Wat is EVC en heeft een EVC-traject nut?

EVC is een afkorting die staat voor Erkenning van Verworven Competenties daarnaast wordt deze afkorting ook wel vertaald met Elders Verworven Competenties en Eerder Verworven Competenties. Doormiddel van EVC of een EVC-traject kan men de kennis en vaardigheden die iemand heeft opgedaan in zijn of haar werk en vrije tijd trachten te erkennen. Door deze erkenning kan de desbetreffende persoon aan zijn of haar (potentiële) werkgever laten zien over welk functieniveau en opleidingsniveau hij of zij beschikt. Dit is belangrijk voor het eventueel doorstromen naar een andere functie en promotie.

EVC en opleidingen
Ook voor het volgen van een opleiding kan een EVC nuttig zijn. Doormiddel van een EVC wordt namelijk het kennisniveau van de persoon in kaart gebracht. Voor een eventuele vervolgopleiding is het in kaart brengen van iemand zijn of haar kennis van groot belang. Op basis van een EVC-traject kan een persoon een verzoek indienen voor een vrijstelling van bepaalde deelvakken en modules van een opleiding die hij of zij wil gaan volgen.

Hoe wordt een EVC-traject uitgevoerd?
Een EVC-traject wordt uitgevoerd doormiddel van een onderzoek. Tijdens dit onderzoek worden de competenties in kaart gebracht die de persoon heeft ontwikkeld tijdens zijn of haar werkervaring. Ook wordt in een EVC-traject  gekeken naar de competenties die zijn opgedaan in opleidingen buiten het reguliere onderwijs. Nadat de competenties in kaart zijn gebracht worden deze vergeleken met de competenties die benodigd zijn voor het ontvangen van een diploma van een beroepsopleiding. Daarnaast worden de competenties ook gebruikt voor het verlenen van vrijstellingen voor modules en andere delen van een beroepsopleiding.

Wat is het resultaat van een EVC-traject?
Een EVC-traject verschaft aan de persoon en zijn of haar werkgever duidelijkheid over de competenties waarover de persoon beschikt. De resultaten van een EVC-traject worden genoteerd in een document. Dit document is het ervaringscertificaat en wordt opgesteld door dezelfde onpartijdige organisatie die het EVC-traject heeft uitgevoerd. Dit ervaringscertificaat wordt vergeleken met de kwalificatiedossiers die aan opleidingen gekoppeld zijn. De kwalificatiedossiers geven weer aan welke eisen een deelnemer van de opleiding moet voldoen. Een ervaringscertificaat vormt net als diploma’s een belangrijk bewijsdocument van de kwaliteiten van een bepaald persoon.

Voordelen van een EVC-traject
Het uitvoeren van een EVC-traject heeft een aantal belangrijke voordelen. Allereerst is een EVC-traject vooral gunstig voor de werknemer. De werknemer kan doormiddel van EVC een goed beeld krijgen van zijn of haar vaardigheden en competenties. Dit duidelijke inzicht kan er voor zorgen dat de werknemer zichzelf of haarzelf beter kan positioneren op de arbeidsmarkt. Een EVC-traject heeft alleen nut als de werknemer zichzelf verder wil ontwikkelen op het gebied waar hij of zij werkervaring heeft opgedaan.

Voor werkgevers zijn EVC-trajecten ook nuttig omdat zij doormiddel van deze trajecten een beter inzicht krijgen in het personeel dat binnen hun bedrijf werkzaam is. Een EVC-traject kan er voor zorgen dat personeel misschien breder ingezet kan worden en dat de kwaliteiten voor personeelsleden optimaler kunnen worden benut.

Wat is Opleidingsbedrijf InstallatieWerk Nederland en wat doet deze instantie?

Opleidingsbedrijf InstallatieWerk is een samenwerkingsverband tussen installatiebedrijven. Deze instantie is gericht op het zoeken van technisch personeel. Daarnaast richt het Opleidingsbedrijf InstallatieWerk zich ook op het opleiden van personeel zodat er voldoende gediplomeerd personeel beschikbaar is voor installatiebedrijven. VEV werft technisch talent vanuit VMBO-opleidingen en Havo-opleidingen.

