbeelden hiervan zijn onder de hand, uit de zij, stapelen en boven het hoofd. Een bijzondere positie die vaak vereist is in het leidinglassen is G6 of HL 45.

Hierbij moet de lasser een buis of pijp met een bepaalde wanddikte in een positie van 45 graden plaatsen en dan rondom lassen. Een fotolasser kan een mengeling van bovenstaande gegevens op xijn lascertificaat hebben staan. Daarom weet je met de term fotolasser niet precies wat de lasser kan en mag lassen. Als men om een fotolas of fotolasser vraagd zal je altihd moeten nagaan welke lascertificaten precies vereist zijn. Daarbij is ook nog een verschil of de las conform de Europese Normering is gelegd, dit wordt aangeduid met EN, of de Amerkaanse normering welke wordt aangedijd met AWS.

Wat is visuele lasinspectie of visuele controle van laswerk?

De kwaliteit van een lasverbinding is zeer belangrijk. Een lasverbinding is een verbinding die niet- uitneembaar is. Deze verbinding kan men dus niet doormiddel van aandraaien van bouten en moeren verstevigen. Een las moet daarom meteen goed gelegd worden. De manier waarop een las moet worden aangebracht is gebonden aan strenge eisen. De eisen waaraan een lasverbinding moet voldoen zijn vastgelegd in een lasmethodebeschrijving, dit document wordt ook wel een LMB genoemd en is opgesteld door een lastechnicus.

Keuren van laswerk
Laswerk kan op verschillende manieren worden gekeurd. De keuringsprocessen kunnen worden ingedeeld in destructief onderzoek en niet- destructief onderzoek (NDO). Bij de eerst genoemde categorie van keuringsprocessen wordt de las destructief onderzocht. Dit houdt in dat de lasverbinding tijdens het onderzoek wordt vernietigd. Dit gebeurd bijvoorbeeld door de lasverbinding door te zagen, te snijden of uit elkaar te trekken. Het spreekt voor zich dat de lasverbinding na deze onderzoeken totaal vernietigd is.

Bij NDO wordt een lasverbinding niet vernietigd maar op andere manieren, dan hierboven zijn beschreven, onderzocht. Een NDO kan bijvoorbeeld plaatsvinden door met geluidsgolven te controleren of er insluitingen zitten in de las of doormiddel van röntgenfoto’s controleren of de las goed dicht is.

Visuele lasinspectie
De meest eenvoudige vorm van het controleren van laswerk is de visuele lasinspectie. Deze inspectie kan door de lasser zelf worden gedaan of door zijn leidinggevende. Een lastechnicus is speciaal opgeleid om de lasinspectie uit te voeren. De visuele lasinspectie wordt door de desbetreffende persoon gedaan zonder speciale hulpmiddelen. Er wordt gekeken naar de gelijkmatigheid van de las en of de las de juiste A-hoogte heeft. Ook wordt gekeken over er geen sprake is van verbrande lassen, doorbrandingen of randinkartelling. Als deze lasfouten wel aanwezig zijn zal men de las afkeuren. In dat geval kan het werkstuk in de oud-metaalbak of kan men trachten de las er uit te slijpen of te gutsen om een nieuwe las aan te brengen.

Visueel Lasinspecteur Level 1 of Level2
In Nederland kunnen leidinggevenden of andere werknemers in de metaaltechniek en werktuigbouwkunde er voor kiezen om een opleiding of cursus te volgen tot visueel lasinspecteur. Met deze opleiding op zak is iemand geen lastechnicus maar kan men wel goed beoordelen of een las aan de gestelde visuele eisen voldoet. Sommige opdrachtgevers stellen in hun inkoopvoorwaarden dat er een gecertificeerde visuele lasinspecteur aanwezig moet zijn in het bedrijf waar ze hun producten kopen.

Wat is het verschil tussen een verspanende bewerking en een niet-verspanende bewerking?

Vormgevingstechnieken zijn technieken die worden gebruikt om een basismateriaal te vervormen tot een gewenst product. Het hiervoor benodigde basismateriaal kan uit verschillende grondstoffen bestaan, bijvoorbeeld uit hout, kunststof, glas, steen  of metalen. Vervormingstechnieken worden ingedeeld in verschillende bewerkingen. Een voorbeeld van deze indeling is de scheiding tussen verspanende bewerkingen en niet-verspanende bewerkingen. Vooral in de metaalbranche/ metaaltechniek wordt deze onderverdeling gehanteerd. Hieronder zijn de verschillen tussen deze vormgevingstechnieken beschreven.

Verspanende bewerking
Verspanende bewerkingen worden veel toegepast in de werktuigbouwkunde. Hiervoor wordt gebruik gemaakt van verschillende werktuigmachines. Werktuigmachines die verspanende bewerkingen uitvoeren hebben als gemeenschappelijk kenmerk dat er kleine deeltjes van het werkstuk of uitgangsmateriaal worden weggenomen. Voorbeelden van verspanende bewerkingen zijn draaien, boren, frezen en zagen. Ook slijpen en schaven kunnen tot de verspanende bewerkingen worden gerekend. Bij deze bewerkingen worden kleine deeltjes van het werkstuk verwijdert om het werkstuk de gewenste vorm of afmeting te geven. Deze kleine deeltjes hebben meestal de vorm van een spaantje of spanen, daarom wordt de bewerking van deze werktuigmachines ook wel verspanende bewerking genoemd. Verspanende bewerkingen worden vooral uitgevoerd in de werktuigbouwkunde bij bijvoorbeeld het maken van matrijzen of onderdelen van machines zoals lagers.

Niet-verspanende bewerking
Een niet-verspanende bewerking is een bewerking of techniek die wordt gebruikt om uitgangsmateriaal of basismateriaal in een bepaalde vorm te brengen zonder dat daarbij spanen van het werkstuk worden verwijdert. Dit is het grote verschil met een verspanende bewerking of een verspanende techniek.

Lassen
Lassen is een voorbeeld van een niet-verspanende bewerking die veel in de metaaltechniek wordt toegepast. In de praktijk worden verschillende lasmethodes gebruikt om werkstukken te maken. Doormiddel van lassen kan een lasser een niet-uitneembare verbinding maken tussen metalen. Ook kunststoffen kunnen gelast worden. Voor het maken van een goede las moeten verschillende factoren op elkaar worden afgestemd. Allereerst moet het materiaal goed lasbaar zijn. Daarnaast moet men de juiste lasmethode kiezen en het juiste toevoegmateriaal. In de meeste gevallen hoeft de lasser deze aspecten niet zelf uit te zoeken en kan hij of zij navraag doen bij een lasbaas of lastechnicus. Een lastechnicus is iemand met een opleiding International Welding Specialist (IWT) of een opleiding Middelbaar Lastechnicus (MLT). Deze werknemers hebben veel ervaring op het gebied van lassen en alle kwaliteitsaspecten en theoretische aspecten die daarbij aan de orde komen.

