Verdwijnt vakmanschap uit Nederland door automatisering?

De afgelopen jaren zijn veel bedrijven in de industrie bezig met lean management of processen die sterk lijken op dit bekende model dat afkomstig is uit de fabrieken van Toyota. Uiteindelijk zijn leanprocessen een reïncarnatie van scientific management.  Het scientific management werd eerder aan het begin van de twintigste eeuw ingevoerd in de fabrieken van Ford. Door processen te standaardiseren kon een constante kwaliteit geleverd worden met een constante snelheid. De productieprocessen werden in de loop der jaren gemechaniseerd. Zelfs de landbouw werd gemechaniseerd waardoor dieren en mensen steeds minder spierkracht hoefden te gebruiken.

Automatisering

Na de mechanisering deed de automatisering haar intrede. Processen werden in het verleden nog door mensen bestuurd. De mens hanteerde mechanische machines om van grondstoffen producten te maken.  De mens gebruikte zijn verstand om de processen in fabrieken aan te sturen. Procesoperators hielden de processen in een fabriek in de gaten en zorgden er voor dat er probate oplossingen werden geboden als er problemen ontstonden in het proces. Deze werkwijze word in veel fabrieken nog toegepast. Toch ziet men dat er meer geautomatiseerd wordt. Doormiddel van software zoals SCADA en PLC’s doen veel computerssystemen het denkwerk voor mensen.

Deze systemen geven bovendien inzage in de input en output van machines. Een geavanceerde machine kan zelfs in de software duidelijk de locatie van een storing aangeven zodat de onderhoudsmonteur de storing snelker kan vinden en effectiever kan oplossen. Door automatisering word het productieproces overzichtelijker en kan men de verschillende schakels in het productieproces beter op elkaar afstemmen. Hiervoor wordt onder andere SCADA software gebruikt. Doordat machines nu ook, met behulp van gegevens die worden verkregen door sensoren, ‘beslissingen’ kunnen maken wordt de mens in het productieproces steeds meer een overbodige factor. De kwaliteit van producten wordt steeds beter controleerbaar en de snelheid van productieprocessen wordt eveneens inzichtelijker.

Standaardproducten

Doordat de kwaliteit, de vormgeving en het materiaal van producten constanter wordt krijgt men te maken met standaardproducten. Met name in de massaproductie worden veel standaardproducten geproduceerd. Door massaal dezelfde producten te produceren kan men dezelfde matrijzen,  stempels en mallen gebruiken voor producten. De machines waarin de stempels,  matrijzen of mallen zijn  vastgemaakt kunnen bij een massaproductie snel worden terugverdiend waardoor producten goedkoper worden. Dit is voor veel consumenten aantrekkelijk.

Gebrek aan maatwerk

Omdat er door de massaproductie weinig mogelijkheden zijn om de eigenschappen van producten te wijzigen en af te stemmen op de wensen van de klant, krijgen klanten vrijwel allemaal hetzelfde product. Alleen de kleur kan soms wisselen.  Bij autofabrikanten is het echter wel mogelijk om tegen een meerprijs extra componenten te laten inbouwen in een auto. Bij veel goedkopere producten is deze vorm van maatwerk echter niet mogelijk. Hierbij kan men denken aan, kleding, schoenen, tassen en andere producten die men dagelijks gebruikt.

Gebrek aan vakmanschap

Men is gewend aan het feit dat machines tegen een goedkope prijs producten produceren. Dat deze producten standaard zijn nemen veel mensen voor lief, er staat immers een goedkope prijs tegenover. In het verleden kon men echter wel bij verschillende vakmensen of vaklieden een specifieke product laten vervaardigen dan niet door machines kon worden geproduceerd.  Hierbij kan men denken aan kleermakers, schoenmakers, smederijen, pottenbakkers en meubelmakers. Vij deze bedrijven werkten zeer vakbekwame personen die het werk meestal met de hand deden. Hun handvaardigheid werd vaak van vader op zoon en van leerling op gezel overgedragen. Door de opkomst van fabrieken zijn bijna alle ambachtelijke verdwenen in Nederland.