Wat doet Opleidingsbedrijf InstallatieWerk
Deze technische talenten kunnen een beroepsbegeleidende leerweg (bbl) volgen op verschillende niveaus. Opleidingsbedrijf InstallatieWerk zorgt er met alle partijen in hun netwerk voor dat geschikt personeel bij bedrijven wordt geplaatst. Bedrijven krijgen door de bemiddeling van Opleidingsbedrijf InstallatieWerk gemotiveerd technisch personeel en deelnemers aan een technische opleiding krijgen een geschikte leerwerkplek waar ze hun opleiding kunnen volgen en afronden.

Werkgelegenheid
Ook de overheid is gebaat bij de activiteiten van Opleidingsbedrijf InstallatieWerk. Dit samenwerkingsverband zorgt er namelijk ook voor dat deelnemers aan opleidingenvoldoende aansluiting hebben met de bedrijfswereld. Dit voorkomt uitval tijdens opleidingen en werkloosheid na het afronden van een opleiding. De werkzaamheden van Opleidingsbedrijf InstallatieWerk zijn dus goed voor de arbeidsmarkt en de werkgelegenheid.

Omvangrijk netwerk
Opleidingsbedrijf InstallatieWerk  heeft meer dan 3.500 leerlingen en bevat ongeveer 2.000 aangesloten bedrijven. Door dit omvangrijke netwerk is dit samenwerkingsverband de grootste opleider in de installatiebranche. Hiervan profiteren de deelnemers die een opleiding volgen en de bedrijven die de deelnemers in dienst hebben. Ook de Regionale Opleidingsinstituten hebben baad bij de coördinerende rol van Opleidingsbedrijf InstallatieWerk omdat ze hierdoor nieuwe deelnemers aan opleidingen krijgen.

Doel van Opleidingsbedrijf InstallatieWerk
Doormiddel van een breed scala aan activiteiten tracht Opleidingsbedrijf InstallatieWerk de arbeidsmarkt te voorzien van gediplomeerd en ervaren personeel op elektrotechnisch gebied en op het gebied van installatietechniek.

Leerarbeidsovereenkomst
Opleidingsbedrijf InstallatieWerk werkt samen met Regionale Opleidingsinstituten, de zogenoemde ROC’s. De opleidingen van het Opleidingsbedrijf Installatiewerk worden uitgevoerd in het kader van de Beroepsbegeleidende Leerwerg (bbl). De deelnemers aan de opleiding werken en leren, daarom wordt dit opleidingssysteem ook wel ‘werken en leren’ genoemd.

Dit houdt ook in dat de deelnemers een leer-arbeidsovereenkomst sluiten. Deze overeenkomst wordt gesloten met het Opleidingsbedrijf Installatiewerk. Deze instantie is hierdoor de werkgever voor de deelnemer en zorgt er voor dat de deelnemer wordt geplaatst bij een erkend leerbedrijf.  Het Opleidingsbedrijf Installatiewerk ondersteund daarna de deelnemer met de praktijkopdrachten, de beroepsopdrachten en de beroepspraktijkvorming. Het ROI betaald het salaris of de stagevergoeding aan de werknemer uit. Op dit opleidingsinstituut volgt de deelnemer ook het theoretische deel van de opleiding.

Wat is een VEV-opleiding of een VEV-erkend leerbedrijf?

De afkorting VEV staat voor Vereniging tot bevordering van Elektrotechnisch Vakonderwijs, het wordt ook wel kortweg vertaald met Vereniging Elektrotechnisch Vakonderwijs. Dit is een vereniging die al meer dan negentig jaar een belangrijke positie inneemt op het gebied van onderwijs in de elektrotechniek. De VEV richt zich op het verbeteren van de kwaliteit van opleidingen in de elektrotechniek. De instantie ontwikkelt hiervoor vakopleidingen. Daarnaast ontwikkelt en verzorgt de VEV lesmaterialen, cursussen en examens.

VEV zorgt voor afstemming van belangen
De VEV wil dat opleidingen in de elektrotechniek goed aansluiten op de praktijk. Daarom werk de VEV veel samen met werkgeverorganisaties. Daarnaast werkt de vereniging ook samen met werknemersorganisaties en onderwijsinstellingen. Deze verschillende organisaties en belangengroepen bekijken de elektrotechniek van verschillende kanten. Werkgevers hebben belang bij goed personeel maar letten ook op de kosten. Personeel wil graag over voldoende kennis beschikken maar heeft wel de ruimte nodig van bedrijven om te leren en te werken.