Verder wordt bij veel laswerk een lasmethodebeschrijving (LMB) gegeven of een Welding Procedure Specification (WPS). Hierin staat informatie die de lasser moet gebruiken om de las vakkundig te maken conform de Europese of Internationale voorschriften. De lasmethodebeschrijving / Welding Procedure Specification is gekoppeld aan de lasmethodekwalificatie van het desbetreffende bedrijf waar de lasser werkzaam is.

Gieten
Sommige metalen en kunststoffen kan men ook in de juiste vorm gieten. Hierbij komen ook geen spanen aan de orde daarom is gieten een voorbeeld van een niet-verspanende bewerking. Gieten wordt tegenwoordig veel toegepast bij kunststoffen en kan op verschillende manieren worden gedaan. Een voorbeeld hiervan is spuitgieten. Ook extruderen wordt bij kunststoffen regelmatig als vormgevingstechniek toegepast. Naast kunststof wordt ook ijzer en staal in vormen gegoten. Hierdoor ontstaat gietijzer en gietstaal. Kenmerkend voor het gietproces is dat het kunststof granulaat, ijzer of staal eerst in vloeibare vorm moet worden gebracht voordat het gegoten of gespoten kan worden. Over het algemeen moet daarvoor het materiaal verhit worden. Het verhitte materiaal wordt door gieten of spuitgieten in de juiste vorm gebracht. Na afkoeling behoudt het materiaal zijn nieuwe vorm.

Overige niet-verspanende bewerkingen
Voor het plastisch vervormen van metalen platen kunnen ook verschillende niet-verspanende bewerkingen worden uitgevoerd. Hierbij kan men denken aan buigen, walsen, zetten en kanten. Ook dieptrekken, persbuigen, wikkelbuigen en explosief vervormen zijn vervormingstechnieken. Als men gaten wil maken in plaat kan men ook ponsen of snijden. Doormiddel van lasers kan men uitgangsmateriaal in een bepaalde vorm brengen.

Eroderen en vonken
Doormiddel van eroderen en vonken kunnen metalen ook vervormd worden. Hierbij wordt gebruik gemaakt van elektrodes. Het werkstuk vormt een elektrode en daarnaast is er een vormgevende elektrode. Tussen de werkstukelektrode en de vormgevende elektrode wordt doormiddel van een machine een kortsluiting gemaakt. Hierbij ontstaan vonken tussen de elektrodes. Deze vonken zorgen er voor dat er deeltjes van het uitgangsmateriaal worden verwijdert. Deze deeltjes smelten tijdens het processen en lossen op in de hitte van de vonken. Vervolgens worden de restjes van de metaaldeeltjes verwijdert door het diëlektricum. Dit is een speciale olie die niet geleid. In de metaaltechniek wordt eroderen en vonken ingedeeld in de verspanende bewerkingen. Er zijn echter ook metaalbedrijven die eroderen juist een niet-verspanende bewerking noemen.

Wat zijn zwart-wit lasverbindingen of ongelijksoortige lasverbindingen?

Ongelijksoortige lasverbindingen zijn verbindingen die doormiddel van las worden aangebracht tussen materialen waarvan de eigenschappen en samenstelling onderling van elkaar verschillen op fysisch of mechanisch gebied.  Deze lasverbindingen vergen extra aandacht. De lasser moet bijvoorbeeld speciaal lasdraad gebruiken. Een voorbeeld van een ongelijksoortige lasverbinding waarbij specifiek lasdraad moet worden gebruikt is een lasverbinding die gemaakt wordt tussen staal een roestvaststaal (RVS). Deze lasverbinding is een voorbeeld van een zwart-wit verbinding.

Zwart-wit lasverbindingen kunnen worden gemaakt door verschillende lasprocessen zoals bijvoorbeeld het MIG/MAG lasproces, het TIG lasproces en elektrode lassen. Met name de lasdraad is van groot belang bij ongelijksoortige lasverbindingen. Hieronder is in een alinea informatie weergegeven over lastoevoegmateriaal dat gebruikt kan worden  zwart-wit verbindingen.

Lasdraad voor zwart-wit verbindingen
Bij het maken van zwart-wit verbindingen moet een lasser onder andere rekening houden met de lasdraad die moet worden toegepast als toevoegmateriaal. Het lastoevoegmateriaal, dat de lasser moet gebruiken voor het maken van een las, is beschreven in een Welding Procedure Specification WPS of een Lasmethodebeschrijving LMB. In dit document staat hoe de las gemaakt dient te worden en welk lasproces en materiaal daarvoor benodigd zijn. Een WPS of LMB wordt gemaakt door een lastechnicus die daarvoor een gedegen opleiding heeft gevolgd. Dit kan bijvoorbeeld de opleiding Middelbaar Lastechnicus MLT zijn of International Welding Technologist IWT.

Een belangrijk aspect van het maken van zwart-wit verbindingen is de lasdraad. Deze lasdraad is hoog gelegeerd. De lasdraad die gebruik wordt is over het algemeen hoger gelegeerd dan het hoogst gelegeerde metaal dat verbonden dient te worden doormiddel van een las. Het soort lasdraad dat voor zwart-wit verbindingen wordt gebruikt is afhankelijk van de materialen en de eisen die aan de verbinding worden gesteld. Veel voorkomende varianten zijn 307Si, 309LSi, 309LMo en 312. De eigenschappen van deze verschillende soorten zijn divers. Hieronder staan een aantal voorbeelden van lasdraad met specifieke eigenschappen.

  • 307Si is geschikt voor verbindingen met hoge eisen met betrekking tot rek en taaiheid.
  • 309LSi is overgangsdraad dat geschikt voor lasverbindingen die bestand moeten zijn tegen hoge temperatuur.
  • 309MoL is een rutiel gevulde roestvaststaal draad. Deze lasdraad wordt gebruikt voor het lassen van ongelegeerd staal aan RVS (roestvaststaal).
  • 309LP is een rutiel gevulde draad. Deze draad wordt gebruikt voor het lassen in ongelegeerd staal aan roestvast staal in alle posities.
  • 312 is draad dat geschikt is voor verbindingen die een zeer grote treksterkte moeten hebben.

