Voor- en nadelen BOL en BBL

Binnen het middelbaarberoepsonderwijs of MBO kan een student kiezen tussen twee onderwijsvormen: BOL (Beroeps opleidende leerweg) en BBL (Beroepsbegeleidende leerweg). Er zijn grote verschillen tussen deze onderwijsvormen. De BOL opleidingsvorm vindt hoofdzakelijk op school plaats in een combinatie met stages. De BBL vorm vindt plaats bij een bedrijf, men noemt dit dan ook wel werken en leren. Tijdens een BBL opleiding is de student veelal vier dagen aan het werk in een erkend leerbedrijf en gaat hij of zij een dag naar school. Sommige opleiding worden uitsluitend in een BBL of BOL vorm gegeven, bij andere opleidingen kan men een keuze maken tussen deze opleidingsvormen. Dit verschilt niet alleen per opleiding maar ook per opleidingsinstituut. Vee BBL en BOL opleidingen worden gegeven op een Regionaal Opleidingscentrum (ROC) maar er worden ook BBL opleidingen gegeven op het Agrarisch Opleidingscentrum (AOC).

Kiezen voor BBL of BOL
Om een keuze te maken moet de student goed afweging welke opleidingsvorm het beste aansluit bij zijn of haar toekomstvisie. Hierin kan een (toekomstige) student ook de voor- en nadelen van de twee opleidingsvormen in overweging nemen. De voor- en nadelen staan niet vast, maar zijn opgesteld naar de mening van Tjerk van der Meij, student HRM aan de NHL, schrijver van deze tekst.

Voor- en nadelen BOL
Zoals in voorgaande tekst werd uitgelegd, vindt de scholing van een BOL student hoofdzakelijk plaats op een opleidingsinstituut. Het is een opleiding van theoretische aard die wordt gegeven in combinatie met stages om de student van praktijk ervaring te voorzien.

Voordelen van een BOL opleiding:

  • Student krijgt veel theorie mee op school en kan daardoor een theoretische verdieping krijgen in de leerstof.
  • Student krijgt de kans stages te lopen bij een organisatie van zijn of haar keuze.
  • Student heeft recht op studiefinanciering, wanneer hij of zij 18 jaar of ouder is.
  • Door de stages of beroepspraktijkvorming heeft de student mogelijkheden om bij meerdere werkgevers te werken.
  • Naast de studiefinanciering heeft de student recht op een studentenreisproduct, vaak in de vorm van een OV-kaart.
  • Het is met een BOL-opleiding vaak eenvoudiger om door te stromen naar een hogere opleiding omdat die op het gebied van leervorm beter aansluiten dan de praktijkgerichte BBL-vorm.

Zo kent een BOL opleiding ook enige nadelen ten opzichte van de BBL opleidingen:

  • Student krijgt minder praktijk ervaring en leert vaak in mindere mate de ‘fijne kneepjes van het vak’.
  • Er zijn kosten verbonden aan de opleiding, zoals: boeken, lesgeld, etc.
  • De student weet minder van de arbeidsmarkt en minder van de werkprocessen.
  • In tegenstelling tot de BBL-variant is de beroepspraktijkvorming vaak onbetaald. Bij een BBL-opleiding ontvangt de BBL-er vaak salaris over de uren dat hij of zij werkt bij een erkend leerbedrijf.
  • En BOL-leerling of student heeft verhoudingsgewijs een korte praktijkervaring met een beroepspraktijkvorming en heeft daardoor minder ervaring met bedrijven en bedrijfscultuur.

Voor- en nadelen BBL
In tegenstelling tot de BOL opleidingen, is de student tijdens een BLL opleiding werkzaam bij een organisatie. Dit maakt BBL een opleidingsvorm van praktische aard.