Bedrijven zullen dus moeten investeren in personeel. Personeel zal zich moeten inzetten op het opleidingsinstituut en zal daarnaast ook effectief en professioneel moeten werken in het bedrijf. Opleidingsinstellingen willen professionele opleidingen aanbieden maar letten tegenwoordig ook veel op de kosten die verbonden zijn aan onderwijs. Ook moeten opleidingsinstellingen regelmatig hun opleidingsinhoud aanpassen op de nieuwe technieken en methodes die in de praktijk worden toegepast.

VEV-erkenning
Bedrijven die actief zijn in de elektrotechniek kunnen bij VEV een verzoek indienen om een erkend leerbedrijf te worden. VEV kan bedrijven als erkend leerbedrijf. Dit doet de vereniging op basis van de werkzaamheden die het bedrijf uitvoert en begeleiding die het bedrijf aan leerlingen kan bieden. Op basis hiervan stelt de VEV samen met het bedrijf een lijst op van opleidingen die bij het bedrijf gevolgd kunnen worden met VEV-erkenning. Voor onderstaande BBL en BOL opleidingen kan een bedrijf worden aangemerkt als ‘VEV-erkend Leerbedrijf’.

  • AMSI – Assistent Monteur Sterkstroom Installaties
  • MSI – Monteur Sterkstroom Installaties
  • Elektromonteur
  • MBI – Monteur elektrische Bedrijfs Installaties
  • EMSI – Eerste Monteur Sterkstroom Installaties
  • EMBI – Eerste Monteur elektrische Bedrijfs Installaties
  • TSI – Technicus Sterkstroom Installaties
  • MK-EIT – MiddenKaderfunct. Elektrotechn. Installatie Techniek
  • Elektromonteur differentiatie industriële installaties
  • Alg. vaardigheden Middenkaderfunc. Elektrotechniek
  • Installeren elektrotechnische installaties

Wat leer je op de opleiding servicetechnicus Electro STE?

De opleiding servicetechnicus Electro wordt ook wel afgekort met STE. Deze opleiding komt overeen met de Opleiding technicus instrumentatietechniek OTI. Op de meeste vacatures die gericht zijn op het onderhouden, reviseren, inregelen en het storing zoeken in instrumentatie kan men met beide opleidingen solliciteren. De opleiding servicetechnicus Electro STE is net als de OTI een opleiding op mbo-niveau 4. De opleiding wordt gegeven als een BBL-traject.

Dit houdt in dat de deelnemer aan de opleiding door de week werkzaam is bij een bedrijf en in de avond of op één doordeweekse dag naar een opleidingsinstituut moet voor de theoretische aspecten van de opleiding. Hiervoor dient de deelnemer aan de opleiding servicetechnicus Electro echter wel een relevante werkplek te hebben. Een BBL-traject wordt ook wel ‘werken en leren’ genoemd. Dit heeft voor de deelnemer een aantal voordelen. Zo verdient de BBL-er een salaris en wordt door de opleiding zijn of haar kennisniveau vergroot.

Vooropleiding voor opleiding servicetechnicus Electro STE
De opleiding servicetechnicus Electro is een mbo opleiding op niveau 4. Het is belangrijk dat deelnemers aan deze opleiding over voldoende niveau beschikken. De lesstof van de opleiding STE is zeer specialistisch en gericht op met name elektrotechniek. Daarom is een elektrotechnische opleiding op mbo niveau 3 minimaal vereist. Ook relevante opleidingen met vergelijkbare lesstof kunnen worden geaccepteerd als voldoende vooropleiding. Voor meer informatie over de vooropleiding kan men het beste contact opnemen met een opleidingsinstituut waar de opleiding servicetechnicus Electro wordt gehouden. Verder volgt er altijd een intakegesprek voordat men aan de opleiding mag beginnen.

Inhoud opleiding servicetechnicus Electro STE
De duur van de opleiding STE is twee jaar. De opleiding wordt in de middag of avond gegeven. Dit is meestal afhankelijk van het opleidingsinstituut. Gedurende de opleiding werkt de deelnemer ook bij een bedrijf in een relevante sector en doet de deelnemer ook relevante werkzaamheden. Hierbij kan gedacht worden aan bedrijven in de procesindustrie of andere bedrijven waar men zich richt op onderhoudstechniek en meet- en regeltechniek. Tijdens de werkzaamheden leert de deelnemer veel praktische vaardigheden aan die bij het beroep servicetechnicus Electro van toepassing zijn. Tijdens de leermomenten op school worden theoretische aspecten en achtergronden behandelt. Het practicum vindt meestal plaats in een speciaal praktijkcentrum dat gericht is op procesbesturing.