Welke lasverbindingen worden gebruikt in de werktuigbouwkunde?

Lasverbindingen zijn verbindingen die niet uitneembaar zijn. Dat houdt in dat een lasverbinding, in tegenstelling tot een schroefverbinding, niet zonder geweld uit elkaar kan worden gehaald. Een lasverbinding dient daarom professioneel te worden gemaakt door een ervaren lasser. In een Lasmethodebeschrijving LMB of Welding Procedure Specification WPS is aangegeven hoe een las gemaakt dient te worden. Hierin is aangegeven welk lasproces gebruikt moet worden. Dit kan bijvoorbeeld MIG/MAG, TIG of BMBE lassen zijn. Naast deze lasprocessen zijn er nog vele andere lasprocessen die door een lasser gebruikt kunnen worden voor het maken van een las. In een WPS of LMB is tevens beschreven in welke positie de las moet worden gemaakt en welk toevoegmateriaal (lasdraad) moet worden gebruikt. Verder staat in een WPS ook de soort lasverbinding die moet worden gemaakt.

Verschillende lasverbindingen
Er zijn verschillende lasverbindingen die gemaakt kunnen worden door een lasser. De lasverbindingen zijn verdeeld in een aantal verschillende hoofdgroepen. Deze hoofdgroepen zijn:

  • Stuiklas. Deze las wordt ook wel een kopse las genoemd. Deze las wordt zeer veel gebruikt in de werktuigbouwkunde
  • Overlaplas. De overlaplas wordt gebruikt om twee metalen platen die over elkaar heen geschoven zijn aan elkaar te lassen.
  • Oplas. Deze las is een bijzondere las die onder andere wordt gebruikt voor het repareren van bepaalde machineonderdelen en andere werkstukken die zijn afgesleten. Doormiddel van oplassen worden nieuwe laslagen aangebracht over het versleten object zodat het object zijn oorspronkelijke vorm of diameter weer krijgt. Vaak wordt in dat geval het desbetreffende object door een verspaner op de exacte diameter verspaand. Oplassen wordt overigens ook gebruik voor het aanbrengen van een slijtvaste laag op objecten van metaal.
  • T-las. Bij de T-las wordt een plaat met de kopse kant haaks tegen een andere plaat aangelast. De positie van de plaat die met de kopse kant tegen een andere plaat aan wordt gedrukt is zodanig dat aan de bovenzijde een ‘T’ vorm ontstaat.
  • Hoeklas. De hoeklas wordt in de werktuigbouwkunde ook veel gebruikt. Hierbij wordt ook een plaat met de kopse kant tegen een andere plaat aangelast. In tegenstelling tot een T-las ziet men aan de bovenkant niet een T-vorm maar een L vorm of een V-vorm.  De basisplaat waar de tweede plaat tegenaan wordt gelast steekt niet aan twee kanten uit zoals bij een T-las het geval is. In plaats daarvan steekt de basisplaat maar aan één kant uit. Er wordt onderscheid gemaakt tussen en binnenhoeklas en een buithoeklas.
  • Flenslas. Bij een flenslas worden de twee flensen van platen aan elkaar gelast. Een flens aan een plaat kan ontstaan wanneer men de plaat in een hoek van 90 graden buigt. De opstaande rand die dan ontstaat noemt men een flens. Als men de opstaande randen van twee platen tegen elkaar aan drukt en vervolgens een las maakt over de lengte van de flensen maakt men in feite een flenslas.

De lasverbindingen die worden gebruikt zijn afhankelijk van het materiaal dat gelast moet worden en de lastechniek die gebruikt wordt. Daarnaast zijn uiteraard ook de constructie en materiaaldikte van invloed op de lasverbinding die gekozen wordt. Er zijn lastechnieken die voor een specifieke verbindingsvorm worden gebruikt. Daarnaast zijn er ook lastechnieken die voor verschillende verbindingsvormen gebruikt kunnen worden. Een middelbaar lastechnicus kan adviseren op het gebied van de juiste lastechniek. De kennis van een lastechnicus is van belang bij het opstellen van een WPS of een LMB.

Metallurgie en lasverbindingen
Bij het bepalen van een lasmethode kan ook de hulp van en metallurg worden ingeschakeld. Een metallurg heeft een opleiding gevolgd op het gebied van metallurgie. Daardoor heeft deze specialist verstand van de samenstelling en eigenschappen van metalen en legeringen die gebaseerd zijn op metalen. Door deze kennis kan een metallurg goed aangeven welke metalen juist wel of juist niet geschikt zijn voor een bepaalde toepassing. Over het algemeen is bij de meeste bedrijven in de werktuigbouwkunde goed bekend welke eigenschappen de metalen hebben die worden gebruikt. deze eigenschappen kunnen bij de inkoop van metalen worden opgevraagd.

Wat is elektronenbundellassen en waar wordt dit lasproces toegepast?

Elektronenbundellassen is een uniek lasproces waarbij gebruik wordt gemaakt van een bundel elektronen. Dit lasproces wordt ook wel afgekort met EBW. Deze afkorting staat voor het Engelse Electron Beam Welding. Het EBW lasproces is ontwikkelt in 1958 door de Duitse natuurkundige Karl-Heinz Steigerwald. Hij had in dat jaar de eerste praktische elektronenbundellasmachine ontworpen en gemaakt.

Hoe wordt elektronenbundellassen uitgevoerd?
Net als elk ander lasproces is ook bij elektronenbundellassen energie nodig. Deze energie wordt bij elektronenbundellassen aan het werkstuk toegevoegd door gebruik te maken van een bundel elektronen in een elektronenkanon. In het elektronenkanon wordt een bundel elektronen vrijgemaakt. De elektronen worden gefocusseerd en daarnaast worden ze versneld. De versnelling van de elektronen is enorm en gaat wel tot de helft van de snelheid van licht. De elektronensnelheid is daardoor 150.000 km per seconde. De elektronen worden door het elektronenkanon op het werkstuk gericht. Als voldoende vermogen wordt gebruikt zal het metaal plaatselijk op de smelttemperatuur worden gebracht en gaan smelten. Als er nog meer vermogen wordt toegevoegd kan het metaal zelfs gaan verdampen. Met elektronenbundellassen kunnen temperaturen worden behaald van 25.000 Kelvin.

Met de bundel elektronen wordt het werkstuk in bestookt. Elektronenbundellassen kan alleen in een vacuüm worden gedaan omdat een elektronenbundel in gas snel zal verstrooien. Dit is niet erg praktisch, daarom wordt elektronenbundellassen in de praktijk nauwelijks gebruikt. Voor het elektronenbundellassen zal een ruimte eerst vacuüm moeten worden gezogen.