Prijs is belangrijker dan vakmanschap

Omdat voor veel mensen de prijs belangrijker is geworden dan vakmanschap konden veel vaklieden hun bedrijf niet meer rendabel houden. Een vakman kost salaris. Personeel vormt de grootste kostenpost voor veel bedrijven. In een groot productiebedrijf kan een machinebediener een machine hanteren om duizenden producten te produceren. Een vakman moest in de praktijk vaak in zijn eentje aan een product werken waardoor de kosten van het personeel slechts over een product berekend konden worden. Een productiebedrijf kan deze kosten echter over duizenden producten uitsmeren. Door automatisering kan men nog meer personeelskosten besparen waardoor producten nog goedkoper worden. Maar als consumenten een uniek product willen kunnen zien niet meer bij fabrieken in de massaproductie terecht.

Te kort aan vakmanschap 

Nederland heeft een te kort aan ambachtslieden en vakmannen die unieke producten kunnen bedenken en maken. Ambachtslieden zijn in staat om consumenten te helpen bij een oplossing van een probleem doordat zij producten kunnen maken die iemand anders niet kan maken. Doordat vakmanschap in Nederland bijna is uitgestorven kunnen een hoop consumenten niet meer datgene kopen wat ze willen. Fabrieken bepalen het aanbod. Vakmannen worden tegenwoordig bijna alleen ingeschakelt om kapotte producten te repareren. Toch vindt er een nieuwe tendens plaats. Verschillende mensen zijn hobbymatig met vakmanschao bezig waardoor vakmanschap in stand gehouden wordt. Misschien biedt dat hoop voor de toekomst?

Wat is de lagere technische school (lts) tegenwoordig?

De lagere technische school (lts) was een schooltype in Nederland. De lts werd in het verleden ook wel de ambachtsschool genoemd maar die benaming is niet helemaal juist. De lts ontstond uit de ambachtsschool. De ambachtsschool was over het algemeen twee jaar en te lagere technisch school bood vierjarig lager technisch onderwijs. Rond het jaar 1968 werd de naam ambachtsschool veranderd in lagere technische school. Deze school werd ook wel genoemd bij de afkorting: lts.

Jongensscholen
Lts-scholen waren tot 1977 meestal strikte jongensscholen. De vrouwenemancipatie bracht hier verandering in. Vanaf 1977 werden lts-scholen ook toegankelijk voor vrouwen en meisjes. Langzamerhand kwamen er ook meer meisjes op de lts.

Praktijkstroom en Theoriestroom
De lts had twee verschillende stromen. Dit was de praktijkstroom die ook wel P-stroom werd genoemd en de theoriestroom die ook wel T-stroom werd genoemd. De praktijkstroom was een vorm van eindonderwijs. Dit hield in dat de leerlingen in de praktijkstroom werden voorbereid op een beroep in de arbeidsmarkt. De theoriestroom was gericht op het doorstuderen. Leerlingen leerden in de theoriestroom voldoende theoretische kennis om door te studeren naar een middelbare technische school (mts).

Kiezen van vakrichting
Op de lts waren de eerste twee jaar algemeen technisch. Dit hield in dat de leerlingen les kregen in verschillende technieken. Hierdoor konden de leerlingen zich een beeld vormen van de beroepen en beroepsgroepen die in de techniek aanwezig zijn. Na de twee algemene jaren moesten de leerlingen een specifieke vakrichting kiezen. De volgende vakgebieden waren gebruikelijk:

  • Schildertechniek
  • Voertuigentechniek
  • Elektrotechniek
  • Installatietechniek
  • Bouwtechniek
  • Metaaltechniek

De vakgebieden van lts-scholen kwamen met elkaar overeen. Sommige lts-scholen boden echter ook aanvullende vakgebieden aan zoals techniek voor edelsmeden. Daarnaast waren er lagere technische scholen die individueel technisch onderwijs (ITO) aanboden aan leerlingen die meer ondersteuning nodig hadden op het gebied van leren. Verder waren er lts-scholen die een vijfde leerjaar aanboden waarin leerlingen vakken konden leren op lts-C-niveau. Deze vakken konden de leerlingen leren zodat ze beter konden doorstromen naar de middelbare technische school. Sommige lts-scholen hadden in de avonduren een mogelijkheid om voor volwassenen een opleiding te volgen. Dit werd ook wel volwassenonderwijs genoemd.

