Uit welke onderdelen bestaat een werktuigmachine?

Werktuigmachine is een algemeen wordt dat kan worden gebruikt voor een grote groep machines. Kenmerkend voor deze machines is dat deze bedoelt zijn om mechanische bewerkingen uit te voeren op een basismateriaal of werkstuk. De bewerkingen die werktuigmachines uitvoeren zijn divers. Over het algemeen worden met name machines die een verspanende bewerking uitvoeren een werktuigmachine genoemd. Hierbij kan gedacht worden aan machines voor het draaien, frezen, boren, zagen, schaven en slijpen van materiaal. Een verspanende bewerking is een bewerking waarbij kleine deeltjes, zoals spaantjes, van het basismateriaal weggenomen worden door een machine. Doormiddel van een verspanende bewerking krijgt het basismateriaal of het werkstuk de gewenste vorm.

Waaruit bestaat een werktuigmachine?
Een werktuigmachine bestaat uit een aantal onderdelen. Deze onderdelen zijn voor elke werktuigmachine nodig om de machine goed te kunnen laten functioneren.  De belangrijkste onderdelen zijn het frame, de aandrijving en de overbrenging van de machine. Deze onderdelen kunnen per machine anders worden vormgegeven en van verschillende materialen worden gemaakt. Over het algemeen worden werktuigmachines van metalen gemaakt. Hierbij kan gedacht worden aan gietijzer, koolstofstaal, gereedschapstaal en roestvast staal. Daarnaast kunnen ook delen van het frame van aluminium worden gemaakt. De behuizing van de machine kan ook van kunststof worden gemaakt evenals delen van het frame. Hieronder is per hoofdonderdeel van de machine beschreven welke aspecten er aan de orde komen.

Frame van werktuigmachines
Het frame van werktuigmachines is een belangrijk onderdeel omdat dat dit onderdeel de werktuigmachine zijn stevigheid en stabiliteit biedt. De machine staat op het frame en de gereedschappen zijn aan het frame verbonden. Hierdoor worden verschillende krachten uitgeoefend op het frame. Het is belangrijk dat het frame van de machine niet verplaatst en niet bezwijkt onder zijn eigen gewicht en de bewegingen die worden uitgevoerd tijdens de bewerking. Het frame van werktuigmachines is meestal van gietijzer gemaakt. Dit ijzer kan in de juiste vorm worden gegoten. Gietijzer is nauwelijks elastisch maar het beschikt over een goede hardheid en stabiliteit. Door de zware massa van het gietijzeren frame is een werktuigmachine stabiel. Deze stabiliteit blijft vaak in stand ook wanneer een verhoudingsgewijs licht onderdeel van het werktuig een ongebalanceerde beweging maakt.

Aandrijving van werktuigmachines
In verleden werden werktuigmachines in beweging gebracht door de spierkracht van mensen of dieren. Daarnaast werd ook gebruik gemaakt van windmolens en watermolens. Een molen maakte bijvoorbeeld gebruik van windkracht om een zaag in beweging te brengen. Een zaagmolen voerde hierdoor een verspanende techniek uit op hout. De spierkracht van mensen en dieren is maar beperkt. Daarnaast kunnen mensen en dieren geblesseerd raken wanneer teveel kracht gevergd wordt. Windkracht en waterkracht hebben als nadeel dat het niet altijd in dezelfde mate aanwezig is waardoor de productie kan verschillen.

Met de komst van de stoommachine konden werktuigmachines doormiddel van stoomdruk worden aangedreven. Dit had de industriële revolutie tot gevolg. Verschillende werkprocessen van mensen werden overgenomen door machines. Stoommachines zijn meestal erg omvangrijk en men heeft voortdurend brandstof nodig om water in stoom om te zetten. Daardoor is de stoommachine voor veel bedrijven niet interessant.

Tegenwoordig wordt daarom bijna overal een elektromotor in werktuigmachines ingebouwd. Deze motoren zijn verhoudingsgewijs klein en in verschillende groten en capaciteiten verkrijgbaar. Elektromotoren verbruiken elektrische stroom. De elektrische stroom is vaak afkomstig uit energiecentrales of kolencentrales waarbij alsnog gebruik wordt gemaakt van stoomdruk om energie op te wekken.

Overbrenging van werktuigmachines
De overbrenging van werktuigmachines is nodig om de beweging van de aandrijving om te zetten in de hoofdbeweging van de machine. Daarnaast kan de overbrenging in sommige gevallen ook worden gebruikt om de aandrijving om te zetten in een voedingsbeweging.  Voor de overbrenging worden tandwielen en V-riemen of tandwielriemen gebruikt.

Wat zijn werktuigmachines en welke bewerkingen voeren deze machines uit?

Werktuigmachine is een algemene term die wordt gebruikt voor verschillende machines. Deze machines hebben met elkaar gemeen dat ze mechanische bewerkingen uitvoeren op materiaal. Met werktuigmachines worden in de praktijk vooral machines bedoelt die een verspanende bewerking uitvoeren op materiaal. Een verspanende bewerking is een bewerking waarbij kleine deeltjes van een basismateriaal weggenomen worden. Deze kleine deeltjes, oftewel spaantjes, zijn overtollig materiaal. Door het wegnemen van de spaantjes ontstaat het producten met de gewenste vorm en afmeting.

NC en CNC werktuigmachines
Werktuigmachines bestaan al geruime tijd. Na de tweede wereldoorlog werden geautomatiseerde werktuigmachines bedacht en ingevoerd. In eerste instantie maakte men ponskaarten waarop de bewerking van de machines werd aangegeven. Deze machines konden de ponskaarten lezen. Machines die volgens dit principe werkten kregen de naam NC-machines. De afkorting NC staat voor het Engelse numerical control. De werktuigmachines werden steeds verder ontwikkelt en geautomatiseerd. Na verloop van tijd werden machines gemaakt die doormiddel van computers werden gestuurd. Deze machines met computerbesturing worden ook wel CNC-machines genoemd. De afkorting CNC staat voor computer numerical controlled.

Verschillende soorten werktuigmachines
Er zijn verschillende soorten werktuigmachines die worden gebruikt om producten te vervaardigden. De machines bewerken hiervoor materialen zoals hout, kunststoffen en metalen. Een groot deel van de werktuigmachines wordt in de werktuigbouwkunde gebruikt. In deze tak van de metaalbranche worden werktuigen, gereedschappen en machines gemaakt. Hiervoor worden verschillende bewerkingen uitgevoerd met machines. Een aantal voorbeelden van deze machines zijn:

  • Boormachines
  • Schaafmachines
  • Slijpmachines
  • Zaagmachines
  • Draaibanken
  • Freesmachines of freesbanken

De beweging van werktuigmachines
Voor het uitvoeren van de bewerking komen delen van de werktuigmachines in beweging. Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen twee bewegingen, de hoofdbeweging, en de voedingsbeweging. Deze twee bewegingen komen bij elke werktuigmachine aan de orde.

De hoofdbeweging
De hoofdbeweging is de beweging die wordt gebruikt om een bewerking uit te voeren op het basismateriaal. Als men bijvoorbeeld kijkt naar de hoofdbeweging van een boormachine dan is dit het draaien van de boor. Bij een draaibank draait het werkstuk en is het ronddraaiende werkstuk de hoofdbeweging. Schaafmachines hebben een lineaire hoofdbeweging. De beitel van de schaafmachine gaat namelijk heen en weer.

De voedingsbeweging
Verder wordt er bij werktuigmachines gebruik gemaakt van een voedingsbeweging. Deze beweging is er op gericht dat het snijgereedschap zich goed richting het basismateriaal verplaatst. Het snijgereedschap kan bijvoorbeeld een boor of een frees zijn. Dit gereedschap wordt tijdens de bewerking richting het basismateriaal, bijvoorbeeld het gereedschapstaal, gebracht. Bij boormachines en draaibanken beweegt het snijgereedschap ten opzichte van het basismateriaal. Bij veel freesmachines wordt het snijgereedschap in de verticale richting bewogen. De frees beweegt zich daarbij dus van boven naar beneden. Het werkstuk wordt bij veel freesbanken in horizontale richting bewogen dus van links naar rechts.

Uitvoeren van de voedingsbeweging
De voedingsbeweging kan zowel door een mechanisch worden gedaan als met de hand. Bij een mechanische uitvoering van de voedingsbeweging wordt gebruik gemaakt van een motor. Deze kan doormiddel van een computersysteem (bijvoorbeeld CNC) worden aangestuurd. Als men de voedingsbeweging met de hand doet brengt men zelf met eigen spierkracht het gereedschap naar het basismateriaal of werkstuk. Dit gebeurd bijvoorbeeld met een kolomboor.

Wat is mechanica en wat wordt in dit vakgebied bestudeert?

Mechanica valt onder de natuurkunde. Deze studie is gericht op het beschrijven en onderzoeken van de manier waarop krachten op systemen en materie werken. De krachten en systemen worden hiervoor geïdentificeerd en beschreven in oorzaak-gevolg verbanden. Mechanica houdt zich bezig met zowel evenwicht als beweging van materie. Beweging ontstaat alleen wanneer er krachten op materie worden uitgeoefend. Daarom is mechanica een leer der krachten.