Een belangrijk voordeel van deze lasmethode is dat de bundel elektronen goed kan worden gestuurd. In het vacuüm is geen zuurstof aanwezig. Hierdoor ontstaat geen nieuwe oxide op het metaal tijdens het lasproces. Daarnaast kan de aanwezige oxide doormiddel van het lasproces worden verdampt. Dit is vooral praktisch bij het lassen van aluminium. Bij aluminium is de oxidehuid namelijk een stevige beschermlaag die harder is dan het aluminium dat onder de oxidehuid aanwezig is.

Elektronenbundellassen is geschikt voor verschillende plaatdiktes. In werkstukken met dikke platen kunnen smalle lassen worden gemaakt met elektronenbundels. Zo kunnen in platen van 150 mm dik lasnaden worden aangebracht met een breedte van 5 mm. Hierbij wordt gebruik gemaakt van keyhole techniek net als bij laserlassen.

Waar wordt elektronenbundellassen voor gebruikt?
Met elektronenbundellassen kunnen hoogwaardige lassen worden gemaakt. Dit is een belangrijk voordeel van dit lasproces. Dit voordeel is in sommige gevallen belangrijker dan de praktische uitvoerbaarheid van het lasproces. Onder andere bij gasturbines en de vliegtuigbouw moeten zeer hoogwaardige lassen worden aangebracht op kritische onderdelen. Dit is ook het geval bij onderdelen zoals tandwielen en assen en verschillende soorten aandrijvingen. Deze werkstukken moeten gelast worden op een zeer nauwkeurig niveau. Daarom is elektronenbundellassen voor deze werkstukken wel interessant ondanks het feit dat een vacuümruimte gerealiseerd moet worden alvorens men gaat lassen.

Elektronenbundellassen is overigens ook geschikt voor het verbinden van verschillende metaalsoorten aan elkaar. Zo kan men met dit lasproces aluminium aan staal lassen en kan men brons ook aan staal lassen. Verder is het mogelijk om met elektronenbundellassen gewoon koolstofstaal aan roestvast staal te lassen.

De keuze voor een bepaald lasproces is beschreven in een lasmethodebeschrijving LMB of een Welding Procedure Specification WPS. Mochten er onduidelijkheden zijn over het gewenste lasproces dan is het verstandig of zelfs verplicht om een expert op lastechnisch gebied in te schakelen. Dit kan bijvoorbeeld een lasbaas zijn, een Middelbaar Lastechnicus MLT of een International Welding Specialist IWT.

Welke vier varianten zijn er van het MIG/MAG lasproces?

MIG/MAG lassen wordt zeer veel toegepast in de metaaltechniek en de werktuigbouwkunde. Het lasproces wordt ook wel aangeduid met CO2-lassen. Deze benaming is echter onjuist wanneer deze voor beide lasprocessen wordt gehanteerd. MIG/MAG zijn twee afkortingen die meestal bij elkaar worden genoemd. Toch is MIG niet hetzelfde als MAG-lassen. Het verschil tussen deze twee afkortingen wordt duidelijk wanneer men de afkortingen voluit gaat schrijven.

MIG lassen
MIG is een afkorting die staat voor ‘Metal Inert Gas’, dit maakt duidelijk dat men hierbij gebruik maakt van inerte gassen. Deze gassen zijn niet reactief en gaan dus geen reactie aan met de gassen in de lucht die rondom het lasproces aanwezig is. Voorbeelden van inerte gassen zijn Helium en Argon.

MAG lassen
De afkorting MAG staat voor ‘Metal Active Gas’. Deze afkorting maakt duidelijk dat bij MAG lassen wel gebruik wordt gemaakt van een actief gas, dit in tegenstelling tot MIG lassen. Een actief gas reageert wel op de gassen in de omgeving. Meestal wordt bij MAG lassen CO2 gebruikt of een mengsel dat bestaat uit CO2 en Argon. Voordeel van actieve gassen is dat deze gassen goedkoper zijn dan inerte gassen.

Vier verschillende varianten van MIG/Mag lassen
Naast de twee verschillende soorten gassen die worden gebruikt tijdens het MIG/MAG lassen zijn er ook nog vier verschillende varianten die bij het MIG/Mag lassen horen. Deze varianten zijn kortsluitbooglassen, pulserend lassen, lassen met gevulde draad en openbooglassen. Deze varianten zijn hieronder kort toegelicht.

  • Kortsluitbooglassen is een lasproces waarbij de elektrode van het lastoestel het werkstuk aantikt. Door dit aantikken ontstaat kortsluiting tussen het werkstuk en de elektrode. Hierdoor loopt een zeer hoge stroom door de laselektrode. De laselektrode is de lasdraad die op een rol toegevoerd wordt. De hoge stroom zorgt er voor dat de lasdraad afsmelt. Vervolgens wordt de korsluiting afgebroken. De draad wordt echter vanaf de rol voortdurend toegevoerd. Hierdoor ontstaat een circuit aan kortsluitingen. Daarom wordt kortsluitbooglassen in het Engels ook wel “Shortcut Circuit” genoemd.
  • Pulserend lassen is een lasproces waarbij twee verschillen stroomsterktes worden gebruikt. De basisstroom is constant en zorgt er voor dat de lasboog in stand wordt gehouden. Daarnaast is er nog een pulserende stroom. Deze pulsstroom komt over de basisstroom heen. De pulserende stroom zorgt er voor dat het toevoegmateriaal (de toevoegdraad) smelt. Hierdoor smelten er druppels toevoegmateriaal in het smeltbad. Pulserend lassen zorgt voor minder warmte inbreng tijdens het lasproces. Daardoor kan men beter in verschillende lasposities lassen.
  • Lassen met gevulde draad is een lasproces dat ook bij MIG/MAG lassen kan worden toegepast. De draad die wordt toegevoegd tijdens het lassen is, zoals de naam van het lasproces al duidelijk maakt, gevuld. De draad bevat een poeder die er voor zorgt dat er een slak ontstaat op het smeltbad. Een voorbeeld van poeder dat in de gevulde draad wordt toegepast is rutiel. MIG/MAG lassen met een draad die rutiel gevuld is wordt ook wel lassen met ‘rutiel gevulde draad’ genoemd. Lassen met gevulde draad zorgt er voor dat het smeltbad goed wordt beschermd door een slak, dit gebeurd ook met BMBE lassen (lassen met beklede elektrode). Daarom is MIG/MAG lassen met (rutiel) gevulde draad geschikt voor een omgeving waarbij wind en tocht invloed hebben op het lasproces. Uiteraard dient wind en tocht zoveel mogelijk vermeden te worden tijdens het lassen.
  • Openbooglassen kan ook met MIG/MAG lassen worden gedaan. Hierbij worden deeltjes van de elektrodedraad naar het werkstuk gesproeid. Het werkstuk wordt daarbij niet aangeraakt door de elektrode. De boogspanning is veel hoger dan wanneer men met een gesloten boog last en het werkstuk wel raakt met de elektrode. Tijdens lassen met open boog verstuiven kleine druppeltjes van de elektrode en belanden deze in het smeltbad dat tijdens het lasproces ontstaat. Het openbooglassen is een heet lasproces de draadsnelheid is groter dan bij kortsluitbooglassen.