Lts A, B, C en D-niveau
Op lts-scholen werd het niveau van leerlingen ook wel ingedeeld in 3 tot 4 verschillende niveaus. Niveau A en B waren bij deze indeling de laagste niveaus. Meestal werden leerlingen die dit leerniveau hadden ingedeeld in individueel technisch onderwijs (ITO). Bij de ITO kregen de leerlingen extra begeleiding bij hun leerproces. Niveau C was het niveau voor de reguliere lts. Sommige lts-scholen boden vanaf 1988 ook vakken zoals wiskunde en natuurkunde op D-niveau. Leerlingen die deze vakken volgden kregen leerstof die voldoende aansluiting bood op het opleidingsniveau van de middelbare technisch school.

Lts werd vbo
De lts werd in 1992 een onderdeel van het voorbereidend beroepsonderwijs (vbo). Het vbo is een vorm van voortgezet onderwijs en de opleidingen duurden vier jaar. Leerlingen op het vbo hadden een leeftijd van twaalf tot zestien jaar. Na afloop van het vbo konden leerlingen doorstuderen op het middelbaar beroepsonderwijs mbo of de middelbare technische school (mts).

Vbo werd vmbo
In 1999 is de vbo samen met de mavo opgegaan in het voorbereidend middelbaar beroepsonderwijs (vmbo). De lts was als het ware de voorloper van de technische richting van het vmbo. Het vmbo biedt vier verschillende leerwegen. Dit zijn de leerwegen:

  • Basisberoepsgerichte leerweg (BB)
  • Kaderberoepsgerichte leerweg (KB)
  • Gemengde leerweg (GL)
  • Theoretische leerweg (TL)

Binnen het vmbo zijn de leerwegen weer onderverdeeld in afdelingen en programma’s. De afdelingen zijn:

  • Sector Techniek Bouwtechniek
  • Sector Zorg en welzijn
  • Sector Economie
  • Sector Landbouw

De sector ‘Techniek Bouwtechniek’ bevat verschillende programma’s. Deze programma’s zijn allemaal gericht op een specifieke techniek. De volgende programma’s kunnen worden aangeboden binnen de sector Techniek Bouwtechniek:

  • Timmeren,
  • Metselen,
  • Schilderen,
  • Meubelmaken,
  • Elektrotechniek,
  • Grafische techniek,
  • Installatietechniek,
  • Metaaltechniek,
  • Transport en logistiek,
  • Voertuigentechniek.

Verder bevat het vmbo ook Intrasectorale programma’s zoals Bouwtechniek-breed, Techniek-breed, Instalektro en Metalektro. Deze algemene programma’s bieden brede kennis over een bepaalde sector in de techniek.

Wat is klinken en klinkwerk in de metaaltechniek?

Metalen delen van een constructie kunnen op verschillende manieren aan elkaar worden bevestigd. Een voorbeeld van een uitneembare bevestigingsmethode is een bevestiging die doormiddel van schroeven of bouten tot stand wordt gebracht. Schroeven en bouten kunnen worden losgedraaid. Voorbeelden van een niet-uitneembare verbindingen zijn luimverbindingen of verbindingen die doormiddel van lassen tot stand wordt gebracht. Een andere methode om metalen delen van een werkstuk aan elkaar te verbinden is klinken. Klinken is een bevestigingsmethode en wordt ook wel klinkwerk genoemd. Bij deze bevestigingsmethode wordt gebruik gemaakt van speciale nagels de zogenoemde klinknagels. Klinken wordt over het algemeen toegepast bij het verbinden van lapnaad, een enkele stripverbinding en een dubbele stripverbinding. Tegenwoordig wordt klinken bijna niet meer toegepast. Hieronder is informatie weergegeven over deze bevestigingstechniek.

Wat zijn klinknagels?
Klinknagels zijn bevestigingsmiddelen. Deze bevestigingsmiddelen hebben de vorm van een metalen pen. Deze pen heeft een uiteinde wat verdikt is. Deze verdikking wordt ook wel de zetkop genoemd. Er zijn verschillende varianten van zetkoppen. Zo zijn er klinknagels met een ronde of bolle kop, daarnaast zijn er ook klinknagels met een verzonken zetkop. Op de klinknagel wordt ook een kop geklonken. Deze kop wordt ook wel de sluitkop genoemd en zorgt er mede voor dat de klinknagel goed vast blijft zitten. De sluitkop kan zowel een bolle als platte vorm hebben. Klinknagels zijn over het algemeen gemaakt van zacht staal. Daarnaast worden er ook wel klinknagels gebruikt die van koper, aluminium of messing zijn vervaardigd.