Mechanica bestaat uit verschillende onderdelen. De onderdelen van mechanica zijn van toepassing op verschillende situaties. De situaties zijn onder andere afhankelijk van de materie en de toestand waarin de materie zich bevind. Zo kan een stof vloeibaar zijn maar ook vast of gasvormig. De uitwerking van krachten kan daardoor verschillend zijn. Daarom is mechanica opgedeeld in verschillende onderdelen. Hierdoor kan men de juiste toepassing hanteren per stof of materie. Een aantal voorbeelden waarin mechanica kan worden toegepast:

  • Kinematica, dit wordt ook wel de bewegingsleer genoemd.
  • Dynamica, ook wel krachtenleer.
  • Statica, wordt ook wel evenwichtsleer genoemd.
  • Kinetica, dit is de samenhang tussen bewegingen en krachten.
  • Aerodynamica, dit zijn gedragingen van gassen.
  • Hydrodynamica, dit zijn gedragingen van vloeistoffen.
  • Sterkteleer, dit is toegepaste mechanica.

Het belang van mechanica
In de techniek is mechanica een belangrijk vak. Op constructies en bewegende machinedelen worden krachten uitgeoefend. Het is belangrijk dat constructies over de juiste sterkte beschikken. Daarom moet een engineer of constructeur goed weten hoe krachten werken op een bepaalde materie. Deze informatie kan net als constructieprincipes worden gebruikt bij het ontwerpen of verbeteren van statische en dynamische constructies. Het vakgebied mechanica wordt onder andere gegeven aan opleidingen in de werktuigbouwkunde en mechatronica. Daarnaast wordt het vakgebied mechanica ook in verschillende andere technische opleidingen aangeboden aan studenten.

Wat is honen of trekslijpen en waarvoor wordt deze verspaningstechniek gebruikt?

Trekslijpen of honen is een techniek die behoort tot de verspaning. Dit houdt in dat honen een bewerkingsmethode is waarmee deeltjes van basismateriaal worden verwijdert tot een product ontstaat met de juiste afmeting. Honen is een slijpmethode waarbij gebruik wordt gemaakt van een slijpapparaat dat voor honen geschikt is. Dit slijpapparaat bevat twee of meer hoonstenen en kan in een boormachine worden geplaatst. Met het slijpapparaat wordt een dun laagje van een cilindervormige binnendiameter weggeslepen. Hierdoor wordt de binnendiameter groter. Honen gebeurd met uiterste precisie. Deze verspaningstechniek is nauwkeuriger dan het gebruiken van een gewone ruimer voor het vergroten van gaten.

Hoonruimer
Voor het honen wordt gebruikt gemaakt van een slijpapparaat. Dit slijpapparaat bevat een ruimer die ook wel hoonruimer wordt genoemd. Een hoonruimer bevat een aantal slijpstenen die ook wel hoonstenen worden genoemd. Dit aantal hoonstenen is verschillend van twee tot zes. Het materiaal van de hoonstenen is aangepast aan het materiaal dat bewerkt moet worden. Er zijn hoonstenen die gemaakt zijn van diamant. Ook zijn er hoonstenen van keramisch gebonden materiaal en kubisch boornitride. De hoonstenen zijn in de lengterichting geplaatst in een houder.

Vrijheidsgraden van hoongereedschap
Hoongereedschap heeft een aantal vrijheidsgraden ten opzichte van het materiaal dat bewerkt moet worden. De vrijheidsgraden zorgen er voor dat het hoongereedschap het gat zonder problemen kan volgen tijdens het honen. De vrijheidsgraden kunnen op twee manieren tot stand worden gebracht. De eerste manier is werken met producten die opgespannen zijn. Hierbij wordt gebruik gemaakt van hoongereedschap dat een cardanaandrijving (aandrijfas met een kruiskoppeling) bevat. De andere manier om vrijheidsgraden te realiseren is het flexibel ophangen van het product.

Hoe gaat honen in zijn werk?
Honen is een verspaningstechniek. Het wordt gebruikt om ronde gaten ruimer te maken. De hoonstenen worden daarvoor in het gat geplaatst. Tijdens het honen worden de hoonstenen tegen de wand van het gat gedrukt. Dit gebeurd doormiddel van een mechanisch of hydraulisch (op oliedruk) systeem. Als men klaar is met honen haalt men de druk van het systeem er af. Vervolgens haalt men het hoongereedschap weet uit het gat en kan men meten of het gat nu de juiste diameter bevat.

Waar wordt honen toegepast?
Honen zorgt voor een hoge nauwkeurigheid op het gebied van maten. De toleranties van de diameter zijn zeer nauwkeurig tot IT-klasse 6 en lager. Ook de vormnauwkeurigheid van honen is uitstekend. De rondheid en rechtheid van de gaten die worden geruimd doormiddel van honen is zeer nauwkeurig. De oppervlaktekwaliteit is hoog. Honen is door deze kenmerken zeer geschikt voor de eindbewerking van gaten die zeer nauwkeurig moeten worden gemaakt op het gebied van kwaliteit en maatvoering. Honen wordt in de praktijk veel gebruikt voor cilinders van verbrandingsmotoren. Doormiddel van honen worden cilinders van motoren op een zeer nauwkeurige wijze op de juiste binnendiameter gebracht.

Banenplannen in 2014 als middel tegen werkloosheid

Het kabinet heeft in verschillende stappen ondernomen om de werkloosheid te verminderen in Nederland. Eén van deze oplossingen is het invoeren van banenplannen. Hiervoor heeft het kabinet 230 miljoen geïnvesteerd. Minister Lodewijk Asscher van Sociale Zaken heeft vrijdag 30 mei 2014 in een brief aan de Tweede Kamer geschreven dat met deze banenplannen in totaal ongeveer 185.000 werkzoekenden aan werk geholpen moeten worden. Dit zal onder andere gebeuren door begeleiding en bijscholing.

De eerste aanvraagperiode voor banenplannen liep van 1 oktober tot 31 december 2013. Over deze periode heeft de minister de balans opgemaakt.  In deze aanvraagperiode zijn in totaal 37 plannen ingediend. Niet alle plannen zijn goedgekeurd. Het aantal plannen dat goedgekeurd is staat op dit moment op 24. De sectoren waar de bannenplannen voor geschreven zijn de chemie, de bouw en de kinderopvang. De reden waarom sommige plannen zijn afgewezen is volgens Asscher dat de afgewezen plannen niet concreet maken dat de maatregelen daadwerkelijk leiden tot een grotere kans op werk voor de betrokkenen.

Verder zijn een aantal plannen ingetrokken. Deze plannen worden alsnog ingediend in de tweede aanvraagperiode. De tweede aanvraagperiode is van 1 april tot en met 31 mei. In 2016 wordt de regeling geëvalueerd.

Inmiddels is 230 miljoen geïnvesteerd maar het totale bedrag dat het kabinet beschikbaar stelt voor banenplannen is 600 miljoen. De voorwaarde die aan de investering van het kabinet wordt gesteld is dat werkgevers en vakbonden in de bedrijfstakken minimaal hetzelfde bedrag investeren in banenplannen. Deze afspraak staat in het sociaal akkoord dat in april 2013 werd gesloten tussen de partijen.

Waarin wordt geïnvesteerd?
De investeringen in de banenplannen komen op verschillende manieren bij de werkloze werkzoekende terecht. Het grootste deel van het geld van de bannenplannen wordt gebruikt voor het begeleiden van ontslagen werknemers naar ander werk. Ook wordt er veel geld uitgetrokken voor het creëren van meer leerplekken en werkplekken voor jongeren. Verder wordt er geïnvesteerd in het verbeteren van de mogelijkheden voor bedrijven om mensen aan te nemen die weinig kans hebben op werk. Scholing is volgens Asscher ook een belangrijk onderwerp waarin investeringen worden gedaan.

Reactie van Technisch Werken
Banenplannen kunnen nuttig zijn voor het vergroten van de kans op werk voor werkzoekenden. Toch is het moeilijk om een algemeen plan te gebruiken voor meerdere werkzoekenden. De profielen van werkzoekenden zijn zeer divers. Mensen die ontslagen worden kunnen op verschillende manieren weer aan werk geholpen worden. Zo kunnen sommige werkzoekenden prima zonder hulp een andere baan vinden terwijl andere werkzoekenden verhoudingsgewijs zeer veel hulp nodig hebben.

Scholing is een goed middel om mensen meer kans op werk te bieden. Vaak is omscholing of bijscholing nodig omdat mensen in het verleden een verkeerde opleidingskeuze hebben gemaakt of te weinig opleidingen hebben gevolgd. Daarom is het belangrijk dat scholen leerlingen goed wijzen op de loopbaanmogelijkheden die ze hebben met bepaalde opleidingen. Sommige opleidingen zijn wel leuk maar bieden geen perspectief op werk. Een eerlijke studievoorlichting is van groot belang voor de verdere loopbaan van leerlingen. Daarnaast moet uitval tijdens opleidingen zoveel mogelijk worden beperkt.

Bedrijven zouden er verder goed aan doen om personeel regelmatig een training of opleiding te laten volgen. Hierdoor wordt de meerwaarde voor het bedrijf vergroot. Daarnaast zorgt goed opgeleid personeel voor meer kwaliteit n wordt de kans op fouten en ongelukken gereduceerd. Als goed opgeleid personeel de organisatie moet verlaten is de kans op werk veel groter. Het is beter om aan werkloosheidpreventie te doen dan de werkloosheid doormiddel van banenplannen op te lossen.