De keuze van de variant van het MIG/MAG lasproces dat men kiest is afhankelijk van verschillende factoren. Tijd en snelheid kunnen belangrijke factoren zijn voor de keuze van een lasproces. Daarnaast is een goede verbinding en een mooie las ook belangrijk. In een lasmethodebeschrijving of Welding Procedure Specification (WPS) is duidelijk aangegeven welke lasmethode toegepast moet worden en welk toevoegmateriaal gebruikt moet worden. Daarnaast hebben de meeste bedrijven ook een Middelbaar Lastechnicus (MLT) of een International Welding Technologist (IWT) die veel kennis heeft van lasprocessen. Zowel de MLT als de IWT kunnen belangrijke informatie verschaffen over lasprocessen. Deze informatie kan de lasser gebruiken om de juiste lasmethode te gebruiken zodat de gewenste kwaliteit wordt geleverd.

Hoe kan ik leren lassen en waar moet ik met lassen op letten?

Regelmatig worden er in op de technische arbeidsmarkt lassers gevraagd. Iemand die goed kan lassen lijkt vrijwel verzekerd van een leven lang werk. Dit is echter niet altijd het geval. Er is een groot verschil tussen de verschillende lasprocessen en de materialen die gelast moeten worden. Een lasser is meestal ervaren in één of enkele lasprocessen zoals bijvoorbeeld MIG/MAG, TIG, Elektrode of autogeen. Tussen deze lasprocessen zijn grote verschillen. Niet elk lasproces verloopt even snel, TIG lassen verloopt over het algemeen langzamer dan MIG/MAG lassen. Bij sommige lasprocessen moet men zelf handmatig het toevoegmateriaal aanbrengen zoals bij TIG en autogeen lassen en bij andere lasprocessen zoals MIG/MAG lassen wordt het las toevoegmateriaal automatisch via de lastoorts aangevoerd. Ook het gas dat bij lasprocessen wordt gebruikt. Zo kan er gebruik worden gemaakt van actieve gassen (MAG-lassen) en inerte gassen (TIG-lassen). Deze gassen hebben invloed op het lasproces en het materiaal.

De specifieke eigenschappen van lasprocessen zorgen er voor dat een bepaald lasproces wel of niet geschikt is voor een materiaalsoort, laspositie of plaatdikte. Kortom er zijn grote verschillen tussen de lasprocessen. Daar wordt hier niet verder op ingegaan. Er is voor geïnteresseerden meer informatie over lasprocessen te vinden op deze site. Gebruik hiervoor de zoekfunctie. Het is wel van belang om te weten dat de lasmethode die gebruikt moet worden om een bepaalde las te leggen bij veel bedrijven is beschreven in een lasmethodebeschrijving of een WPS (Welding Procedure Specification). Deze beschrijvingen kunnen worden opgesteld door een International Welding Technologist (IWT) of een Middelbaar Lastechnicus (MLT). Deze personen zijn bevoegd om lasprocedures te beschrijven en weer te geven in officiële documenten. Sommige bedrijven noemen deze personen bij de afkorting. Hierdoor ontstaan de functiebenamingen IWT-er en MLT-er.

Algemene informatie over lassen
Lassen is zoals in de inleiding gelezen kan worden niet een eenvoudig beroep. Een las is een verbinding die niet uitneembaar is. Dit houdt in dat een las een definitieve verbinding is die alleen uitelkaar genomen kan worden door het werkstuk te vernielen. Een las kan onder andere worden verwijdert doormiddel van slijpen met een slijptol, zagen of gutsen. Dit kost extra tijd en het werkstuk wordt er niet fraaier op. Daarom moet een lasser goed weten wat hij of zij doet. Een lasser kan verschillende lasopleidingen volgen. Het volgen van deze opleidingen garandeert niet dat de lasser daadwerkelijk ook hoogstaande kwaliteit levert. Daarvoor hebben lassers meestal specifieke lascertificaten nodig. Op een lascertificaat is aangegeven welk lasproces een lasser beheerst, welk materiaal gelast mag worden, wat voor lastoevoegmateriaal gebruikt mag worden, welke plaatdikte en positie mag worden gebruikt. In de eerder genoemde WPS of lasmethodebeschrijving is aangegeven of een certificaat vereist is of niet. Lassers die op gecertificeerd niveau lassen behoren tot de beste in hun vakgebied. Dit is echter niet voor iedereen bestemd. Sommige lassers zullen nooit op gecertificeerd niveau kunnen lassen omdat ze daar eenvoudigweg te weinig aanleg voor hebben.

De eerste stap voordat je gaat leren lassen
Het is belangrijk dat je de keuze voor het beroep lasser weloverwogen maakt. Lasser is een mooi maar ook een zwaar beroep. Werken in verschillende moeilijke posities kan aan de orde komen. Daarnaast zijn ook de lasdampen schadelijk voor de gezondheid. Een lasser kan daarnaast ook last krijgen van de vonken die van het lasproces vrij kunnen komen. Hierdoor kunnen brandwonden ontstaan als de lasser niet de geschikte brandvertragende kleding draagt. Verder dient een lasser zijn of haar ogen te beschermen tegen de schadelijke straling die vrijkomt uit de lasboog. Wanneer de lasser dit niet doet kan de lasser lasogen krijgen. Dit is zeer pijnlijk. Als deze nadelen goed onder ogen worden gezien kan men besluiten om een andere vakgebied te kiezen.