Tijdens de opleiding leert de deelnemer meet- en regelsystemen geïnstalleerd moeten worden. Naast het in bedrijfstellen van deze systemen leert de deelnemer deze systemen ook onderhouden en te kalibreren. Ook het werken met onderhoudsschema’s wordt geleerd zodat de aankomend servicetechnicus Electro in de praktijk methodisch aan de slag kan.

Een bijzonder aspect van de opleiding is gericht op het samenwerken met andere medewerkers binnen de procesindustrie. Een servicetechnicus Electro moet in de praktijk vaak nauw samenwerken met collega’s in verschillende functies. Hierbij kan gedacht worden aan mechanisch onderhoudsmonteurs maar ook aan operators en productiemedewerkers. In sommige gevallen zal de servicetechnicus Electro als een soort coördinator moeten werken bij het oplossen van storingen. Daarvoor moet hij of zij goed kunnen communiceren en samenwerken. Het overdragen van informatie is erg belangrijk bij het oplossen van storingen en het voorkomen van storingen in de instrumentatie en alle apparatuur die daarmee verbonden is. Daarom wordt aan dit aspect ook aandacht besteed tijdens de opleiding STE.

Verder is veiligheid een belangrijk aspect. Met name in de chemische sector kunnen de gevolgen van onachtzaam handelen zeer groot zijn. Daarom leren de deelnemers aan de opleiding verschillende veiligheidsaspecten die tijdens de uitvoering van het werk aan de orde kunnen komen.

De opleiding STE wordt afgesloten  met een Proeve van Bekwaamheid. Nadat de deelnemer deze succesvol heeft afgerond ontvang hij of zij het diploma servicetechnicus Electro. Dit is een mbo-diploma met waarde op de arbeidsmarkt.

Wat kun je met de opleiding servicetechnicus Electro STE?
De procesindustrie vormt een belangrijk onderdeel van het bedrijfsleven in Nederland. Verschillende bedrijven zijn actief in deze sector die ook wel de ‘maaksector’ wordt genoemd. In de procesindustrie worden namelijk verschillende producten gemaakt. Hierbij kan gedacht worden aan medicijnen, voedingsmiddelen, gebruiksvoorwerpen maar ook aan petrochemische producten. De fabrieken waarin deze producten worden geproduceerd zijn even divers als de producten zelf. Dit houdt in dat er verschillende systemen in de fabrieken aanwezig zijn die het proces aansturen, meten en controleren.

Met name op het gebied van meet- en regeltechniek is de servicetechnicus Electro inzetbaar. De meetapparatuur moet goed zijn afgesteld zodat precies de juiste hoeveelheden, de juiste snelheden of de juiste temperatuur wordt gemeten. Ook de samenstelling van producten en stoffen kan men meestal met meetapparatuur in kaart brengen. De afstelling van meetapparatuur wordt ook wel kalibratie of kalibreren genoemd. Een servicetechnicus Electro kan deze kalibratie uitvoeren en moet daarvoor zeer nauwkeurig te werk gaan.

Ook regelapparatuur is volop aanwezig in de procesindustrie. Doormiddel van deze apparatuur worden verschillende parameters van proces geregeld. De instrumentatie die hiervoor gebruikt wordt is zeer divers. Sommige instrumentatie is gericht op het verhogen van de temperatuur andere instrumentatie vergroot juist de snelheid van stoffen. Zo zijn er nog veel meer voorbeelden op te noemen. Een servicetechnicus Electro kan deze regelapparatuur instellen en controleren. Dit is een belangrijke taak die grote gevolgen kan hebben voor het proces.

De geautomatiseerde installaties en apparaten worden door de servicetechnicus Electro ook geprogrammeerd. Hierbij komt besturingstechniek aan de orde met bijbehorende software zoals PLC’s en SCADA.

Een servicetechnicus Electro zal in de praktijk veel moeten samenwerken met andere collega’s zoals onderhoudsmonteurs, procesoperators, operators en productiepersoneel.