Voordelen van een BBL opleiding:

  • De leerling doet veel werkervaring op bij een erkend leerbedrijf.
  • De leerling kan meteen geld verdienen tijdens het werken bij het erkend leerbedrijf.
  • School wordt in het algemeen gefinancierd door de organisatie waar de leerling werkt. Dit kan bijvoorbeeld een technisch uitzendbureau zijn maar ook het erkend leerbedrijf.
  • Leerling wordt begeleid in het werk- en leerproces door een praktijkbegeleider en door school.
  • De leerling zal veel kennis opdoen van de werkprocessen, arbeidsmarkt en organisatiecultuur

Ook BBL kan nadelen hebben:

  • Doordat er (in het algemeen) maar één dag per week school is voor de leerling, vindt er minder theoretische scholing plaats. Het leren vanuit theorie wordt beperkt.
  • Bovenstaande heeft tot gevolg dat het doorstromen naar hogere theoretische opleidingen vaak een grote stap is voor BBL-ers.
  • De leerling heeft geen recht op studiefinanciering.
  • De leerling heeft geen recht op een studenten reisproduct. Eventueel kan de leerling wel reiskostenvergoeding krijgen voor het woon-werkverkeer naar het erkend leerbedrijf.
  • Er zijn weinig mogelijkheden om bij meerdere werkgevers werkzaam te zijn. De BBL-er heeft vaak een overeenkomst met het erkende leerbedrijf om daar gedurende de opleiding en een bepaalde periode daarna aan de slag te blijven.

Samenvattend
Er is dus een groot verschil in BOL- en BBL opleidingen. Het grootste verschil zit hem in de mate van praktische en theoretische scholing. Een (aankomend) student die besluit een MBO opleiding te gaan volgen kan voor deze keuze komen te staan. Het is dan van belang dat er een weloverwogen keuze wordt gemaakt, voor nu en de toekomst. Wanneer een (aankomend) student niet uit de keuze kan komen, kan hij of zij de site van het dichtstbijzijnde opleidingsinstituut raadplegen. Ook kan men contact opnemen met de scholeninstellen, deze kunnen vaak helpen bij het maken van een keuze. Er zijn verschillende technische uitzendbureaus die ook advies bieden aan (aankomende) BBL-ers. Een voorbeeld hiervan is het uitzendbureau Technicum. Met dit uitzendbureau heeft Technischwerken.nl een samenwerkingsverband gesloten. Als je een BBL-opleiding wil gaan doen kun je dat kenbaar maken door het invullen van het contactformulier of het doen van een aanmelding op de hoofdpagina via de knop ‘BBL Technicum).

Wat is middelbaar beroepsonderwijs (mbo)?

Het middelbaar beroepsonderwijs (mbo) is een onderwijsvorm in Nederland. Met de benaming ‘beroepsonderwijs’ wordt duidelijk gemaakt dat een mbo er op gericht is om leerlingen op te leiden voor de uitoefening van een bepaald beroep. Mbo-opleidingen worden in Nederland vooral gegeven op Regionale Opleidingencentra (roc). Dit is het geval met de mbo-opleidingen die gericht zijn op de techniek, bouw, sociale beroepen, zorg en economische beroepen. Deze mbo-opleidingen vallen onder het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap.

Agrarische Opleidingscentra
Er zijn ook zogenoemde ‘groene opleidingen’ die gericht zijn op tuinbouw, bosbouw, akkerbouw/ landbouw en dierhouderij. Deze ‘groene opleidingen’ worden gegeven op Agrarische Opleidingscentra (aoc). Deze groene opleidingen vallen onder het ministerie van Economische Zaken.

Vakinstellingen
Verder zijn er in Nederland vakinstellingen die ook mbo-opleidingen aanbieden aan leerlingen. Deze vakinstellingen bieden opleidingen in één specialistische branche. Hierbij kan gedacht worden aan bijvoorbeeld opleidingen gericht op grafische vormgeving aan het Grafisch Lyceum. Verder is er een Hout- en Meubileringscollege met specialistische opleidingen.

Particuliere opleidingsinstituten
In Nederland zijn er ook bijzonder instellingen die aan particulieren opleidingen bieden. Een aantal van deze bieden geaccrediteerde mbo-opleidingen. Leerlingen die een geaccrediteerde mbo-opleiding hebben behaald krijgen een erkend diploma. De particuliere opleidingsinstituten bieden vaak zeer specialistische opleidingen aan die gericht zijn op een bepaalde branche zoals kappersopleidingen en opleidingen die gericht zijn op uiterlijke verzorging zoals de opleidingen op particuliere schoonheidsinstituten.