Toch zijn er veel mensen die voor het beroep lasser kiezen. Het is een vakgebied waarbij, kwaliteit, gevoel, inzicht en vakmanschap aan de orde komen. Een gedeelte van de lassen kan worden gelegd door robots. Toch is voor met name het lastige positiewerk altijd een lasser nodig die goed is in het vak. Zodra iemand besluit om het vak lasser te leren zal hij of zij goed moeten kiezen welk lasproces het beste bij hem of haar past.

Er zijn verschillende lasprocessen die voor specifieke werkstukken geschikt zijn. Een aankomend lasser moet daarom zichzelf de vraag stellen in welke omgeving hij of zij later wil lassen. Is dat bijvoorbeeld de machinebouw, staalconstructie, scheepsbouw of in de voedingsmiddelenindustrie. De producten die in deze verschillende gebieden van de werktuigbouwkunde worden gemaakt zijn zeer divers en kunnen soms niet met elkaar worden vergeleken. Daarom zal een aankomend lasser een goede keuze moeten maken. Dit kan door bij lasbedrijven langs te gaan en informatie in te winnen bij scholen waar lasopleidingen worden gegeven. Ook internet is een belangrijke informatiebron. Op internet zijn veel filmpjes te vinden waarin uitleg wordt gegeven over verschillende lasprocessen en verschillende soorten bedrijven. Pas wanneer deze informatie goed is bekeken en overwogen kan men een bepaald lasproces kiezen.

Een lasopleiding kiezen
Stel dat men uit de vorige stap de conclusie heeft getrokken dat men graag als MIG/MAG lasser aan de slag wil. Als iemand overtuigd is dat dit een lasproces is waar men  aanleg voor heeft is het verstandig om een opleidingsinstituut uit te zoeken waar een goede MIG/MAG opleiding wordt gegeven. Tussen opleidingsinstituten zitten vaak grote verschillen met betrekking tot de kwaliteit van lasopleidingen. Veel lasbedrijven weten met welk opleidingsinstituut ze goede ervaringen hebben. Deze adviezen kun je gebruiken om een verstandige keuze te maken.  

Het volgen van een lasopleiding
Zodra iemand een opleidingsinstituut heeft uitgekozen kan hij of zij  voor de zekerheid een proefles aanvragen om te kijken of bijvoorbeeld het MIG/MAG lasproces daadwerkelijk een lasproces is waar men mee verder wil. Als men na het volgen van deze proefles nog steeds overtuigd is van de keuze kan de opleiding worden aangevraagd. Meestal zal worden gestart met MIG/MAG niveau 1. Het is echter ook mogelijk dat iemand tijdens de proefles heeft laten zien dat hij of zij over zeer goede lasvaardigheden beschikt. In dat geval kan men vaak niveau 1 verkort doen en gelijk MIG/MAG niveau 2 volgen. De voorwaarden die hiervoor gelden kunnen verschillen per opleidingsinstituut. Met niveau 1 leert de cursist onder andere een werkstuk onder de hand te lassen. Dit is de meest eenvoudige laspositie. Het werkstuk ligt hierbij meestal horizontaal op de werkbank. Dit zorgt er voor dat de lasser er goed zich op heeft. Dit is belangrijk voor de controle op het smeltbad en het werkstuk. Daarnaast leert de cursist in niveau 1 de basistheorie die hoort bij het lasproces waarvoor de cursist de opleiding volgt. In de lasopleiding voor niveau 2 leert men moeilijker lasposities en krijgt de cursist ook meer theorie over lastechniek. Voor veel lasfuncties is niveau 2 het minimale vereiste waaraan een lasser moet voldoen. Veel lassers beheersen een lasproces op niveau 2 of hoger. Als een lasser zich verder wil specialiseren in lassen zal hij of zij verder moeten gaan met het behalen van niveau 3. Hierbij wordt aandacht besteed aan verschillende hoeknaden waaronder binnenhoeknaden. Het aantal posities waarin gelast wordt is nog uitgebreider. Ook de kwaliteit van de las wordt streng beoordeeld. De las wordt niet alleen visueel beoordeeld maar ook radiografisch. Hierdoor kan gekeken worden of de las niet alleen aan de buitenkant goed is maar ook aan de binnenkant geen onvolkomenheden heeft. Als de cursist niveau 3 heeft afgerond kan hij of zij verder met niveau 4. Dit is een heel hoog niveau. Lassers die een bepaald lasproces op niveau 4 beheersen kunnen in vrijwel alle posities dat lasproces uitstekend uitvoeren. Niveau 4 besteed ook aandacht aan hoe verschillende laslagen over elkaar heen gelegd kunnen worden. Daarnaast wordt de kwaliteit van de las nog strenger beoordeeld. Met niveau 4 van een bepaald lasproces kan een lasser in de praktijk zich op papier goed onderscheiden van andere lassers die een lager niveau op de opleiding hebben behaald. Er zijn maar weinig lassers die uiteindelijk niveau 4 halen van een bepaald lastproces.

Niveau 4 is het hoogste niveau dat op een lasopleiding kan worden gehaald. Toch mogen lassers met niveau 4 in de praktijk niet alles lassen. Er zijn werkstukken, schepen, constructies en machines waarvoor een lascertificaat vereist is. Dit is een specifiek certificaat waarmee aangetoond kan worden dat iemand een bepaalde las uitstekend kan leggen. Hierbij wordt ook aangegeven onder welke positie de las door de lasser gelegd kan worden en welk toevoegmateriaal daarvoor gebruikt mag worden. Ook de plaatdikte en de materiaalsoort wordt aangegeven. Een lascertificaat heeft een bepaalde dekking. Deze dekking is nodig om aan de eisen te voldoen die in een WPS of lasmethodebeschrijving zijn vermeld. Één van de moeilijkste lasposities is het lassen van een pijp onder een hoek van 45 graden. Dit wordt ook wel HL 45 of positie G6 genoemd. Lassers die dit certificaat halen behoren tot de beste lassers die op de arbeidsmarkt actief zijn. Voordat een lasser dit niveau haalt is hij of zij over het algemeen al een aantal jaren actief als lasser.

Ervaring in de praktijk is belangrijk bij lassen
De lasopleiding is natuurlijk een goed begin. Toch kan men met een lasopleiding nog niet zeggen dat men daadwerkelijk een ervaren lasser is. Ervaring is voor lassers van groot belang. Deze ervaring leert de lasser in de praktijk. Dit kan onder andere door bij verschillende bedrijven te werken aan verschillende producten. Veel lassers werken als uitzendkracht aan het begin van hun loopbaan. Hierdoor kunnen ze bij diverse bedrijven ervaren hoe het is om aan bepaalde producten en materialen te lassen. Lassers die thuis zelf een lastoestel hebben kunnen hun vaardigheid zeer goed op pijl houden al is er meestal niemand die hun laskwaliteit kan beoordelen wanneer ze werkstukken thuis hebben gemaakt.