Wat is Teach-in frezen en wat is het verschil met CNC frezen?

Frezen is een verspaningstechniek waarbij kleine stukjes materiaal doormiddel van snijgereedschap (frees) van het basismateriaal worden verwijdert. Doormiddel van frezen kunnen verschillende materialen in de juist vorm worden gebracht. In de praktijk worden verschillende materialen doormiddel van frezen in de juiste vorm gebracht. Voorbeelden hiervan zijn hout en kunststoffen. Het bekendste materiaal dat verspaand wordt doormiddel van frezen is metaal. In verschillende bedrijven in de werktuigbouwkunde en metaaltechniek staat een freesbank om onderdelen en producten te frezen. Een freesbank kan zowel computergestuurd zijn als conventioneel. Bij een computergestuurde freesbank programmeert de frezer de computer die aan de freesbank verbonden is. Bij conventioneel frezen maakt de frezer gebruik van een conventionele freesbank die hij of zij zelf handmatig moet instellen.

Wat is Teach-in frezen?
Teach-in is een nieuwe ontwikkeling in de verspaning. Er zijn verschillende machines waarop een verspaner kan Teach-in verspanen. Er zijn Teach-in draaibanken en Teach-in freesbanken. Teach-in verspanen gebeurd op speciale machines. Hierop zijn computerprogramma’s geïnstalleerd die eenvoudiger zijn dan de besturingsprogramma’s van CNC gestuurde draaibanken en freesbanken.

Een frezer kan in een Teach-in computerprogramma doormiddel van een interactief invulproces gegevens invoeren. Deze gegevens worden door het computerprogramma omgezet in een bewerkingsvolgorde. De bewerkingsvolgorde voert de machine uit op het basismateriaal dat doormiddel van het frezen in de juiste vorm wordt gebracht. Daarnaast wordt aan de hand van de ingevoerde gegevens het toerental bepaald. Op het computerscherm van de machine worden de bewerkingsinstructies getoond aan de frezer. Deze instructies dienen door de frezer opgevolgd te worden. De bewerkingsinstructies zorgen er voor dat de frezer zelf de verschillende onderdelen van het bewerkingsproces niet hoeft te bepalen of uit te rekenen. Teach-in frezen is daardoor een relatief eenvoudige vorm van verspanen.

Verschillen tussen Teach-in en CNC fezen
Met een CNC  freesbank kunnen over het algemeen een grotere diversiteit aan producten worden vervaardigd dan een Teach-in freesbank. Met een Teach-in freesbank volgt de frezer het invulprogramma op en de instructies van de machine die op het beeldscherm worden weergegeven. Een CNC freesmachine dient door de verspaner geheel te worden geprogrammeerd. Dit zorgt voor een breed scala aan mogelijkheden en daarnaast verlangt dit ook meer kennis en vaardigheid van de verspaner die de machine bedient en programmeert.

Waarvoor is Teach-in frezen gebruikt?
Teach-in frezen is eenvoudiger dan CNC frezen. Deze vorm van verspanen is daardoor relatief goedkoop. Teach-in frezen is vooral geschikt voor kleine series en enkel stuks. Deze vorm van frezen heeft een  grote repeteernauwkeurigheid. Naast Teach-in freesbanken zijn er ook Teach-in draaibanken. Doormiddel van Teach-in verspanen worden onder andere machineonderdelen en gereedschapsonderdelen vervaardig. Verschillende bedrijven in de werktuigbouwkunde hebben een Teach-in freesbank of draaibank staan.

Wat is Teach-in draaien en wat is het verschil met CNC draaien?

Het Teach-in draaien is een ontwikkeling van de laatste jaren in de verspaning. Teach-in draaien verschilt van CNC-draaien. Een belangrijk verschil is de eenvoudiger wijze waarop de machine geprogrammeerd wordt. Dit wordt gedaan aan de hand van een computersysteem dat aan de draaibank verbonden is. In dit computersysteem kan de draaier aan de hand van een interactief invulproces de juiste gegevens invoeren waarmee de machine de bewerking uitvoert op het basismateriaal.

De computer maakt  Teach-in eenvoudig
De computer rekent aan de hand van deze gegevens de snede opdeling uit. Daarbij bepaalt de computer van de draaibank tevens het optimale toerental en de bijbehorende spoed voor het product. Via een beeldscherm worden aan de draaier bewerkingsinstructies getoond. Dit zorgt er voor dat de draaier de machine eenvoudiger kan bedienen.

Computergestuurd en manuele bieding mogelijk
De computer van de draaibank kan echter ook worden uitgeschakeld. Door dit te doen functioneert de draaibank als een niet-computergestuurde draaibank en zal de draaier zelf handmatig de machine moeten instellen. De werking van de Teach-in draaibank is door het uitschakelen van de computer in wezen een conventionele draaibank met een beeldscherm dat voor de digitale uitlezing kan worden gebruikt. Een Teach-in draaibank kan zowel manueel bedient worden als computer gestuurd. Een CNC draaibank is echter volledig computergestuurd. Dit houdt in dat bij een CNC draaibank de coördinatie tussen het gereedschap en het werkstuk volledig door de computer wordt geregeld.

Verschillen tussen Teach-in en CNC verspanen
De eenvoudige programmering van de Teach-in draaibank zorgt er voor dat draaiers veel sneller kunnen werken. Een CNC-draaibank vereist meer vaardigheden van de draaier. Een draaier die met een CNC-draaibank werkt moet ervaren zijn in het programmeren van het besturingsprogramma dat op de computer van de CNC-draaibank is geïnstalleerd. Er zijn in de praktijk verschillende besturingsprogramma’s voor CNC-draaibanken. Met een CNC-draaibank kunnen wel veel meer verschillende programma’s worden geschreven. Bij een Teach-in draaibank liggen de programma’s grotendeels vast en moet de draaier alleen de juiste gegevens invullen en aanklikken.

Waarvoor is Teach-in draaien geschikt?
Een Teach-in draaibank is geschikt voor het produceren van enkelstuks of kleine series van bepaalde producten. Daarnaast heeft deze draaibank nog steeds een grote repeteernauwkeurigheid. Naast Teach-in draaien zijn er ook machines waarmee een verspaner kan Teach-in frezen. Omdat de programmering van deze machines sneller gaat, worden kosten bespaard. Dit zorgt er voor dat producten goedkoper aan klanten kunnen worden aangeboden. Daarnaast vereisen deze machines niet de grote mate van ervaring die bij CNC-draaibanken en CNC-freesbanken wel vereist is. Personeel hoeft daardoor minder hoog of minder specifiek opgeleid op te worden.

Wat is een puddeloven en waar wordt deze oven voor gebruikt?

De puddeloven is een oven die wordt gebruikt voor het maken van smeedijzer of staal. Het is een liggende vlamoven die is uitgevonden in 1784 door Henry Cort. In een puddeloven wordt ijzer verhit door een vlam die er overheen strijkt. Hierdoor verandert het ijzer in een deegachtige massa die vervolgens in de juiste vorm kan worden gesmeed. Het ijzer wordt dus in een puddeloven niet gesmolten tot een vloeibare massa. Het smeden van het ijzer werd door een smid gedaan voor het vervormen en voor het verwijderen van de slak.

Een puddeloven werd over het algemeen verhit met steenkool. Door steenkool te verbranden ontstaat een groot vuur. De vlammen van het vuur worden gebruikt voor het verhitten van het ijzer dat in de over wordt gebracht. Daardoor wordt de puddeloven een vlamoven genoemd. De puddeloven heeft vroeger de Frischhaard vervangen. De Frischhaard werd vooral gestookt op houtskool. Deze brandstof werd echter steeds schaarser. Steenkool was als brandstof makkelijker verkrijgbaar vandaar dat de puddeloven efficiënter werd dan de Frischhaard.

Puddelstaal
Het verwerkingsproces van gietijzer naar smeedijzer of staal wordt ook wel puddelen genoemd. Het product dat door dit proces wordt vervaardigd noemt men ook wel puddelijzer. Henry Cort vond in 1784 het dry puddling uit. Later werd in 1839 door Joseph Hall het wet puddling-procedé ontwikkelt. Hierbij werd aan het puddelen ook schroot toegevoegd en later ook ijzerschilfers. Door deze toevoeging werd het puddelproces heftiger en verliep het sneller en efficiënter. Er kon meer worden geproduceerd.

Puddelijzer bevatte in eerste instantie meer koolstof dan smeedijzer. Pas sinds 1835 werd het mogelijk om tijdens het puddelen het koolstofpercentage zover om laag te brengen dat puddelstaal ontstond. Puddelstaal heeft een lager koolstofpercentage dan puddelijzer en gietijzer. De bereiding van puddelstaal vond pas sinds 1850 op industriële schaal plaats. Toch is puddelstaalbereiding nooit heel populair geworden. Er werden namelijk nieuwe processen ontwikkelt voor de bereiding van staal.