Verschillende niveaus van mbo-opleidingen
Leerlingen kunnen een mbo-opleiding op verschillende niveaus volgen. De niveaus van mbo lopen van niveau 1 tot 4, waarbij niveau 1 het laagste niveau is en niveau 4 het hoogste niveau. Hieronder staat en korte uitleg over de niveaus:

  • niveau 1: dit opleidingsniveau leidt een kandidaat op tot assistent beroepsbeoefenaar. Dit niveau biedt geen startkwalificatie.
  • niveau 2: is een opleidingsniveau tot medewerker of basisberoepsbeoefenaar.
  • niveau 3: met dit opleidingsniveau is een leerling opgeleid tot zelfstandig medewerker of zelfstandig beroepsbeoefenaar. Dit wordt ook wel een vakopleiding genoemd.
  • niveau 4: is het hoogste mbo-niveau, leerlingen met dit opleidingsniveau zijn opgeleid tot middenkaderfunctionaris of gespecialiseerd beroepsbeoefenaar. Dit niveau geeft toegang tot een hbo-opleiding.

Bol en bbl mbo-opleidingen
Mbo opleidingen worden in Nederland in twee vormen gegeven. Het verschil in deze twee vormen zit in de verdeling tussen theorie en praktijk. De twee vormen mbo zijn als volgt:

  • De beroepsbegeleidende leerweg (bbl). In deze variant van mbo doet de mbo-leerling ‘werken en leren’. De leerling dient voor een bbl-plek een dienstverband van minimaal 24 uur bij een relevant bedrijf te hebben. Een relevant bedrijf is een bedrijf waarin de bbl-er werkzaamheden kan uitvoeren die verband houden met zijn of haar opleidingsrichting. Per week gaat de bbl-er één dag naar school. In het verleden werd dit systeem ook wel vakschool of streekschool genoemd. Ook de naam leerlingstelsel was in gebruik.
  • De beroepsopleidende leerweg (bol) is de tweede variant van mbo-opleidingen. Bol-leerlingen gaan vier of vijf dagen per week naar school. De leerling heeft geen vast dienstverband bij een bedrijf en is gedurende de opleiding meer op school dan in de praktijk aan de slag. Om toch een goed beeld te krijgen van de praktijk volgt de medewerker een stage. Deze stage wordt ook wel de beroepspraktijkvorming genoemd en moet verplicht worden gevolgd en afgerond door de leerling. Een leerling die een bol-opleiding volgt krijgt gedurende de opleiding minimaal 850 klokuren les en begeleiding.

Toetsing en examens
In tegenstelling tot het voortgezet onderwijs kent het mbo geen centraal examen behalve voor de vakken Rekenen en Nederlands. De inhoud van de mbo-opleidingen is landelijk in eindtermen en competenties vastgelegd. Ieder mbo-opleidingsinstelling bepaald echter zelf hoe de examens worden afgelegd. Hierbij kan gebruik worden gemaakt van zelf ontwikkelde toetsen en examens van landelijke organisaties. Uiteraard is het belangrijk dat het afstudeerniveau van mbo-opleidingen gewaarborgd blijft. Daarom houdt de Onderwijsinspectie toezicht op de examinering en de onderwijsprogrammering.

Toelatingseisen voor mbo
De toelatingseisen voor het mbo zijn afhankelijk van de vier verschillende niveaus waarin mbo-opleidingen worden ingedeeld. De toelatingseisen zijn als volgt:

  • voor mbo niveau 1 is er geen instoomdrempel. Op dit niveau kan in principe iedereen instromen.
  • voor mbo niveau 2 is er wel een instroomdrempel. Leerlingen die op dit niveau willen instromen moeten minimaal in bezit zijn van een vmbo-diploma Basisberoepsgerichte leerweg. In een aantal gevallen is er sprake van een drempelloze instroom voor niveau 2. Dit kan bijvoorbeeld het geval zijn wanneer er geen verwante niveau 1 verbonden is aan de opleiding. De leerling dient dan in ieder geval minimaal 16 jaar oud te zijn. De drempelloze instroom kan echter worden afgeschaft zodra het wetsvoorstel Entree-opleidingen wordt aangenomen.
  • voor mbo niveau 3 en 4 is ten minste een vmbo-diploma Kaderberoepsgerichte leerweg, Gemengde leerweg of Theoretische leerweg nodig om aan de instroomdrempel te voldoen. Of een leerling moet beschikken over een overgangsbewijs van havo/vwo 3 naar havo/vwo 4 nodig.