De ideale combinatie is dat men met een basislasopleiding eerst in de praktijk aan de slag gaat. Daar kan de lasser het beste zo jong mogelijk mee beginnen. Wanneer de lasser wat ouder is zal de lasser over meer ervaring moeten beschikken. Daarom moet de oudere lasser over meer papieren beschikken. Deze kan hij of zij door de ervaring in de praktijk over het algemeen zonder veel moeite halen. Toch zal de lasser er niet aan ontkomen dat ook bij lasopleidingen theorie aan de orde komt. Dit moet elke lasser behalen.

Een leven lang lassen kunnen maar weinig lassers. Het is net als bij stratenmakers een zwaar beroep dat voor een behoorlijke fysieke belasting zorgt. Daarom groeien veel lassers op de duur liever door naar een lastechnische functie zoals middelbaar lastechnicus of lasbaas. Ook de positie van voorman of lasinstructeur is voor veel ervaren lassers interessant. Het is echter wel jammer dat veel bedrijven maar weinig mensen op deze positie nodig hebben. Dit is wel van belang om goed te weten.

Wat zijn de voordelen en nadelen van het beroep lasser in de werktuigbouwkunde?

Voordat iemand besluit om lasser te worden is het belangrijk om een goed beeld te hebben van het beroep lasser. Dit is zeker een interessant beroep. Er komt veel vakwerk, gevoel en inzicht in dit vakgebied aan de orde. Toch kleven er ook nadelen aan het beroep lasser. Het is een zwaar beroep waarbij men ook regelmatig in moeilijke posities moet werken. Deze posities zijn niet altijd even ergonomisch verantwoord. Zo kan een lasser gedurende lange tijd voorovergebogen een las leggen. Ook lasposities waarbij men op de knieën moet werken komen aan de orde. Boven het hoofd lassen is ook een lastige positie waarbij de vonken, die bij het lasproces vrijkomen, ook nog op de lasser zelf kunnen neerdalen. Een lasser kan door deze vonken ook brandwonden krijgen. Daarom moet een lasser zichzelf goed beschermen met brandvertragende kleding. Ook lasogen is een risico waarmee lassers te maken kunnen krijgen. Lasogen ontstaan wanneer men in de vlamboog kijkt zonder dat men de ogen voldoende tegen de schadelijke straling beschermd. Lasogen worden als zeer pijnlijk beschouwd en het duurt een dag of twee voordat men daarvan geheel is hersteld.

De las als handtekening
Bovenstaande risico’s schrikken de mensen die een passie hebben voor lassen echter niet af. Lassers die een passie hebben voor lassen willen niets anders dan een zo mooi mogelijke las leggen en zo weinig mogelijk de las nabewerken. Ze beschouwen hun las als een handtekening en die moet netjes zijn. Het slijpen van een las wordt door de meeste lassers beschouwd als een teken dat de las niet netjes gelegd is. Er kunnen echter ook andere redenen zijn om een las te slijpen.

Lassen is niet eenvoudig
Hoewel lassen uitvoerend werk is kan lassen niet als eenvoudig werk worden beschouwd. Een lasser moet met veel verschillende factoren rekening houden tijdens het lasproces. Zo moet een lasser het lastoestel goed kunnen instellen. Dit instelling van het lastoestel heeft te maken met de snelheid waarmee gelast kan worden. Daarnaast moet de lasser ook rekening houden met de warmte inbreng. Teveel warmte inbreng kan er voor zorgen dat het werkstuk vervormd. In sommige gevallen zal men de platen die men aan elkaar last van te voren op een bepaalde temperatuur moeten brengen. Dit wordt door sommige lassers ook wel voorstoken genoemd. Wanneer dit niet gebeurd is het temperatuurverschil tussen de plaats waar de las wordt aangebracht en de rest van de plaat te groot. Hierdoor kunnen door krimp en rek scheuren ontstaan in het werkstuk. In een Welding Procedure Specification WPS of lasmethodebeschrijving is aangegeven in welke mater er voorgestookt moet worden en op welke temperatuur. Deze documenten kunnen onder andere worden opgesteld door een middelbaar lastechnicus of een IWT, International Welding Technologist. De lasser zal de lasmethodebeschrijving of WPS regelmatig moeten lezen en de  temperatuur van het werkstuk goed moeten meten. Ook zal er rekening gehouden moeten worden met het afkoelen van bepaalde werkstukken. Hiervoor kunnen speciale warmhouddekens worden gebruikt.

Afstemmen van factoren in lasproces
Een lasser die op hoog niveau last moet goed in staat zijn om met alle factoren goed op elkaar af te stemmen en het lasproces perfect uit te voeren. Hieraan zijn meestal specifieke lascertificaten verbonden. Een lasser is verplicht om deze certificaten te halen wanneer hij aan hoogwaardige werkstukken werkt die gekeurd worden. Omdat er verschillende lasprocedures, metalen, plaatdiktes, lasposities en toevoegmaterialen worden gebruikt zijn er verschillende lascertificaten. Daarnaast zijn er ook nog verschillende benamingen zoals de Europese Norm en de Amerikaanse norm die met AWS wordt aangeduid. Een lasser die op gecertificeerd niveau last zal goed bij moeten houden hoe lang zijn lascertificaat geldig is en welke posities daarmee gelast mogen worden.

Gecertificeerd lassen
Gecertificeerde lassen worden meestal gekeurd. Dit kan gebeuren via een niet destructief onderzoek (NDO) of een destructief onderzoek. Een NDO onderzoek wordt uitgevoerd door een NDO-er die daarvoor geleerd heeft. Het NDO kan onder andere visueel plaatsvinden, via een röntgen onderzoek aan de hand van foto’s of met bijvoorbeeld geluidsgolven. Een destructief onderzoek kan bijvoorbeeld worden gedaan door de las door te zagen of door een trekproef uit te voeren. Deze testen maken inzichtelijk of de lasser op het niveau last dat in het certificaat is aangegeven. Gecertificeerd lassen is niet voor iedereen weggelegd. Er zijn veel lassers die wel op gecertificeerd niveau willen lassen maar dat in de praktijk niet kunnen. Voor het lassen op gecertificeerd niveau is veel vaardigheid en inzicht vereist. Daarnaast komt er ook veel gevoel voor het lasproces bij kijken. Dat hebben niet alle lassers. De meeste lassers beginnen echter op een laag niveau.