Bessemerprocedé
In 1855 deed het Bessemerprocedé zijn intrede. Dit proces werd ontwikkeld door Henry Bessemer (1813-1898’. Hierbij wordt gebruik gemaakt van een convertor die ook wel Bessemerconverter wordt genoemd. Deze wordt met ruwijzer gevuld dat uit hoogovens afkomstig is. Tijdens het Bessemerprocedé wordt dit ruwijzer omgezet in staal. Het koolstofpercentage wordt omlaag gebracht door de koolstof te laten oxideren. Daarvoor wordt lucht door het gesmolten ruwijzer geblazen. Hierdoor verbrand de koolstof en dient de koolstof tevens als brandstof. Dit is een zeer economisch systeem. Als het proces eenmaal in werking werd gezet bleef het op gang.

Vlamoven
Vlamovens werden echter steeds beter en efficiënter. Uiteindelijk zouden vlamovens het Bessemerproces verdringen. Hierbij worden ruwijzer uit de hoogoven vermengd met ijzererts en schroot. De verhoudingen tussen deze verschillende onderdelen van het mengsel dienen zo optimaal mogelijk te zijn. Als dat het geval is verdwijnt een groot deel van de koolstof en zuurstof uit het mengsel in de vorm van koolstofmonoxide. Dit gas werd vervolgens gebruikt om de luchtstroom te verhitten.

Siemens-Martinproces
In 1865 werd het voor het eerst het Siemens-Martinproces toegepast op industriële schaal. Dit is een  raffinageproces waarbij gebruik wordt gemaakt van een oven. Deze oven wordt op temperatuur gehouden door warmte extern toe te voegen. Hiervoor wordt brandstof in de vorm van olie of gas verstookt. De oven wordt gevuld met schroot, kalksteen en ruwijzer. De kalksteen zorgt er voor dat de silicaten uit het ganggesteente worden gebonden tot een slak. De slak drijft op het vloeibare staal en wordt afgegoten in een slakkenpan. Door de oxidatie en verbranding reduceert het koolstofpercentage van het gesmolten ruwijzer en schroot. Hierdoor ontstaat staal.

Oxystaalproces
Het oxystaalproces heeft in de twintigste eeuw vrijwel geheel het Siemens-Martinproces vervangen. Tijdens dit proces wordt oxystaal vervaardigd. Dit wordt ook wel geschreven als oxistaal. Dit staal wordt vervaardigd in een convector die gevuld is met staalschroot en vloeibaar ruwijzer. Het percentage schroot is vijfentwintig procent en de overige vijfenzeventig procent bestaat uit vloeibaar ruwijzer. Aan de bovenkant van de convector wordt met een lans zuiver zuurstof op het gesmolten schroot en ruwijzer geblazen. Dit zorgt er voor dat de koolstof oxideert en verbrand. Dit gebeurd ook met de magnesium en silicium die zich in het mengsel bevinden. Het oxystaalproces verloopt heel snel. Daardoor kan ik een korte tijd veel oxystaal worden geproduceerd. De snelle productie zorgt er voor dat een groot deel van het staal in de wereld wordt vervaardigd doormiddel van het oxystaalproces.

Google presenteert zelfrijdende auto in mei 2014

Google is al geruime tijd bezig met het ontwikkelen van zelfrijdende auto’s. Tot voor kort werd de nieuwe technologie bij bestaande auto’s geïmplementeerd in de boordcomputers en andere systemen aan boord van bestaande auto’s. Deze auto’s hadden dan nog gewoon een stuur een rempedaal en een gaspedaal. De nieuwe auto van Google is compleet als zelfrijdende auto vormgegeven. Deze auto heeft dan ook geen pedalen en geen stuur. De zelfrijdende auto van Google ziet er aan de buitenkant uit als een klein compact stadsautootje en heeft twee zit plaatsen. Momenteel worden er nog verschillende testen gedaan met het prototype van Google. Er worden in totaal 100 exemplaren gemaakt van de zelfrijdende auto van Google. In de loop van 2014 worden met deze auto´s verschillende testritten gemaakt in de Amerikaanse staat Californië.

Techniek van zelfrijdende auto´s
Het is niet eenvoudig om zelfrijdende auto´s te maken. Deze auto´s zijn uitgerust met veel elektronica. Verschillende camera´s en sensoren nemen de rol van de menselijke bestuurder over. De inzittenden van de auto moeten er volledig op kunnen vertrouwen dat de sensoren en camera´s optimaal werken. Veiligheid staat voorop. Door het ontbreken van een stuur en pedalen kan de bestuurder zelf niet rechtstreeks ingrijpen. Dit is vooral problematisch wanneer er onvoorziene situaties in het verkeer ontstaan. Het vereist zeer hoogwaardige elektronica van auto´s als deze moeten kunnen anticiperen op noodsituaties. Voor een optimaal werkende zelfrijdende auto is zeer veel technologie nodig. Google heeft zelf veel technologie ontwikkelt maar wil graag samenwerken met verschillende bedrijven om uiteindelijk een chauffeurloze auto te ontwikkelen die daadwerkelijk op de markt gebracht kan worden.

Zelfrijdende auto´s en de wet
De technologie met betrekking tot zelfrijdende auto´s kan zeer ver gevorderd zijn, het blijven natuurlijk auto´s en daarvoor zijn wetten gemaakt. In de Amerikaanse staat Californië moeten auto´s voorzien zijn van een stuur en pedalen anders mogen ze niet deelnemen in het verkeer. Daarom worden de zelfrijdende auto´s van Google die in Californië op de openbare weg getest zullen worden uitgerust met een stuur en pedalen. In de Amerikaanse staat Nevada mogen zelfrijdende auto´s al op de weg rijden. Deze auto´s zijn in deze staat in 2012 toegestaan op de openbare weg. Daarmee is Nevada de eerste staat waar deze auto´s mogen rijden.

Zelfrijdende auto´s in Nederland
In Nederland zijn ook verschillende bedrijven bezig met het ontwikkelen van technologie die zelfrijdende auto´s mogelijk maakt. In 2013 reed in Nederland al een  auto over de A10 die uitgerust was met de moderne technologie. Deze auto was tot stand gekomen door een samenwerkingsverband met de naam DAVI. Het was een bestaande auto die werd uitgerust met nieuwe technologie waardoor de auto zelf zijn koers kan bepalen en de juiste afstand kan houden ten opzichte van de medeweggebruikers. Verschillende automerken zoals BMW en Daimler zijn ook bezig met het ontwikkelen van moderne technologie voor zelfrijdende auto´s.

Reactie van Technisch Werken
De technologie van zelfrijdende auto´s wordt steeds beter. Toch zal het vermoedelijk wel een hele tijd duren voordat een groot deel van de auto´s op de openbare weg zelfrijdend zijn. Veel automobilisten zullen er aan moeten wennen dat het voertuig het waarnemingsvermogen en het beslissingsvermogen overneemt van de bestuurder. Daarnaast moet ook in Nederland de wet worden aangepast. Verder is het onduidelijk wie er verantwoordelijk is bij een botsing. Is dat bijvoorbeeld de fabrikant van de auto of is de inzittende verantwoordelijk terwijl deze in feite de auto niet bestuurd.

Energielabels op witgoed zorgen voor onduidelijkheid

Op witgoed zoals wasmachines en droger wordt doormiddel van energielabels duidelijk gemaakt hoe energiezuinig het desbetreffende apparaat is. De Consumentenbond deed onderzoek naar energielabels   en het effect daarvan bij klanten. Daarvoor had de bond tijdens het onderzoek de energielabels van verschillende apparaten vergeleken met het daadwerkelijke energieverbruik. Hiervoor werden onder andere vaatwassers, wasmachines, wasdrogers, koelapparatuur en vriesapparatuur getest.

Uit dit onderzoek trekt de Consumentenbond dinsdag 27 mei 2014 de conclusie dat energielabels vaak voor verwarring zorgen en daarnaast niet accuraat zijn. Volgens de Consumentenbond is de rangorde met betrekking tot de zuinigheid van apparaat vooral onduidelijk. Een  A+label op een apparaat kan voor dezelfde energiezuinigheid gelden als een A+++ label op een apparaat. Dit stelsel zorgt er volgens de organisatie voor dat consumenten in verwarring worden gebracht. Het stelsel is op dit moment ingericht van de letters D tot en met de aanduiding A+++. De letter D staat voor de minst zuinige apparaten en de aanduiding A+++ is van toepassing op de apparaten die het meest zuinig zijn. Vooral de verschillende gradaties tussen A en A+++ zorgen volgens de Consumentenbond voor verwarring.

De Consumentenbond pleit voor een herziening van het stelsel met betrekking tot de energielabels. Het witgoed is energiezuiniger geworden de afgelopen jaren. De labeling met betrekking tot deze energiezuinigheid is echter niet met deze ontwikkelingen meegegaan volgens de Consumentenbond.

Reactie van Technisch Werken
Nederland is een land van keurmerken en labels geworden. Er zijn zoveel verschillende keurmerken en labels dat consumenten in verwarring komen. Dat is niet alleen het geval bij de labeling voor de energiezuinigheid van machines.

De consumenten in Nederland moeten bijna een studie volgen als ze een apparaat willen aanschaffen en daarbij duurzaamheid en energiezuinigheid als belangrijke factoren willen laten meewegen. De opmerkingen van de Consumentenbond zijn daardoor zeker terecht. Omdat machines en apparaten in toenemende mate energiezuinig worden komt er telkens weer een niveau op het gebied van energiezuinigheid bij. Daardoor zijn de plustekens toegevoegd achter het energielabel A. Dit had men misschien beter andersom kunnen doen en energielabel A als het minst zuinige kunnen aanhouden en vervolgens tot aan de letter Z (van Zuinig) nieuwe gradaties aan kunnen maken.