Waar wordt klinken toegepast?
Kinken werd vroeger veel toegepast in de werktuigbouwkunde. Met name in de scheepsbouw werden delen van de casco’s van schepen aan elkaar geklonken. De luiken van schepen werden en worden doormiddel van luikenboutjes vastgemaakt, deze luikenboutjes zijn in feite ook klinknagels. Ook in de bouw van grote staalconstructies zoals metalen bruggen werden klinknagels gebruikt. Een bekend voorbeeld van een constructie die vrijwel volledig is geklonken is de Eiffeltoren in Parijs. Ook vuurtorens die van metaal zijn gemaakt kunnen geheel of gedeeltelijk geklonken zijn. Daarnaast werden ook klinknagels gebruikt in de machinebouw en de bouw van stoomlocomotieven.

Hoe wordt klinken uitgevoerd?
De diameter van de klinknagels kan verschillen. Klinknagels met een kleine diameter tot 8 millimeter worden meestal zonder voorverwarming geklonken. Klinknagels met een grotere diameter dan 8 millimeter worden over het algemeen eerst voorverwarmd. Daarna worden deze voorverwarmde klinknagels warm geklonken. Kinken gebeurd in de volgende volgorde:

  • De klinknagel wordt indien nodig verhit totdat deze roodgloeiend is. Men kan in plaats van een klinknagel ook een bout gebruiken met aangevormde klinkkop.
  • Vervolgens wordt de verhitte klinknagel in een gat gestoken. Dit gat wordt ook wel het klinkgat genoemd en is gemaakt in de twee delen die met elkaar verbonden moeten worden. de klinknagelsteel wordt door beide delen heen gestoken en moet vervolgens aan de achterzijde iets uitsteken. Dit houdt in dat de klinknagelsteel iets langer dient te zijn dan de gezamenlijke dikte van de delen die aan elkaar bevestigd moeten worden. De klinknagel wordt tegengehouden door een zetkop. Deze zetkop wordt in het Engels ook wel een dolly genoemd.
  • Het uiteinde van de klinknagelsteel wordt vervolgens plat geslagen met een hamer. Hierdoor ontstaat de sluitkop. De geklonken sluitkop kan in een bepaalde vorm worden gebracht. Hiervoor wordt de sluitkop nabewerkt met een zogenoemde snapper. De snapper is een staaf waarin de gewenste vorm van de sluitkop is uitgedraaid. Hierdoor kan een mooie gladde sluitkop worden gemaakt. Tegenwoordig gebruikt met voor het klinken een hamer die pneumatisch is aangedreven. Vroeger deed men klinken met de hand.
  • Nadat de klinknagel in positie is gebracht zal het staal krimpen door het afkoelen van de klinknagel. Hierdoor ontstaat er spanning in de klinknagel. Deze spanning zorgt er voor dat er een stevige verbinding ontstaat. Klinknagels kunnen alleen doormiddel van een destructieve methode worden verwijdert.

Klinken tegenwoordig
Tegenwoordig wordt veel minder gebruik gemaakt van klinken als bevestigingstechniek. Men past steeds vaker een lasverbinding toe aan boord van schepen. Ook in de bouw van machines en werktuigen heeft het lassen het klinken verdrongen. Hierdoor beheersen nog maar weinig mensen het klinken. In de reparatie van oude schepen en oude constructies past men het klinken soms nog wel toe als reparatie. Deze werkzaamheden worden meestal door restaurateurs gedaan die de oude ambacht van het klinken nog beheersen.

Wat is koperslager en wat doen koperslagers?

Koperslagers zijn vakmensen die koper en andere zachte metalen bewerken die koud vervormbaar zijn. Zachte metalen zoals koper kunnen op verschillende manieren worden bewerkt. Hierbij kan onder andere gedacht worden aan het knippen, zetten, buigen en felsen van dunne plaat. Koperslager is een oude ambacht die tegenwoordig niet veel meer wordt gebruikt. Net als een zinkwerker kunnen koperslagers ook worden ingezet voor het aanbrengen van dakbedekking. Koperslagers worden daarnaast ingezet voor het maken van sierlijke producten van koper zoals keukengerei. Hierbij werd gebruik gemaakt van een mal. De koper slager sloeg het koper om de mal heen in de gewenste vorm. Daar komt de naam koperslager vandaan.