Wat doet een International Welding Technologist IWT of een Middelbaar Lastechnicus MLT?

Een Middelbaar Lastechnicus (MLT) en een International Welding Technologist (IWT) zijn functies uit de werktuigbouwkunde. Ook de functie IWS komt voor in de werktuigbouwkunde, dit is een International Welding Specialist en is een lascoördinator op een lager niveau dan MLT en IWT. Een MLT of een IWT kan worden ingezet als lascoördinator van een bedrijf en controle houden op de lasprocessen. Hiervoor wordt ook wel de functie lasinspecteur gebruikt. De controle van de lasverbindingen vindt plaats onder bepaalde normen. Voorbeelden van Europese normen zijn de EN 1418, EN1090 en de EN3834 daarnaast zijn er ook nog Amerikaanse normen die worden aangeduid met AWS. Een lascoördinator moet goed op de hoogte zijn van de richtlijnen die gehanteerd moeten worden bij het maken van verbindingen doormiddel van lassen op de werkvloer. Daarom heeft een lascoördinator een gedegen opleiding gevolgd.

Opleiding voor International Welding Technologist of Middelbaar Lastechnicus MLT
Er zijn verschillende opleidingen die kunnen worden aangeboden aan medewerkers die worden ingezet als lascoördinator. Deze opleidingen kunnen zowel Engels zijn zoals International Welding Technologist als Nederlands Middelbaar Lastechnicus MLT. Een opleidingsinstituut die deze opleidingen aanbied moet aan de deelnemers van de opleiding de garantie bieden dat de opleiding van voldoende kwaliteit is. Daarom werken opleidingsinstituten die opleidingen aanbieden op het gebied van lastechniek nauw samen met kennisinstituten op het gebied van lastechniek.

Verschillende instituten op het gebied van lastechniek
Er zijn verschillende instituten die zich bezig houden met de ontwikkelingen op het gebied van lastechniek. Een bekend Nederlands instituut op het gebied van lassen is het Nederlands Instituut voor Lastechniek (NIL). Een bekend internationaal instituut voor lastechniek is het International Institute of Welding (IIW). De IIW staat boven de NIL en bied richtlijnen voor de NIL. De NIL zorgt er vervolgens voor dat er richtlijnen worden opgesteld voor de opleidingen die in Nederland worden aangeboden op het gebied van Middelbaar Lastechnicus (MLT) en een International Welding Technologist (IWT).

Verantwoordelijkheden van een Welding Technologist en Middelbaar Lastechnicus MLT
Een MLT-er of een IWT-er kan een lasserskwalificatie begeleiden op de juiste manier. Daarnaast kan hij of zij ook een lasproef coördineren en bijwonen. Een middelbaar lastechnicus kan daarnaast worden ingezet om een las visueel te beoordelen. De resultaten van lasproeven worden door een middelbaar lastechnicus geregistreerd en gerapporteerd. Hierdoor weet de middelbaar lastechnicus welke lasser  bevoegd is om een bepaalde las te leggen die aan de normen voldoet en welke lasser dat niet mag.

Daarnaast kan een middelbaar lastechnicus een WPS schrijven. WPS is een afkorting die staat voor Welding Procedure Specification. In het Nederlands wordt het WPS een lasmethodebeschrijving genoemd. Hierin staat alle informatie die een lasser nodig heeft om een las conform de vastgestelde normen te leggen. Hierbij kan gedacht worden aan het lasproces, de laspositie, de lasdraad en het materiaal dat gelast moet worden. Daarnaast controleert de middelbaar lastechnicus op de werkvloer of de richtlijnen uit het WPS of lasmethodebeschrijving worden nageleefd.

Het certificeren van een lasser mag een middelbaar lastechnicus niet doen zonder dat hij een contract heeft gesloten met een verzekeringsinstantie waarvoor hij de certificeringen moet verrichten.

Wat is een WPS of een lasmethodebeschrijving?

WPS is een Engelse afkorting die staat voor Welding Procedure Specification. Dit is in het Nederlands een lasmethodebeschrijving. De afkorting WPS en het woord lasmethodebeschrijving worden in Nederland beiden gebruikt door bedrijven in de werktuigbouwkunde. Kwaliteit wordt een in toenemende mate belangrijk voor bedrijven. Door het leveren van kwaliteit kunnen bedrijven garanties bieden aan hun klanten en daarmee hun concurrentiepositie verbeteren.

Voor wie is een WPS of lasmethodebeschrijving bedoelt?
Een WPS of lasmethodebeschrijving is een schriftelijk document. Hierin zijn de lasprocedures beschreven die de lasser of lasrobotoperator moet hanteren bij het lassen van zijn of haar werkstuk. De lasmethodebeschrijving zorgt er voor dat lasser en lasrobotoperator weten hoe het werkstuk gelast moet worden en welke materialen en posities daarvoor gebruikt moeten worden. Door het opvolgen van de richtlijnen in deze beschrijving wordt de gewenste kwaliteit geleverd. Een middelbaar lastechnicus (MLT) is onder andere bevoegd om een lasmethodebeschrijving te maken en ziet er samen met een kwaliteitsafdeling op toe dat deze beschrijving op de werkvloer wordt gehanteerd en tot het gewenste resultaat leidt. Uiteindelijk wordt met de WPS of lasmethodebeschrijving een gegarandeerde kwaliteit geboden aan de klant.

Wat staat er in een WPS of lasmethodebeschrijving?
Een lasmethodebeschrijving of WPS bevat alle informatie die een lasser of lasrobotoperator nodig heeft om een las te maken die aan vooraf vastgestelde normen voldoet. De lasser kan in deze beschrijving informatie vinden over het materiaal dat gelast moet worden en welk lasproces daarbij gehanteerd moet worden. Het soort lasdraad en de lasdraaddiameter is beschrijven en de bij behorende ampère range, volt en range in cm per minuut. Ook de warmt inbreng is aangegeven in het aantal Kj per millimeter.

Daarnaast is in een WPS of lasmethodebeschrijving aangegeven wat voor lasnaad aangebracht moet worden en in hoeveel lagen deze moet worden gevuld. Lassen kan in verschillende lasposities daarom wordt in deze methodebeschrijving ook de laspositie aangegeven. Soms moet materiaal worden voorverwarmd om een goede las te kunnen maken. Daarom wordt in de lasmethodebeschrijving informatie weergegeven over de voorverwarmtemperatuur en de voorverwarmmethode wanneer dit van toepassing is.