Als een leerling in bezit is van een havo-diploma of vwo-diploma kan hij of zij meestal aan een versneld opleidingstraject op mbo deelnemen.

Wat is een Regionaal opleidingscentrum ROC?

Een ROC is een regionaal opleidingencentrum, meestal wordt het ROC voluit een Regionaal opleidingscentrum genoemd. Dit is een samenwerkingsverband van onderwijsinstituten in  Middelbaar BeroepsOnderwijs (MBO). Daarnaast is het ROC gericht op volwasseneneducatie. Aan het einde van de jaren negentig van de twintigste eeuw zijn in Nederland ROC’s ontstaan. Dit gebeurde door verschillende fusies van een aantal MBO opleidingen. In totaal zijn meer dan vijfhonderd MBO’s samengevoegd tot ongeveer vijftig ROC’s. De vijftig ROC’s zijn echter wel aanzienlijk groter dan de vele kleine MBO’s die Nederland in het verleden had. Er zijn door de samenvoeging grote  onderwijsinstellingen in het middelbaar beroepsonderwijs ontstaan. Tegenwoordig worden Mbo-opleidingen gegeven door Regionale opleidingencentra (ROC), agrarische opleidingencentra (AOC) en vakinstellingen.

Verschillen tussen ROC’s, een AOC’s en een vakinstellingen?
Aan ROC’s kunnen opleidingen worden gevolgd in verschillende richtingen. De opleidingssectoren waar ROC’s zich op richten zijn techniek, economie, handel, zorg en welzijn. De AOC’s bieden middelbare beroepsopleidingen aan op het gebied van de groensector. Soms is het ook mogelijk om een opleiding in de groensector te volgen via een ROC maar over het algemeen is een AOC het aanwezen opleidingsinstituut voor agrarische opleidingen en overige opleidingen in de groene sector. Vakinstellingen hebben opleidingen die gericht zijn op één specialistische sector. Voorbeelden van vakinstellingen zijn bijvoorbeeld het Hout- en Meubileringscollege en een Grafisch Lyceum. Ook is er een vakinstelling voor haven en logistiek. Vakinstellingen zijn over het algemeen kleine specialistische opleidingsinstituten.

Stichting ROC.nl
Voor het toegankelijker maken van onderwijs is in 1998 de onafhankelijke Stichting ROC.nl opgericht. Deze stichting is vooral gericht op het toegankelijker maken van onderwijs en het verschaffen van informatie over opleidingen. Hierdoor kunnen leerlingen en volwassenen goed zien welke Mbo-opleidingen er gevolgd kunnen worden. Naast informatie over Mbo-opleidingen wordt er op de website ook informatie gegeven over Hbo-opleidingen. Daarnaast verstrekt stichting ROC.nl op de website informatie over beroepen zodat mensen zich een beeld kunnen vormen van een aantal beroepen. Hiervoor zijn op de website filmpjes geplaatst waarin kan worden meegekeken met een werknemer die een bepaald beroep in de praktijk uitoefent.

Wat is Beroepspraktijkvorming BPV en is het volgen daarvan verplicht?

In Nederland zijn verschillende opleidingsinstituten die Mbo-opleidingen aanbieden aan leerlingen. Het aantal verschillende Mbo-opleidingen in Nederland is groot. Ook in de techniek zijn veel verschillende opleidingen door leerlingen te volgen. Er zijn bijvoorbeeld opleidingen die gericht zijn op elektrotechniek, werktuigbouwkundige installaties, mechatronica en constructiebankwerken. Mbo staat voor Middelbaar Beroepsonderwijs. Op deze opleidingen leren leerlingen een beroep. Een beroep leer je echter niet alleen in de schoolbanken. Daarvoor is ook praktijkkennis nodig. Deze praktijkkennis komt onder andere aan de orde in de Beroepspraktijkvorming BPV. De stichting Samenwerking Beroepsonderwijs Bedrijfsleven SBB heeft een belangrijk invloed op de BPV.