Koperslager als oude ambacht
In het verleden was het beroep koperslager als ambacht bekender dan tegenwoordig. De meeste mensen weten niet wat een koperslager precies doet. Vroeger maakten koperslager veel verschillende producten. Hierbij gedacht worden aan de maken van melkbussen en melkemmers. Ook voor de maken van ketels werden in het verleden koperslagers ingezet. Koperslagers die ketels repareerden werden ook wel ketellappers genoemd. Een ketellapper maakte vroeger koperen ketels schoon en verrichtte hier reparaties aan. Door de industriële revolutie werd het beroep koperslager minder belangrijk. Verschillende machines werden gebruikt om koper in de gewenste vorm te persen of te walsen. Hierdoor kan koper tegenwoordig veel sneller in de juiste vorm gebracht worden.

Koper is een metaalsoort die goed koud vervormd kan worden. Daarnaast is koper in vergelijking tot materialen als zink of ijzer behoorlijk edel. Deze eigenschappen zorgden er voor dat vroeger koper veel werd gebruikt in uiteenlopende producten en installaties. Tegenwoordig wordt koper regelmatig vervangen door kunststoffen. Koper heeft echter wel een mooie warme uitstraling. Deze uitstraling maken het materiaal esthetisch aantrekkelijk. In luxe woningen, restaurants of utiliteit wordt daarom nog wel gebruik gemaakt van koper. Dit is dan met name voor delen van installaties die in het zicht zijn geplaatst. Het spreekt voor zich dat deze installaties vakkundig moeten worden aangebracht. De koperslagers van tegenwoordig zijn daarom nog steeds vakmensen.

Wat is een ambacht en welke soorten ambachten zijn er?

In de meeste definities wordt het woord ambacht omschreven als handwerk of werkzaamheden waarbij een product wordt vervaardigd door een ambachtsman. Bij ambacht staan de vaardigheden van de ambachtsman centraal. Ambacht is het geheel aan vaardigheden dat wordt aangeleerd om een bepaald beroep uit te kunnen oefenen. In het verre verleden leerde men een ambacht bij een gildemeester. Deze gildemeester leerde de leerling hoe bepaalde werkzaamheden uitgevoerd moesten worden. Hierbij werden grondstoffen verwerkt tot eindproducten.

Ambacht verandert
Ook vandaag de dag worden grondstoffen verwerkt tot eindproducten. De industrie heeft echter veel ambachten overgenomen. Daardoor zijn veel oude beroepen verdwenen. Zo wordt houtbewerking en metaalbewerking grotendeels machinaal gedaan. In het ambacht van tegenwoordig wordt ook gebruik gemaakt van mechanisering en automatisering. Hierbij valt bijvoorbeeld te denken aan elektrische gereedschappen die worden gebruikt bij de vervaardiging van bepaalde producten. Zo kan een schoenmaker gebruik maken van een machine om een zool vast te naaien. Ambachten veranderen en de vaardigheden van de ambachtsman veranderen ook.

Ambacht en industrie
Doormiddel van ambacht en industrie worden producten vervaardigd en geproduceerd.  Ambacht verschilt echter van de industrie. In de industrie worden producten in grote series gemaakt. veel productieprocessen zijn volledig geautomatiseerd. Hierdoor komt er nauwelijks ambacht meer aan de orde. Het fabrieksmatig produceren van producten wordt geen ambacht genoemd. Een belangrijk kenmerk van ambacht is namelijk het handwerk.

Onderverdeling van ambachten
Ambachten kunnen worden onderverdeeld. Hierbij wordt vooral gekeken naar de historie van de ambachten en de toepasbaarheid van ambachten in de tegenwoordige tijd. De onderverdeling bestaat daarom uit: museale ambachten en hedendaagse ambachten. Hieronder zijn een aantal voorbeelden gegeven waarmee deze onderverdeling wordt verhelderd.