In ieder geval moet het stelsel worden vernieuwd. Op een gegeven moment staan er te veel plustekens achter de letter A. Dit zorgt alleen maar voor een toename van de verwarring. Het vernieuwen of herzien van de labeling is echter wel een flinke klus. Dit is een behoorlijke klus voor fabrikanten en voor winkels en andere verkooppunten zoals internet. Het veranderen van energielabels zal daardoor wel veel ‘energie’ gaan kosten.

Werkzoekenden zochten in 2013 lang naar een baan

Het Centraal Bureau voor de Statistiek publiceerde cijfers over de termijn die werkzoekenden nodig hebben om werk te vinden. Hieruit kwam naar voren dat werkzoekenden in 2013 verhoudingsgewijs langer zochten naar een baan dan in 2012. In 2013 zochten werkzoekenden lang naar werk. Van de werkzoekenden zocht 29,1 procent in 2013 langer dan twee jaar naar een betaalde baan. In 2012 zocht 21,5 procent van de werklozen op de arbeidsmarkt langer dan twee jaar naar betaald werk. De verschillen tussen provincies zijn groot. In bepaalde provincies zochten werknemers verhoudingsgewijs lang naar werk. In de provincie Groningen zocht 37 procent van de werklozen langer dan twee jaar naar betaald werk in 2013.

In de provincie Noord-Holland zochten werkzoekenden verhoudingsgewijs minder lang naar een baan. Ongeveer 25,9 procent van de werkzoekenden deed er twee jaar of langer over om een betaalde baan te vinden. Ook provincie Utrecht stond er ten opzichte van andere provincies redelijk voor. In die provincie zocht 26,1 procent van de werkzoekenden  langer dan twee jaar na een baan.

Ten opzichte van de periode voor de crisis waren de percentages langdurig werkzoekenden verhoudingsgewijs hoog in zowel 2013 als 2012. In 2002 was het aantal werkzoekenden dat meer dan twee jaar nodig had om een baan te vinden nog slechts 16 procent ten opzichte van het totale aantal werkzoekenden.

Reactie van Technisch Werken
Het vinden van werk is niet eenvoudig in crisistijd. Het vacatureaanbod is gering en het aantal werkzoekenden is verhoudingsgewijs groot. Met name voor functies die bestemd zijn voor lager geschoold personeel is er veel aanbod aan werkzoekenden op de arbeidsmarkt beschikbaar. Voor veel lager functies nemen bedrijven tegenwoordig personeel aan met verhoudingsgewijs hoge opleidingen. Hierdoor verdringen hoger opgeleide werkzoekenden de lager opgeleide werkzoekenden.

Een andere ontwikkeling is de aarzeling die veel bedrijven in 2012 en 2013 hadden om personeel aan te nemen. Deze aarzeling ontstond door de onduidelijkheid over de productie en de aanvragen die klanten hadden. Het aannemen van personeel zorgt er voor dat bedrijven een financieel risico aangaan. Als het personeel namelijk niet werkt zal het bedrijf er voor moeten zorgen dat het personeel voor de duur van het contract doorbetaald krijgt. Een goed beeld van de productie is daardoor van groot belang. Zonder een goed beeld op dit gebied aarzelen bedrijven om personeel aan te nemen. Soms zetten bedrijven desondanks vacatures online. De onzekerheid zorgt er voor dat bedrijven lang wachten met het aannemen van personeel. Sollicitatieprocedures nemen in crisistijd verhoudingsgewijs veel tijd in beslag. Bedrijven willen er zeker van zijn dat ze een goede werknemer aannemen en dat er voldoende werk is voor de nieuwe werknemer.

Een tussenoplossing is het inschakelen van uitzendbureaus en andere arbeidsbemiddelingsbureaus. Deze bureaus worden vooral inschakelt als de crisis ten einde komt en de economie weer gaat groeien. Daarom worden uitzendbureaus ook wel de graadmeter van de economie genoemd. In 2014 is er een duidelijke groei te merken in de aanvragen van bedrijven voor flexibel personeel. Dit is onder andere merkbaar in de technische sector. Technisch personeel was aan het begin van 2014 nog goed vindbaar op de arbeidsmarkt. Hierdoor konden veel technische uitzendbureaus personeel plaatsen op technisch uitvoerende functies. Voor leidinggevende vacatures en middenkaderfuncties in de techniek was aanzienlijk minder goed personeel te vinden. Bedrijven schakelen voor specialistische technische functies naast technische uitzendbureaus ook bureaus in die zijn gericht op technisch recruitment.

Deze arbeidsbemiddelingsbureaus gebruiken hun eigen netwerk om geschikt technisch personeel te vinden voor hun opdrachtgevers. De opdrachtgevers stellen hoge eisen aan kandidaten. Dit zorgt er voor dat veel kandidaten voor specialistische functies bij bedrijven weggehaald worden. De arbeidsmarkt in de techniek komt weer in beweging en bedrijven zullen er alles aan doen om hoogwaardig technisch personeel aan hun te binden zodat ze niet overstappen naar hun concurrenten.

Wat is recyclen en recycling?

Recycling is in Nederland een term die wordt gebruikt voor het opnieuw gebruiken van materialen en grondstoffen van producten. In  Vlaanderen wordt dit proces ook wel recyclage genoemd. In tegenstelling tot hergebruiken worden bij het recyclen geen producten of onderdelen van producten opnieuw gebruikt. in plaats daarvan wordt een afvalstof omgezet in een nieuw producten. Voor recycling heeft men dus afval nodig. Uit het afval worden grondstoffen gehaald die gebruikt kunnen worden voor de fabricage van nieuwe producten. Recyclen kan worden vertaald met het opnieuw in de omloop brengen van grondstoffen. Dit proces kan op verschillende manieren gebeuren. Grofweg kan men recycling verdelen in twee verschillende groepen:

  • Recycling van de grondstoffen voor een vergelijkbaar doel. Bij deze vorm van recycling verwerkt men grondstoffen zoals glas, papier en plastic  tot nieuwe producten die van deze materialen gemaakt zijn. Bij sommige producten die door deze vorm van recyclen ontstaan worden van lagere kwaliteit. Dit is bijvoorbeeld het geval bij producten die van gerecycled papier of plastic worden gemaakt. Als de kwaliteit van  gerecyclede producten lager is dan de kwaliteit van de oorspronkelijke grondstof dan spreekt men ook wel van downcycling.
  • Recycling van de grondstoffen voor andere doeleinden komt ook voor. Zo kan men bijvoorbeeld plastic maken van aardolie en vervolgens het plastic verbanden om energie te krijgen. Dit zou men bijvoorbeeld ook kunnen doen met hout. Houtpallets kunnen worden gebruikt in energiecentrales als bijstookhout of biomassa.

Inzamelen en sorteren van afval
Het is belangrijk dat de grondstoffen goed gescheiden zijn zodat men deze stoffen effectief kan gebruiken in productieprocessen voor nieuwe producten. Daarom is een goede recycling afhankelijk van het scheiden van afval. Dit scheiden van afval gebeurd op basis van de grondstoffen. Glas wordt in een glasbak gedaan, groente fruit en tuinafval in een GFT container en plastic wordt in speciale containers voor plastic gedaan. Ook papier wordt gescheiden ingezameld.

Afval wordt niet overal in Nederland op dezelfde manier gescheiden ingezameld. Bepaalde gemeenten zijn hierin verder ontwikkelt dan andere gemeenten. Hierdoor zijn er in Nederland een grote diversiteit aan containers. Deze containers kunnen zowel van particulieren zelf zijn als van bedrijven die het afval produceren. Daarnaast zijn er verschillenden afvalcontainers en afvalbakken die van de gemeente zijn en in straten of parken zijn geplaatst.

Afval kan het beste gescheiden worden in containers maar het is soms ook mogelijk om afval na inzameling te scheiden. Door bijvoorbeeld gebruik te maken van magneten kan men metalen uit het afval scheiden. Voor glas, papier en plastic is het scheiden na inzameling aanzienlijk moeilijker en arbeidsintensiever.

Kleine windmolens een oplossing voor duurzame energie?

Windenergie is een onderwerp dat volop wordt besproken in de lokale en landelijke politiek. Men heeft het vooral over grote windmolenparken en de kosten die daaraan verbonden zijn. Een grote windmolen kan natuurlijk veel energie opwekken. De omvangrijke windmolens zijn echter van grote afstand te zien en zorgen er voor dat een landschap structureel verandert. De meningen over deze verandering zijn verdeeld. Sommige mensen vinden windmolens mooi terwijl andere mensen de windmolens lelijk vinden. Er komen echter alternatieven op de markt voor windenergie. Één van deze alternatieven is een kleinere compacte windmolen.

Liam F1 Urban Wind
Een voorbeeld van een kleine windmolen is de Liam F1 Urban Windturbine. Deze windmolen werd onthult op dinsdag 27 mei 2014 door het ontwikkelingsbedrijf the Archimedes. De Liam F1 Urban Wind heeft de vorm van een nautilusschelp en is veel compacter dan de enorme windmolens die in windmolenparken zijn geplaatst. Desondanks ie het rendement van deze manshoge windturbines zeer groot. De Liam F1 Urban Wind is op het gebied van vormgeving en werking gebaseerd op de theorieën van de Griekse geleerde Archimedes en de natuur.