Ploegendienst en consignatie
In de procesindustrie draaien veel bedrijven volcontinue. Dit houdt in dat deze bedrijven dag en nacht doordraaien. De meeste processen zijn niet volautomatisch en er zal daardoor altijd personeel nodig zijn om processen in beweging te houden, te controleren en reparaties te verrichten. Ook de servicetechnicus Electro zal in de praktijk regelmatig nodig zijn buiten de gebruikelijke ‘kantooruren’. Deze monteurs werken daarom regelmatig in ploegendienst. Een ploegendienst is ingepland op een ploegenrooster. Er zijn verschillende ploegendiensten zoals tweeploegendienst, drieploegendienst, vierploegendienst en vijfploegendienst. De keuze voor een bepaalde ploegendienst is afhankelijk van het bedrijf en de processen die daarbij plaatsvinden.

Naast ploegendienst kan een servicetechnicus Electro ook consignatiediensten draaien. Deze diensten worden ingepland in een rooster. Tijdens een consignatiedienst is de STE oproepbaar bij storingen of calamiteiten. De STE moet tijdens deze diensten meestal binnen een bepaalde straal van het bedrijf verblijven. Als het bedrijf de monteur nodig heeft moet deze vaak binnen een half uur aanwezig zijn bij het bedrijf.

Wat leer je op de opleiding Onderhoudstechnicus Instrumentatie OTI?

De opleiding Onderhoudstechnicus Instrumentatie wordt ook wel afgekort met OTI. Deze opleiding duurt 2,5 jaar en wordt gegeven aan verschillende opleidingsinstituten in Nederland. De opleiding OTI is BBL-opleiding dit houdt in dat deelnemers aan de opleiding werken en leren. De deelnemers zijn door de week werkzaam bij een bedrijf in een relevante sector en voeren werkzaamheden uit die verband houden met de opleiding. De theoretische aspecten en inhoud van de OTI opleiding leert de leerling op het opleidingsinstituut. De theorie van de opleiding kan in de avonduren worden gevolgd of één dag per week op het opleidingsinstituut. De overige dagen werkt de deelnemer gewoon bij het bedrijf.

Vooropleiding voor OTI
De opleiding OTI is een mbo opleiding op niveau 4. Voordat men aan deze opleiding kan deelnemen dient men te beschikken over een relevante vooropleiding. De opleiding OMEI op niveau 3 en niveau 3 Elektrotechniek worden als relevante vooropleidingen beschouwd. Ook andere opleidingen van soortgelijk niveau kunnen als relevante vooropleidingen worden beschouwd. Een opleidingsinstituut kan beoordelen of een opleiding relevant (genoeg) is.

Inhoud opleiding Onderhoudstechnicus Instrumentatie OTI
De opleiding OTI is een opleiding waarin verschillende technische aspecten worden aangeleerd met betrekking tot het inregelen en onderhouden van instrumentatie. Daarbij wordt ook aandacht besteed aan onderhoudsmanagement. Ook PLC’s, logicaschema’s en bijbehorende besturingstechniek komen aan de orde. Instrumentatie kan op verschillende manieren worden voorzien van energie. Dit kan bijvoorbeeld elektrische energie zijn of pneumatische (lucht) druk. Tijdens de opleiding OTI wordt aan deze verschillende systemen aandacht besteed. Verder leren deelnemers tijdens de opleiding hoe ze meet- en regelapparatuur kunnen testen en gebruiken. Na afloop van de opleiding volgt een examen met een praktijkgedeelte en een theoretisch gedeelte. Als men het examen en praktijkproef heeft gehaald ontvangt men een diploma Onderhoudstechnicus Instrumentatie OTI. Dit is een mbo niveau 4 diploma.

Wat kun je met de opleiding OTI?
In de techniek draait bijna alles om kennis en meten is weten. Daarom is meet- en regeltechniek van groot belang. Met name in de (chemische) industrie en procesindustrie is veel instrumentatie aanwezig. In deze sector zijn onderhoudstechnici instrumentatie nodig voor het onderhoud aan instrumentatie en het inregelen daarvan. Ook het kalibreren en vervangen van instrumentatie wordt gedaan door een onderhoudstechnicus instrumentatie. Deze persoon is een specialist op het gebied van meet- en regeltechniek.