Samenwerking Beroepsonderwijs Bedrijfsleven SBB
Binnen Samenwerking Beroepsonderwijs Bedrijfsleven SBB worden afspraken gemaakt tussen onderwijs en de bedrijven. De SBB is een stichting. Hierin zijn de sociale partners, VNO-NCW, MKB-Nederland, Colo en de MBO Raad verenigd. De SBB is in januari 2012 opgericht en werkt sinds de oprichting met steeds meer bedrijven en opleidingsinstanties samen. Op dit moment zijn er ongeveer zeventig onderwijsinstellingen die Mbo-opleidingen aanbieden. Hieronder vallen de regionale opleidingscentra en Agrarische opleidingscentra. Daarnaast zijn er in Nederland meer dan 200.000 erkende leerbedrijven. Waar Mbo-leerlingen hun beroepspraktijkvorming kunnen volgen. Er worden afspraken gemaakt binnen SBB met bedrijven en onderwijs over de beroepspraktijkvorming.

Wat is Beroepspraktijkvorming BPV?
Vanuit de SBB zijn richtlijnen naar voren gekomen voor Mbo-opleidingen. Hierin wordt onder andere het belang genoemd van het afstemmen van de leerstof op de praktijk. Mbo-opleidingen moeten leerlingen datgene leren wat in de praktijk wordt toegepast. Dit is niet alleen de wens van opleidingsinstituten, ook het MKB (het Midden en Klein Bedrijf) pleit voor het opdoen van praktijkervaring door Mbo-leerlingen in het bedrijfsleven. Daarom is het belangrijk dat de kennisoverdracht op een Mbo-opleiding praktijkgericht is.

Op een Mbo-opleiding wordt niet alleen gekeken naar de theoretische aspecten van een beroep. Ook de praktische aspecten zijn van groot belang. Deze praktijkkennis komt onder andere aan de orde tijdens stages. Deze stages worden Beroepspraktijkvorming genoemd. Dit word ook wel afgekort met BPV. Elke Mbo-opleiding maakt gebruik van een BPV.

Twee soorten Beroepspraktijkvorming BPV
Er zijn  twee verschillende soorten Beroepspraktijkvorming BPV. De eerste variant is de variant die wordt gedaan bij de beroepsbegeleidende leerweg (BBL). Dit wordt ook wel werkplekleren genoemd. Bij deze BPV-vorm werkt een leerling voornamelijk binnen het leerbedrijf. Dit is de meest praktijkgerichte vorm van MBO en wordt veel toegepast in de techniek. Daarnaast is er en tweede vorm van BPV. Dit is de vorm die wordt gedaan bij de beroepsopleidende leerweg (BOL). De BPV tijdens een BOL-opleiding is korter en wordt ook gedaan in een leerbedrijf.

Is het volgen van een BPV verplicht?
Het volgen van een BPV is voor Mbo-leerlingen verplicht. Het MKB wil dat opleidingsinstituten de leerlingen zoveel mogelijk ondersteunen bij de Beroepspraktijkvorming. De werkgevers willen hiervan zo weinig mogelijk administratieve last van ondervinden. Ondanks de taken die een Mbo-opleidingsinstituut overneemt kunnen niet alle bedrijven Mbo-leerlingen inzetten om hun BPV af te ronden. Alleen bij erkende leerbedrijven mogen Mbo-leerlingen hun Beroepspraktijkvorming volgen.

Erkende leerbedrijven
Niet alle bedrijven voldoen aan de richtlijnen die aan een leerbedrijf worden gesteld. Voordat een bedrijf een erkend leerbedrijf is moet aan een aantal eisen worden voldaan. Of een bedrijf aan de eisen voldoet is ter beoordeling van een kenniscentrum voor beroepsonderwijs bedrijfsleven. Er zijn in Nederland verschillende kenniscentra aanwezig. Voor de techniek is het kenniscentrum Kenteq. Dit is het Kennis- en adviescentrum voor technisch vakmanschap. Kenteq beoordeelt of een bedrijf aan de voorwaarden voldoet om een leerling op te leiden in een bepaald beroep of vak. Hierbij wordt onder andere gekeken naar de deskundigheid van de praktijkopleider die de leerlingen het vak moet leren. Daarnaast word aandacht besteed aan de leeromgeving. De leeromgeving moet veilig zijn voor de leerling en moet daarnaast voldoende mogelijkheden bieden om het vak uit te kunnen oefenen. De werkzaamheden die worden uitgevoerd moeten passen bij de opleiding en het niveau van de leerling.