De diameter van de windturbine is ongeveer anderhalve meter. Hierdoor is de compacte windmolen op veel meer plaatsen inzetbaar. Bedrijven en huishoudens zouden de compacte Liam F1 Urban Wind bijvoorbeeld op hun dak kunnen zetten net als tegenwoordig gebeurd met zonnepanelen. Een groot voordeel voor de Liam F1 Urban Wind is dat deze windmolen in tegenstelling tot de grote windmolens ook nauwelijks geluid produceert. De eerste Liam F1 Urban Windmolen is in Rotterdam geplaatst op het dak van het kantoor van Stadshavens. Deze zomer wordt de windmolen op de markt gezet en is te koop voor ongeveer vierduizend euro. Dit bedrag zou volgens de ontwikkelaars van de compacte windmolen terugverdient kunnen worden in 8 tot 15 jaar.

Meer kleine windmolens
Gerard van Bussen windmolenexpert van de TU Delft geeft aan dat er veel ontwikkelingen zijn op het gebied van windmolens. Ieder jaar komen er volgens hem kleine bedrijfjes bij in Nederland die zich richten op de ontwikkeling en productie van compacte windmolens. Voor deze bedrijven is het grootste probleem de lage stroomprijs. De productiekosten van windmolens zijn verhoudingsgewijs hoog. Dit zorgt er voor dat het moeilijk wordt om windmolens op korte termijn terug te verdienen. Gerard van Bussen heeft zijn twijfels over het terugverdienmodel dat de makers van de Liam F1 Urban Wind hebben voorspelt.

Windchallenge
Windchallenge is een voorbeeld van een klein bedrijf dat zich richt op de ontwikkeling en productie van kleine windmolens.  Dit bedrijf merkt een stijging in de omzet maar deze stijging is wel langzaam. Op dit moment heeft het bedrijf vijfentwintig windmolens verkocht. De klanten voor deze windmolens zijn met name bedrijven. Sander Mertens van Windchallenge is positief over de toekomst van kleine windmolens. De plek waar de windmolens worden geplaatst is vooral belangrijk. Windmolens moeten volgens Sander zo hoog mogelijk worden geplaatst zodat ze veel wind kunnen vangen. Daarom moeten windmolens vooral op hoge gebouwen worden geplaatst. Daar is het rendement het hoogst. Daarnaast moeten volgens Sander meer kleine windmolens worden geproduceerd. Door een hoge productie kunnen de productiekosten omlaag worden gebracht. Daardoor kunnen de kleine windmolens tegen lagere prijzen op de markt worden gebracht.

Reactie van Technisch Werken
Windenergie en zonne-energie zijn belangrijke duurzame energiebronnen. De productie en het onderhoud van windmolens en zonnepanelen brengt op dit moment nog redelijk hoge kosten met zich mee. Deze kosten moeten omlaag zodat de prijzen door duurzame middelen voor het opwekken van energie omlaag kunnen. Duurzaamheid is een populair onderwerp in Nederland en Europa. Dat is een groot voordeel. Veel bedrijven kiezen er voor om te investeren in duurzame energiebronnen. Dit zorgt voor een goede naam voor een bedrijf. Toch moet het rendement niet uit het oog verloren worden. Terugverdienmodellen van 10 tot 15 jaar waarin een windmolen of zonnepaneel terugverdient kan worden zijn niet bepaald rendabel. Zeker voor consumenten is het rendement nauwelijks aantrekkelijk. De aanschafprijs voor zonnepanelen en kleine windmolens moet aanzienlijk omlaag. Dan gaat het rendement van deze energiebronnen automatisch omhoog.

Technisch werk in mei 2014 dynamisch

De economie van Nederland begint aan een moeizaam herstel. De uitzendbranche en de payrollsector zijn positief over het eerste kwartaal van 2014. Ook de huizenmarkt lijkt zich redelijk te herstellen. Het oude niveau van voor de economische crisis is echter nog lang niet in zicht. Nederland moet uit een diep dal komen net als veel andere landen in Europa. De crisis heeft in Europa voor meer verdeeldheid gezorgd tussen landen. De meeste landen denken dat ze beter zelfstandig uit de crisis kunnen komen dan samen met andere landen.

In Nederland zijn de gedachten ook minder op Europa gericht. Ons land wil er vooral voor zorgen dat Europa zich minder met Nederland gaat bemoeien. Daarnaast wil Nederland ook dat er minder geld wordt betaald aan Europa. Nederland moet namelijk uiteindelijk voor zichzelf zorgen. Geld van Nederland dat wordt afgedragen aan Europa wordt gebruikt om andere landen te versterken. Hierdoor subsidieert Nederland in feite met haar belastinggeld de concurrentiepositie van andere economische landen.

In Nederland is nog steeds veel geld te halen. Verschillende Oost-Europese arbeidskrachten steken de grens van Nederland over om hier geld te verdienen. Het Nederlandse kabinet wil er alles aan doen om de positie van Nederlandse arbeidskrachten te verbeteren maar komt hierin ook Europa weer tegen. In het verleden vond de concurrentie tussen Nederlandse arbeidskrachten en buitenlandse arbeidskrachten vooral plaats in de productie en de tuinbouw. Tegenwoordig verdringen buitenlandse arbeidskrachten ook Nederlands personeel in de bouw en de technisch sector. 

Toename vraag naar technisch personeel
In de lagere uitvoerende functies in de techniek wordt de vraag naar technisch personeel vrij snel ingevuld. Lassers en montagemedewerkers worden tegen lage loonkosten aan het werk gezet om de productie van bedrijven te verhogen. Verschillende bedrijven zetten Polen en Hongaren aan het werk om eenvoudige werkzaamheden uit te voeren.

Voor complexere technische functies blijkt echter zeer moeilijk personeel te vinden te zijn. Het gaat hierbij zowel om uitvoerende functies als om functies in het middenkader. Uitvoerend personeel zoals allround onderhoudsmonteurs zijn moeilijk te vinden op de arbeidsmarkt. Personeel dat zowel elektrisch als mechanisch onderhoud kan verrichten aan machines is niet of nauwelijks beschikbaar. Personeel met verstand van industriële automatisering zoals PLC en SCADA systemen is helemaal schaars. Dat was een paar maanden geleden veel minder het geval.

In het middenkader is het ook moeilijk om personeel te vinden in de techniek. Het gaat daarbij met name om specialistische kantoorfuncties zoals tekenaars en werkvoorbereiders. Vooral engineers en constructeurs zijn lastig te vinden. Bedrijven leggen de focus op deze functies omdat verwacht wordt dat de concurrentiepositie van bedrijven  vooral verbeterd kan worden door kennis in het middenkader.

Recruitment  in de techniek
In de techniek blijft de aandacht uitgaan naar recruitment. Uitzendbureaus en bureaus die gericht zijn op technisch recruitment zoeken dagelijks in hun netwerken naar geschikte kandidaten voor functies die open staan bij bedrijven in hun klantenkring. Geschikt personeel dat beschikbaar of werkloos is wordt door verschillende arbeidsbemiddelaars gebeld. De druk om een geschikte kandidaat te vinden wordt door bedrijven verhoogd door de aanvraag voor personeel bij verschillende uitzendbureaus, detacheringsbureaus en technische recruitmentbureaus uit te zetten. Dit werkt een onderlinge concurrentiestrijd tussen arbeidsbemiddelingsbureaus in de hand.

Technisch personeel moet er voor zorgen dat ze door deze concurrentiestrijd niet in de problemen komen. De sfeer op de arbeidsmarkt in de techniek wordt langzaam maar zeker gespannen. Dat is op zich niet verkeerd want het toont aan dat de markt weer aan het herstellen is. Nu moeten de juiste mensen nog op de juiste plaats worden gebracht. Dit houdt in dat de beschikbare technische vakkrachten op de juiste functies worden ingezet. Dat blijft een grote uitdaging in de techniek omdat binnen deze sector zeer veel verschillende functies aanwezig zijn.

Payrollbranche heeft profijt van economisch herstel 2014

De payrollsector doet get de laatste maanden goed in Nederland. Bedrijven die in deze sector actief zijn hebben in het afgelopen kwartaal meer omzet behaald dan de omzet die ze een jaar geleden hadden bepaald in dezelfde periode. De toename van de omzet is 7 procent. Een kwartaal daarvoor was de omzet nog met 2 procent gestegen ten opzichte van vorig jaar. De brancheorganisatie van payrollbedrijven VPO geeft aan dat de omzetstijging een duidelijk beeld is van het herstel van de economie.

Ontwikkelingen in de payrollbranche
Volgens de brancheorganisatie VPO is het herstel van de Nederlandse economie aan het einde van 2013 begonnen. In heel 2013 is de omzet voor payrollbedrijven nauwelijks toegenomen. Door het lichte herstel van de economie zien ondernemers weer kans om te groeien. Vooral de laatste maanden is deze ontwikkeling merkbaar. VPO-voorzitter Jeu Claes gaf maandag 26 mei 2014 een verklaring over de ontwikkelingen. De ondernemers van Nederland zien volgens hem sinds enkelen maanden weer mogelijkheden om te groeien. Door deze positieve ontwikkeling maakten vooral het midden- en kleinbedrijf in het eerste kwartaal van 2014 meer gebruik van payrollers ten opzichte van 2013. Volgens de VPO is vijfenzeventig procent van de  payrollkrachten in Nederland werkzaam in het MKB.