De onderhoudstechnicus instrumentatie kan in de praktijk zelfstandig werken of in teamverband. De bedrijven waar een OTI werkt bevinden zich over het algemeen in de procesindustrie. Deze bedrijven draaien meestal volcontinue. Dit houdt in dat de bedrijven dag en nacht doordraaien. Het personeel van deze bedrijven werkt daarom in ploegen. De onderhoudstechnicus instrumentatie zal daarom in de praktijk regelmatig in ploegen werken. Dit kunnen tweeploegen, drieploegen, vierploegen of vijfploegen zijn. Zowel dagdiensten als nachtdiensten komen hierbij aan de orde.

Daarnaast wordt de onderhoudstechnicus instrumentatie ook regelmatig ingezet in consignatiediensten. Een OTI moet in de praktijk dus een flexibele houding hebben met betrekking de uren dat hij of zij werkzaam is. Uiteraard wordt bij de inzetbaarheid altijd rekening gehouden met de Arbeidstijdenwet (ATW). Voor ploegendienst en consignatiediensten worden echter wel vergoedingen verstrekt aan de werknemers. Daardoor kan de OTI naast een goed salaris ook nog extra toelagen ontvangen.

Wat is middelbaar beroepsonderwijs (mbo)?

Het middelbaar beroepsonderwijs (mbo) is een onderwijsvorm in Nederland. Met de benaming ‘beroepsonderwijs’ wordt duidelijk gemaakt dat een mbo er op gericht is om leerlingen op te leiden voor de uitoefening van een bepaald beroep. Mbo-opleidingen worden in Nederland vooral gegeven op Regionale Opleidingencentra (roc). Dit is het geval met de mbo-opleidingen die gericht zijn op de techniek, bouw, sociale beroepen, zorg en economische beroepen. Deze mbo-opleidingen vallen onder het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap.

Agrarische Opleidingscentra
Er zijn ook zogenoemde ‘groene opleidingen’ die gericht zijn op tuinbouw, bosbouw, akkerbouw/ landbouw en dierhouderij. Deze ‘groene opleidingen’ worden gegeven op Agrarische Opleidingscentra (aoc). Deze groene opleidingen vallen onder het ministerie van Economische Zaken.

Vakinstellingen
Verder zijn er in Nederland vakinstellingen die ook mbo-opleidingen aanbieden aan leerlingen. Deze vakinstellingen bieden opleidingen in één specialistische branche. Hierbij kan gedacht worden aan bijvoorbeeld opleidingen gericht op grafische vormgeving aan het Grafisch Lyceum. Verder is er een Hout- en Meubileringscollege met specialistische opleidingen.

Particuliere opleidingsinstituten
In Nederland zijn er ook bijzonder instellingen die aan particulieren opleidingen bieden. Een aantal van deze bieden geaccrediteerde mbo-opleidingen. Leerlingen die een geaccrediteerde mbo-opleiding hebben behaald krijgen een erkend diploma. De particuliere opleidingsinstituten bieden vaak zeer specialistische opleidingen aan die gericht zijn op een bepaalde branche zoals kappersopleidingen en opleidingen die gericht zijn op uiterlijke verzorging zoals de opleidingen op particuliere schoonheidsinstituten.

Verschillende niveaus van mbo-opleidingen
Leerlingen kunnen een mbo-opleiding op verschillende niveaus volgen. De niveaus van mbo lopen van niveau 1 tot 4, waarbij niveau 1 het laagste niveau is en niveau 4 het hoogste niveau. Hieronder staat en korte uitleg over de niveaus:

  • niveau 1: dit opleidingsniveau leidt een kandidaat op tot assistent beroepsbeoefenaar. Dit niveau biedt geen startkwalificatie.
  • niveau 2: is een opleidingsniveau tot medewerker of basisberoepsbeoefenaar.
  • niveau 3: met dit opleidingsniveau is een leerling opgeleid tot zelfstandig medewerker of zelfstandig beroepsbeoefenaar. Dit wordt ook wel een vakopleiding genoemd.
  • niveau 4: is het hoogste mbo-niveau, leerlingen met dit opleidingsniveau zijn opgeleid tot middenkaderfunctionaris of gespecialiseerd beroepsbeoefenaar. Dit niveau geeft toegang tot een hbo-opleiding.