Museale ambachten
Museale ambachten zijn ambachten die nauwelijks worden gebruikt voor de productie van goederen in Nederland. Voorbeelden hiervan zijn mandenvlechter, zeepmaker, touwslager, klompenmaker of bezembinder. Door de verregaande mechanisatie en automatisering van productieprocessen zijn deze ambachten in Nederland vrijwel geheel verdwenen. Af en toe worden deze ambachten nog wel getoond in museums of bij speciale evenementen.

Hedendaagse ambachten
Hedendaagse ambachten zijn bijvoorbeeld timmerman, smid, schoenmaker, metselaar, slager en bakker. Deze ambachten worden vandaag de dag nog uitgeoefend. Een bijzonder voorbeeld hiervan is het beroep molenaar. Nederland heeft nog verschillende molens die in gebruik zijn. Een korenmolenaar leert hoe hij of zij deze molens kan onderhouden en hoe bijvoorbeeld koren tot meel kan worden gemalen. Dit malen van meel is een voorbeeld van een ambacht waarbij een molen wordt gebruikt. De wieken van de molen draaien door de wind. Deze beweging wordt overgebracht op een molensteen waardoor deze gaat draaien en het koren vermaalt tot meel. In feite is deze ambacht een oude toepassing van windenergie.

Wat houdt het begrip kenniseconomie in en wat is het verband tussen kennis en innovatie?

Kennis is belangrijk voor een beschaving. Nadat God de aarde en mens had gecreëerd, had de mens de mogelijkheid om de aarde en de daarop aanwezige grondstoffen te benutten. De mens begon zelf met het creëren van eenvoudige werktuigen en gebruiksvoorwerpen. De menselijke beschaving heeft door de eeuwen heen een enorme groei doorgemaakt. Er zijn verschillende beschavingen geweest op aarde die voorop liepen ten opzichte van andere beschavingen in dezelfde periode. De reden waarom bepaalde beschavingen hoger waren dan andere beschavingen had soms te maken met een gunstige ligging, bijvoorbeeld bij vruchtbare grond of een gebied met veel belangrijke grondstoffen. Toch is het belangrijkste onderscheid tussen beschavingen het verschil in techniek en technologie. Door technisch beter ontwikkelt te zijn dan omringende bevolkingsgroepen konden beschavingen invloed uitoefenen in een grote regio. Kennis en macht zijn nauw aan elkaar verbonden. Dat is tot op de dag van vandaag nog steeds het geval.

Kennis en economie zijn aan elkaar verbonden
Belangrijke levensmiddelen en grondstoffen vormden in het prille begin van de mensheid op aarde de belangrijkste ruilmiddelen. Na verloop van tijd werden grondstoffen zoals goud, zilver, brons en andere metalen verwerkt in muntstukken. Geld werd een nieuw ruilmiddel en economieën ontstonden. Edelmetalen zoals goud en zilver waren het meest waardevast omdat deze metalen nauwelijks corroderen. Goud en zilver kon echter niet overal gevonden worden. Om goud en zilver te bemachtigen moest men er voor zorgen dat er producten en werktuigen werden geproduceerd die zo gewenst waren dat men bereid was om er goud en zilver voor te betalen.

Er ontstonden verschillende ambachten. De ambachten gingen na verloop van tijd in Europa samenwerking in gilden. Toen de industrialisatie begon door de uitvinding van de stoommachine werden verschillende productieprocessen gemechaniseerd. Machines namen de taken van mensen over. Landen die gebruik maakten van gemechaniseerde productieprocessen konden veel producten leveren zonder dat er veel arbeidskrachten betaald hoefden te worden. Deze landen hadden technologisch een voorsprong omdat ze de juiste kennis hadden om productieprocessen effectiever te laten verlopen. Door dit hogere kennisniveau konden de landen meer geld verdienen en draaiden hun economieën over het algemeen beter dan landen die een lager kennisniveau hadden. Kennis en economie zijn tot op de dag van vandaag nauw aan elkaar verbonden.