Uitzendbranche en payrollsector als graadmeter voor de economie
Als de economie aantrekt hebben veel bedrijven een stijgende lijn in de productie. Hierdoor wordt meer van hun personeelsbestand gevraagd. In eerste instantie zullen veel bedrijven trachten om doormiddel van overwerk de pieken in de productie op te lossen. Op een gegeven moment kan dat niet meer. Als de pieken in de productie structureel blijken zal een bedrijf een oplossing moeten vinden voor het personeelsvraagstuk. Bedrijven kiezen er dan vaak voor om flexibele arbeidskrachten in te zetten. Dit kunnen bijvoorbeeld uitzendkrachten, payrollers of gedetacheerden zijn.

Door deze ontwikkeling zijn de verbeteringen in de economie over het algemeen het eerst merkbaar in de payrollsector en de uitzendbranche. Deze sectoren kunnen een goed beeld geven over de ontwikkelingen op de arbeidsmarkt. Bedrijven willen zich vaak niet binden aan personeel als het economisch herstel nog fragiel is. Het aanbieden van rechtstreekse contracten blijft daardoor beperkt.

Uitzendkrachten en payrollers vormen voor bedrijven een tussenoplossing waarmee de financiële risico’s kunnen worden beperkt. Werknemers die werken via een payrollconstructie zijn niet in dienst van het bedrijf waar ze hun werkzaamheden verrichten. In plaats daarvan krijgen ze hun salaris bij het payrollbedrijf. Bij het payrollbedrijf bouwen ze echter wel steeds meer rechten op.

Reactie van Technisch Werken
De payrollsector merkt net als de uitzendbranche een herstel. In 2014 blijkt dit herstel van de economie in verschillende sectoren merkbaar. Het is nog onduidelijk of de economie structureel hersteld is. Dit is namelijk ook afhankelijk van internationale ontwikkelingen. Veel bedrijven zijn bijvoorbeeld afhankelijk van de energiekosten voor hun productie. Als het conflict tussen Rusland en Oekraïne en voor zorgt dat Rusland de ‘gaskraan’ naar West-Europa dicht draait zal dat ook gevolgen hebben voor de bedrijven in Nederland. Duurzame energie zou een zeer geschikte oplossing zijn maar het gebruik daarvan is nog zeer beperkt. De economische situatie is nog niet optimaal. Het is daarom niet verwonderlijk dat het kabinet door gaat met veel bezuinigingen. De vraag is echter of die bezuinigingen het economisch herstel niet extra belemmeren.

Wat zijn de verschillen tussen gietstaal en gietijzer?

In de werktuigbouwkunde of de metaalsector worden verschillende materialen en metalen gebruikt. Van alle metalen wordt staal het meeste gebruikt. Dit materiaal is ijzer met een klein percentage koolstof.  Staal kan op verschillende manieren in de gewenste vorm worden gebracht. Hierbij kan gedacht worden aan walsen, smeden en buigen. Ook kunnen producten in de juiste vorm worden gegoten. Er zijn echter een aantal verschillen tussen gietstaal en gietijzer. Deze verschillen zitten niet alleen in het materiaal, ook de verwerkingsprocessen tussen gietijzer en gietstaal zijn verschillend.

Sterkte van het materiaal
Gietstaal is sterker dan gietijzer. Daarom wordt gietstaal gebruikt bij producten die onder een grotere druk of belasting komen te staan. Gietstaal is minder breekbaar dan gietijzer. Hierdoor is gietstaal minder breekbaar en heeft het een smeltpunt van 1450-1550 gr C. Dit smeltpunt is 200 gr C hoger dan het smeltpunt van gietijzer. Hierdoor worden hogere eisen gesteld aan de oeverbekleding, de gietvormen en de smeltkroes.

Vormvullend vermogen
Verder is gesmolten gietstaal ook stroperiger dan gietijzer en is het vormvullend vermogen minder goed. Daardoor is het gegoten product minder strak en zal men rekening moeten houden met nabewerking. Gietstaal moet in ieder geval na het gieten worden gegloeid. Dit wordt ook wel spanningsarmgloeien genoemd en wordt gedaan om de spanning in het materiaal te verminderen. De inwendige spanning van gietstaal ontstaat door de grote krimp die veroorzaakt door het stollen van gietstaal. De krimp van gietstaal is 2 procent en dat is twee keer zo groot als de krimp die ontstaat dor het stollen van grijs gietijzer. Door deze grote krimp kunnen slinkholtes ontstaan in het gietstuk. Deze slinkholtes worden ook wel lunkers genoemd.

Wanddikte van gietstaal
Over het algemeen is gietstaal alleen geschikt voor het gieten van producten van een grote wanddikte. Deze wanddikte moet minimaal 7 millimeter zijn. Gietstaal is goed te bewerken en de sterkte en taaiheid van dit materiaal kunnen doormiddel van veredelen worden verbetert.

De prijs van gietstaal en gietijzer
Over het algemeen is gietstaal duurder dan gietijzer. Dit komt doordat de bewerking van gietstaal duurder is dan de bewerking van gietijzer. De kosten van de bewerking zitten vooral in de hogere verwerkingstemperatuur en de grotere bewerkingtoeslag/ nabewerking.

Wat is gietstaal en waar wordt dit toegepast?

Gietstaal wordt ook wel afgekort met GS is staal dat in verschillende vormen gegoten kan worden. Hierdoor lijkt gietstaal op gietijzer. De eigenschappen van gietstaal zijn echter anders dan de eigenschappen van gietijzer. Oorspronkelijk was gietstaal het welstaal dat uit erts gewonnen werd en vervolgens uit de puddeloven werd omgesmolten in een smeltkroes. Deze methode werd gebruikt om de slak te verwijderen en een hoogwaardiger materiaal te verkrijgen. Door deze methode toe te passen hoefde men niet te smeden.

In omstreeks  1740 werd de omsmeltmethode ontwikkeld door Benjamin Huntsman. De manier waarop gietstaal werd bereid was geheim. De samenstelling van de vuurvaste bekleding van de kroezen werd niet vrijgegeven. Daarnaast werden ook de toeslagstoffen niet bekend gemaakt door bedrijven die gietstaal produceerden. De reden voor deze geheimzinnigheid was de concurrentie. Men wilde deze productieprocessen zo geheim mogelijk houden zodat men in staat was om betere producten te produceren van gietstaal dan de concurrenten. In Duitsland produceerde de Krupp staalfabrieken in 1815 gietstaal en Jacob Mayer in 1836.

In eerste instantie werd gietstaal in coquilles gegoten. Deze werden dan vervolgens in blokken verkocht aan andere bedrijven die hier producten van konden maken. Dit waren bijvoorbeeld de smederijen. Een smid kon van deze blokken gietstaal verschillende gebruiksvoorwerpen maken. Ook gereedschappen en machineonderdelen werden door een smid vervaardigd. Jacob Mayer was er in 1851 in geslaagd om staal rechtstreeks in bepaalde giervormen te gieten. Hierdoor werd het werk van de smid overbodig. Staal hoefde niet meer in een bepaalde vorm gesmeed te worden. Staal kon in de juiste vorm worden gebracht door het gietproces. Toch waren smeden nog steeds nodig omdat niet alle vormen geschikt zijn om gegoten te worden. Staalgieten werd vooral toegepast voor het produceren van wielbanden en schrijven voor spoorwegen. Ook voor het vervaardigen van scheepsonderdelen en onderdelen voor machines werd staalgieten gebruikt.

Tegenwoordig wordt staalgieten nog steeds toegepast. Gietstaal is in verschillende legeringen verkrijgbaar. Daardoor zijn de eigenschappen van gietstaal verschillend. Over het algemeen wordt gietstaal ingedeeld in ongelegeerd gietstaal, laag gelegeerd gietstaal  en hooggelegeerd gietstaal.

  • Ongelegeerd gietstaal bevat maximaal 0,30% Koolstof en 1,5% Mangaan. Dit staal is vooral voor algemeen gebruik geschikt bijvoorbeeld voor de industrie en machinebouw. Vooral in een omgeving, waar hoge mechanische eigenschappen worden gevraagd van onderdelen, wordt gietstaal gebruikt.
  • Laaggelegeerd gietstaal  bevatten verschillende legeringselementen. Het percentage Koolstof is <0,30%. Daarnaast bevat laaggelegeerd gietstaal een percentage Chroom (1 – 5%)  en Molybdeen (max. 1,75%) ook Wolfram, Titanium en Vanadium kunnen worden toegevoegd. De keuze voor deze metalen is afhankelijk van de eisen die aan het product worden gesteld.
  • Hooggelegeerd gietstaal wordt vooral gebruikt voor het vervaardigen van onderdelen en gereedschappen waaraan specifieke eisen worden gesteld. Hierbij kan gedacht worden aan corrosiebestendigheid, slijtvastheid en hittebestendigheid.