Bol en bbl mbo-opleidingen
Mbo opleidingen worden in Nederland in twee vormen gegeven. Het verschil in deze twee vormen zit in de verdeling tussen theorie en praktijk. De twee vormen mbo zijn als volgt:

  • De beroepsbegeleidende leerweg (bbl). In deze variant van mbo doet de mbo-leerling ‘werken en leren’. De leerling dient voor een bbl-plek een dienstverband van minimaal 24 uur bij een relevant bedrijf te hebben. Een relevant bedrijf is een bedrijf waarin de bbl-er werkzaamheden kan uitvoeren die verband houden met zijn of haar opleidingsrichting. Per week gaat de bbl-er één dag naar school. In het verleden werd dit systeem ook wel vakschool of streekschool genoemd. Ook de naam leerlingstelsel was in gebruik.
  • De beroepsopleidende leerweg (bol) is de tweede variant van mbo-opleidingen. Bol-leerlingen gaan vier of vijf dagen per week naar school. De leerling heeft geen vast dienstverband bij een bedrijf en is gedurende de opleiding meer op school dan in de praktijk aan de slag. Om toch een goed beeld te krijgen van de praktijk volgt de medewerker een stage. Deze stage wordt ook wel de beroepspraktijkvorming genoemd en moet verplicht worden gevolgd en afgerond door de leerling. Een leerling die een bol-opleiding volgt krijgt gedurende de opleiding minimaal 850 klokuren les en begeleiding.

Toetsing en examens
In tegenstelling tot het voortgezet onderwijs kent het mbo geen centraal examen behalve voor de vakken Rekenen en Nederlands. De inhoud van de mbo-opleidingen is landelijk in eindtermen en competenties vastgelegd. Ieder mbo-opleidingsinstelling bepaald echter zelf hoe de examens worden afgelegd. Hierbij kan gebruik worden gemaakt van zelf ontwikkelde toetsen en examens van landelijke organisaties. Uiteraard is het belangrijk dat het afstudeerniveau van mbo-opleidingen gewaarborgd blijft. Daarom houdt de Onderwijsinspectie toezicht op de examinering en de onderwijsprogrammering.

Toelatingseisen voor mbo
De toelatingseisen voor het mbo zijn afhankelijk van de vier verschillende niveaus waarin mbo-opleidingen worden ingedeeld. De toelatingseisen zijn als volgt:

  • voor mbo niveau 1 is er geen instoomdrempel. Op dit niveau kan in principe iedereen instromen.
  • voor mbo niveau 2 is er wel een instroomdrempel. Leerlingen die op dit niveau willen instromen moeten minimaal in bezit zijn van een vmbo-diploma Basisberoepsgerichte leerweg. In een aantal gevallen is er sprake van een drempelloze instroom voor niveau 2. Dit kan bijvoorbeeld het geval zijn wanneer er geen verwante niveau 1 verbonden is aan de opleiding. De leerling dient dan in ieder geval minimaal 16 jaar oud te zijn. De drempelloze instroom kan echter worden afgeschaft zodra het wetsvoorstel Entree-opleidingen wordt aangenomen.
  • voor mbo niveau 3 en 4 is ten minste een vmbo-diploma Kaderberoepsgerichte leerweg, Gemengde leerweg of Theoretische leerweg nodig om aan de instroomdrempel te voldoen. Of een leerling moet beschikken over een overgangsbewijs van havo/vwo 3 naar havo/vwo 4 nodig.

Als een leerling in bezit is van een havo-diploma of vwo-diploma kan hij of zij meestal aan een versneld opleidingstraject op mbo deelnemen.

Wat is de lagere technische school (lts) tegenwoordig?

De lagere technische school (lts) was een schooltype in Nederland. De lts werd in het verleden ook wel de ambachtsschool genoemd maar die benaming is niet helemaal juist. De lts ontstond uit de ambachtsschool. De ambachtsschool was over het algemeen twee jaar en te lagere technisch school bood vierjarig lager technisch onderwijs. Rond het jaar 1968 werd de naam ambachtsschool veranderd in lagere technische school. Deze school werd ook wel genoemd bij de afkorting: lts.

Jongensscholen
Lts-scholen waren tot 1977 meestal strikte jongensscholen. De vrouwenemancipatie bracht hier verandering in. Vanaf 1977 werden lts-scholen ook toegankelijk voor vrouwen en meisjes. Langzamerhand kwamen er ook meer meisjes op de lts.