Verband tussen kennis en innovatie
Doordat kennis wordt toegepast kan innovatie worden gerealiseerd. Innovatie houdt verband met het ontwikkelen en implementeren van nieuwe producten en processen. Innovatie is een proces en wordt ook wel innovatieproces genoemd. Het moet voortdurend worden verbetert om een goede concurrentiepositie te behouden. Daarom moet worden geïnvesteerd in kennis. Dit was het grote probleem bij gilden in de middeleeuwen. Mensen die tot een gilde behoorden moesten de producten precies zo maken als de andere leden van het gilde deden. Een gildemeester zorgde er voor dat leerlingen de producten precies zo maakten als in het gilde gebruikelijk was. Ruimte om compleet afwijkende producten te maken was en niet of nauwelijks. Kennis werd doorgegeven maar werd bijna niet verrijkt. Daardoor ontstond bij veel gildes niet of nauwelijks innovatie. Dat was over het algemeen ook niet erg want andere leden van het gilde maakten precies dezelfde producten waardoor concurrentie onderling nauwelijks aanwezig was. Daarnaast hadden gilden bijna of geheel een monopolypositie met betrekking het leveren van bepaalde producten en diensten. Tegenwoordig is dat anders. Binnen de grenzen van een land heerst concurrentie. Ook buiten de grenzen van landen vind concurrentie plaats. Bedrijven zijn niet verzekerd van omzet en afzet. De sterk verbeterde transportmogelijkheden zorgen er voor dat het relatief eenvoudig is om goederen van het ene land naar een ander land te transporteren. Daarom moeten landen er voor zorgen dat ze voldoende kennis hebben voor de ontwikkeling van innovaties. Wanneer dit niet gebeurd wordt de concurrentiepositie na verloop van tijd steeds zwakker.

Innovatie op opleidingsinstituten in Nederland
Nederland is een land van regels en wetten. Dat is natuurlijk goed maar men moet uitkijken voor de vergissingen die in het verleden zijn gemaakt. Het is belangrijk om kennis over te dragen maar er moet ruimte blijven voor innovaties. Door zeer strenge kwaliteitseisen te stellen aan producten en duidelijk voor te schrijven hoe producten er uit dienen te zien bestaat de kans dat innovatie geen ruimte meer krijgt.

Dit kan gebeuren op opleidingsinstituten waar leerlingen en studenten wordt gevraagd om een bepaalde oplossing te bedenken voor een technisch probleem. Docenten die in minder ruime kaders denken zullen de theorie zeer nauwgezet naast de werkstukken van leerlingen leggen. Hierdoor zullen leerlingen geneigd zijn om datgene te produceren wat al eerder beproeft is. Dit is de veilige weg naar een goede beoordeling. Deze leermethode schaad echter het creatief denken van leerlingen en studenten. In het bedrijfsleven wacht hen een enorme uitdaging om buiten de kaders nieuwe producten te ontwikkelen waarmee ze hun bedrijf op een hoger niveau kunnen brengen ten opzichte van de concurrentie.

Verschillende technische opleidingsinstituten begrijpen dat lesstof ruimte moet bieden aan innovaties. Daarom wordt meer vanuit een opdracht of casus gewerkt. Bij de beoordeling van het resultaat wordt gekeken naar technische aspecten en veiligheidsaspecten. Ook de gebruiksvriendelijkheid van nieuwe producten is belangrijk. Studenten en leerlingen krijgen meer ruimte om werkstukken te maken die aan deze algemene eisen voldoen. Dit is van groot belang voor de technologische innovaties die Nederland in de toekomst nodig heeft.

Kenniseconomie en de regering
De regering van Nederland heeft de uitdaging om opleidingsinstituten voldoende te ondersteunen bij het creëren van een uitdagende leeromgeving van studenten en leerlingen. Daarnaast moet de regering ook de wet en regelgeving goed bekijken. Welke wet en regelgeving is noodzakelijk voor een land met betrekking tot het ontwikkelen van innovaties en welke wetten en regels staan een innovatieproces in de weg? Dit zijn vragen die niet alleen van belang zijn voor opleidingsinstituten, ook het bedrijfsleven wil hierop graag antwoorden zien. Bedrijven in opkomende economieën hebben meestal te maken met minder wet en regelgeving waardoor in die landen meer ruimte is voor pionieren, innoveren en uitvinden. In Nederland zou ook een klimaat moeten worden gecreëerd waarin ruimte is voor deze processen. Dan wordt het kennisniveau in Nederland groter en krijgt het land een sterke positie als kenniseconomie.