Waar wordt gietstaal toegepast?
Gietstaal wordt vooral toegepast in de industrie en de machinebouw. Het is vooral geschikt voor onderdelen die zwaar belast worden. Verder is gietstaal goed lasbaar. Gietstaal wordt op verschillende manieren aangeduid. De aanduiding geeft aan waar het gietstaal geschikt voor is.

  • G: is gewoon gietstaal
  • GS: gietstaal, de letter ‘S’ staat voor de Engelse term: Sructural steel. Dit is gietstaal voor staalconstructie doeleinden en moeten tegen een zware belasting kunnen.
  • GP: gietstaal, de letter  ‘P’ staat voor de Engelse term: Pressure. Dit gietstaal is vooral geschikt voor drukvaten en pomphuizen. Dit zijn apparaten die onder grote druk komen te staan.
  • GE: gietstaal, de letter ‘E’ staat voor de Engelse term: engineering. GE: gietstaal wordt vooral gebruikt in de machinebouw.

Na de bovengenoemde letters worden in de aanduiding van gietstaal ook cijfers genoemd. Deze cijfers kunnen de Minimum rekgrens in N/mm2 aanduiden, ook kunnen de cijfers worden gebruikt om de legering aan te duiden.

Bouw wordt in 2014 niet extra gestimuleerd door kabinet

Tijdens de opening van de Dag van de Bouw in Middelburg heeft Premier Mark Rutte en toespraak gehouden over de bouwsector. Tijdens deze toespraak maakte hij duidelijk dat het kabinet de komende tijd geen nieuwe stimuleringsmaatregelen zal uitvoeren voor de bouw. Ook zullen er geen nieuwe directe investeringen in de bouwsector worden gedaan door het kabinet. Volgens de premier komen er geen nieuwe banen in de bouwsector door eenmalig veel belastinggeld in deze sector te investeren. Het is voor het kabinet belangrijker om de overheidsfinanciën op orde te krijgen. Daardoor is er geen ruimte om ‘Sinterklaas’ te spelen volgens Rutte.

Volgens de premier is het vooral belangrijk dat de arbeidsmarkt wordt hervormd. Verder moeten procedures worden vereenvoudigd. Deze maatregelen zorgen er voor dat bedrijven kunnen groeien in Nederland. Daarnaast groeit ook de economie wanneer bedrijven groeien.

Bouwsector herstelt langzaam
Mark Rutte is positief over de bouwsector. De afgelopen jaren zijn echter wel 70.000 banen verdwenen in deze sector. Op dit moment verwacht de regering dat de bouw weer zal herstellen. In het jaar 2015 wordt een groei verwacht van 2,5 procent in deze sector. Volgens de premier liggen er geweldige kansen in de bouw. Deze sector kan vooral inspelen op het energiezuiniger maken van woningen en bedrijfsgebouwen. Daarnaast kunnen veel bouwbedrijven volgens Mark Rutte ook inspelen op de verwachte klimaatveranderingen. Aan de bouwsector worden tegenwoordig andere eisen gesteld dan de eisen die aan deze sector werden gesteld voor de crisis begon in 2008.

Reactie van Technisch Werken
Het is bijzonder dat het kabinet zo stellig is over de bouwsector. De premier doet bijna alsof er geen probleem is in de bouwbranche. De bouwsector heeft het echter zeer zwaar gehad de afgelopen jaren. Niet alleen 70.000 banen zijn er verdwenen er zijn ook talloze faillissementen uitgesproken over bouwbedrijven. Hierdoor zijn structureel banen verdwenen in de bouwsector. Daarnaast is er concurrentie van bouwbedrijven en bouwpersoneel over de grenzen van Nederland. Steeds meer buitenlandse bouwbedrijven en buitenlands personeel verdringen de werkplekken van Nederlands bouwpersoneel.  Het hervormen van de arbeidsmarkt heeft daar een bepaalde invloed op maar de vraag is of die invloed doorslaggevend is om de Nederlandse bouwsector en het bouwpersoneel te beschermen.

Wat is smeedijzer en hoe wordt smeedijzer gemaakt?

Smeedijzer is ijzer (ferro) dat doormiddel van smeden wordt gemaakt. Het smeden is een oude ambacht die vroeger veelvuldig werd uitgeoefend. Bijna elk dorp of stad had een smederij waar een smid doormiddel van het smeden ijzeren voorwerpen maakte of herstelde. Een smid maakte en herstelde over het algemeen voorwerpen die gebruikt werden door boeren, bedrijven, fabrieken en burgers. Daarnaast maakten smeden ook wel siervoorwerpen en hekwerken. Tegenwoordig zijn er veel minder smeden en smederijen in Nederland. IJzer dat doormiddel van smeden wordt vormgegeven wordt ook wel smeedijzer genoemd.

Hoe komt smeedijzer tot stand?
Voor het maken van smeedijzer is een steenkoolvuur nodig. In dit vuur wordt het ijzer door de smid verhit. Smeedijzer kan goed gesmeed worden omdat het niet snel uithard na verhitting. De verhitting zorgt er voor dat het ijzer vervormd kan worden. Het hete smeedijzer wordt doormiddel van een hamer in de juiste vorm gebracht. Hiervoor gebruikt de smid naast een hamer vaak ook een aanbeeld. Op het aanbeeld werd het smeedijzer geplaatst en vervolgens met een hamer in een bepaalde vorm geslagen. Dit hameren zorgde niet alleen voor de gewenste vorm. Hameren zorgde er namelijk ook voor dat onzuiverheden zoals erts en slak werden verwijderd. Ook het overtollige koolstof kon door het hameren en verhitten worden verbrand. Smeedijzer is door dit proces een betrekkelijk zuivere vorm van ijzer en heeft een veel betere treksterkte dan bijvoorbeeld gietijzer. Smeedijzer heeft echter wel een lager druksterkte. Naast hameren kan het hete ijzer door de smid ook gebogen worden in verschillende vormen.

Smeedijzer tegenwoordig
Het aantal smederijen in Nederland is behoorlijk vermindert. De meeste smederijen zijn verdwenen of zijn verandert in metaalbedrijven of constructiebedrijven. Sommige ambachtelijke smeden hebben een smederij voor de hobby. Deze smederijen werken meestal als siersmeden en maken verschillende sierproducten van smeedijzer. Hierbij kan gedacht worden aan hekwerken en sierpoorten. Ook schoorsteenkappen en hoefijzers kunnen door smeden worden gemaakt. Daarnaast kunnen ze van smeedijzer ook kunstwerken maken. Het beroep smid is tegenwoordig echter in Nederland niet meer zo bekend als vroeger.

Wat is constructiestaal en waar wordt dit staal voor gebruikt?

Constructiestaal is staal dat wordt gebruikt voor de productie van schepen, loodsen, gebouwen, bruggen en andere staalconstructies. Onder de verzamelnaam constructiestaal vallen verschillende laaggelegeerde staalsoorten. Deze staalsoorten hebben verhoudingsgewijs een hoog koolstofgehalten ten opzicht van bijvoorbeeld roestvast staal (RVS). Het hoofdbestandsdeel van staal is ijzer, dit wordt ook wel met de Latijnse naam ferro aangeduid.

Ferro is een scheikundig element met atoomnummer 26 in het periodiek systeem der elementen. Het materiaal heeft een grijze kleur en is een overgangsmetaal. Door aan  ijzer een klein percentage koolstof te voegen worden de mechanische eigenschappen van het materiaal aanzienlijk verbeterd. IJzerlegeringen met een koolstofgehalte van minder dan 1,9% procent worden staal genoemd. Staal heeft een lager koolstofpercentage dan gietijzer. Het laatste materiaal bevat 2,5%-6,67% koolstof en is daardoor brosser.

Constructiestaalsoorten
Staal bestaat uit een legering tussen ijzer een percentage koolstof dat lager is dan 1,9%. Het percentage koolstof in constructiestaal is maximaal 0,25%. Dit is afhankelijk van de toepassing van het materiaal en de chemische samenstelling. Er zijn verschillende soorten staal die onder constructiestaal vallen zoals bijvoorbeeld S235, S275 en S355. Naast deze staalsoorten zijn er nog verschillende andere staalsoorten die als constructiestaal kunnen worden beschouwd. De letter ‘S’ in de staalaanduiding staat voor het Engelse woord ”structural”. Dit woord kan in het Nederlands worden vertaald met staal of constructiestaal. De cijfers die er achter staan geven de vloeigrens aan van 16 mm staal in megapascal in N/mm².  Staal met de aanduiding S275 zal met een trekkracht van 275 megapascal gaan vloeien. Door het overschrijden van de vloeigrens zal het staal plastisch vervormen. Dit houdt in dat het staal dusdanig is opgerekt dat het bij het wegnemen van de belasting niet meer in de oorspronkelijk vorm terugkeert.

Eigenschappen van constructiestaal
Constructiestaal heeft  verschillende eigenschappen die het materiaal geschikt maken voor staalconstructies. Het materiaal heeft een laag koolstofgehalte en heeft een behoorlijk grote treksterkte en rek. Daarnaast kan constructiestaal goed worden gelast en is het materiaal goed te bewerken. Constructiestaal kan goed worden vervormd doormiddel van koude of warme bewerkingen. Verder is constructiestaal goedkoop en is het, ten opzichte van edele metalen, corrosiegevoelig. Daarom moet constructiestaal worden beschermd tegen de uitwerking van zuurstof en chemische stoffen.