Praktijkstroom en Theoriestroom
De lts had twee verschillende stromen. Dit was de praktijkstroom die ook wel P-stroom werd genoemd en de theoriestroom die ook wel T-stroom werd genoemd. De praktijkstroom was een vorm van eindonderwijs. Dit hield in dat de leerlingen in de praktijkstroom werden voorbereid op een beroep in de arbeidsmarkt. De theoriestroom was gericht op het doorstuderen. Leerlingen leerden in de theoriestroom voldoende theoretische kennis om door te studeren naar een middelbare technische school (mts).

Kiezen van vakrichting
Op de lts waren de eerste twee jaar algemeen technisch. Dit hield in dat de leerlingen les kregen in verschillende technieken. Hierdoor konden de leerlingen zich een beeld vormen van de beroepen en beroepsgroepen die in de techniek aanwezig zijn. Na de twee algemene jaren moesten de leerlingen een specifieke vakrichting kiezen. De volgende vakgebieden waren gebruikelijk:

  • Schildertechniek
  • Voertuigentechniek
  • Elektrotechniek
  • Installatietechniek
  • Bouwtechniek
  • Metaaltechniek

De vakgebieden van lts-scholen kwamen met elkaar overeen. Sommige lts-scholen boden echter ook aanvullende vakgebieden aan zoals techniek voor edelsmeden. Daarnaast waren er lagere technische scholen die individueel technisch onderwijs (ITO) aanboden aan leerlingen die meer ondersteuning nodig hadden op het gebied van leren. Verder waren er lts-scholen die een vijfde leerjaar aanboden waarin leerlingen vakken konden leren op lts-C-niveau. Deze vakken konden de leerlingen leren zodat ze beter konden doorstromen naar de middelbare technische school. Sommige lts-scholen hadden in de avonduren een mogelijkheid om voor volwassenen een opleiding te volgen. Dit werd ook wel volwassenonderwijs genoemd.

Lts A, B, C en D-niveau
Op lts-scholen werd het niveau van leerlingen ook wel ingedeeld in 3 tot 4 verschillende niveaus. Niveau A en B waren bij deze indeling de laagste niveaus. Meestal werden leerlingen die dit leerniveau hadden ingedeeld in individueel technisch onderwijs (ITO). Bij de ITO kregen de leerlingen extra begeleiding bij hun leerproces. Niveau C was het niveau voor de reguliere lts. Sommige lts-scholen boden vanaf 1988 ook vakken zoals wiskunde en natuurkunde op D-niveau. Leerlingen die deze vakken volgden kregen leerstof die voldoende aansluiting bood op het opleidingsniveau van de middelbare technisch school.

Lts werd vbo
De lts werd in 1992 een onderdeel van het voorbereidend beroepsonderwijs (vbo). Het vbo is een vorm van voortgezet onderwijs en de opleidingen duurden vier jaar. Leerlingen op het vbo hadden een leeftijd van twaalf tot zestien jaar. Na afloop van het vbo konden leerlingen doorstuderen op het middelbaar beroepsonderwijs mbo of de middelbare technische school (mts).

Vbo werd vmbo
In 1999 is de vbo samen met de mavo opgegaan in het voorbereidend middelbaar beroepsonderwijs (vmbo). De lts was als het ware de voorloper van de technische richting van het vmbo. Het vmbo biedt vier verschillende leerwegen. Dit zijn de leerwegen:

  • Basisberoepsgerichte leerweg (BB)
  • Kaderberoepsgerichte leerweg (KB)
  • Gemengde leerweg (GL)
  • Theoretische leerweg (TL)

Binnen het vmbo zijn de leerwegen weer onderverdeeld in afdelingen en programma’s. De afdelingen zijn:

  • Sector Techniek Bouwtechniek
  • Sector Zorg en welzijn
  • Sector Economie
  • Sector Landbouw

De sector ‘Techniek Bouwtechniek’ bevat verschillende programma’s. Deze programma’s zijn allemaal gericht op een specifieke techniek. De volgende programma’s kunnen worden aangeboden binnen de sector Techniek Bouwtechniek:

  • Timmeren,
  • Metselen,
  • Schilderen,
  • Meubelmaken,
  • Elektrotechniek,
  • Grafische techniek,
  • Installatietechniek,
  • Metaaltechniek,
  • Transport en logistiek,
  • Voertuigentechniek.

Verder bevat het vmbo ook Intrasectorale programma’s zoals Bouwtechniek-breed, Techniek-breed, Instalektro en Metalektro. Deze algemene programma’s bieden brede kennis over een bepaalde sector in de techniek.