Rol van uitzendbureaus bij discriminatie in de arbeidsbemiddeling

Na het “onderzoek” van Radar over discriminatie in de uitzendbranche staat heel Nederland weer te schudden op haar grondvesten. In totaal zouden 47 procent van de uitzendondernemingen volgens het “onderzoek” van Radar mee zijn gegaan in het verzoek van een fictieve opdrachtgever om bepaalde bevolkingsgroepen niet mee te nemen in de selectie van de uitzendkrachten. De fictieve opdrachtgever zou daarbij aangegeven hebben dat er 5 vacatures vervuld zouden kunnen worden door de uitzendonderneming en dat Surinamers, Turken of Marokkanen niet in niet geselecteerd mochten worden omdat de “klant” daar slechte ervaringen mee had. Hieronder volgen enkele kanttekeningen over dit gevoelige onderwerp en dit veelbesproken “onderzoek”.

“Onderzoek” van Radar over discriminatie bij uitzendbureaus
De acteur van Radar die een discriminerende “klant” met een aantrekkelijke commerciële opdracht moest spelen zette in feite een val op voor de intercedent door eerst zelf te discrimineren en het zo aantrekkelijk mogelijk te maken voor de intercedent om mee te gaan in de discriminatie. Het feit dat een aantal intercedenten het commercieel belang vooropstelden en toch meegingen in de discriminerende aanvraag is natuurlijk niet goed te praten. Toch kan men op basis van een dergelijk onderzoek niet de keiharde conclusie verbinden dat uitzendbureaus vaak discrimineren. Men kan al helemaal niet zeggen dat het initiatief voor discriminatie bij de uitzendonderneming ligt.

Assertiviteit
De discriminatie komt in de meeste gevallen eerder van de opdrachtgever vandaan dan van het uitzendbureau. Dat blijkt indirect ook uit het “onderzoek” van Radar. Het uitzendbureau moet deze discriminatie opmerken en heeft dan de morele plicht om de opdrachtgever te wijzen op het verbod op discriminatie op basis van Artikel 1 van de Grondwet. Dat vereist echter van een intercedent een bepaalde assertiviteit. Daarnaast kan de intercedent in kwestie ook bang zijn om opdrachten te missen. Uitzendbureaus hebben natuurlijk een financieel en commercieel belang en zullen dit moeten afwegen tegen het morele belang. Uiteraard moet discriminatie verworpen worden maar intercedenten die voor het blok worden gezet moeten van goede huize komen om hun (potentiële) opdrachtgevers te berispen. Daarbij kan het ook nog zo zijn dat het uitzendbureau geen geschikte kandidaat heeft met een etnische achtergrond voor de vacature. In dat geval kan de intercedent gemakkelijk meegaan met het verkeerde discriminerende voorstel van de opdrachtgever. Dit is uiteraard fout maar er zijn wel twee fout. De opdrachtgever is namelijk de partij die aanzet tot discriminatie het uitzendbureau geeft deze aanzet niet.

Discriminatie
Discriminatie, het is een zwaar en beladen onderwerp. Mensen die het woord ‘discriminatie’ horen schrikken en reageren afkerend. Terecht want het ongelijk behandelen of uitsluiten van mensen op basis van huidskleur, geloof, leeftijd, handicap enz. is verkeerd en in een aantal gevallen zelfs strafbaar. Inderdaad ‘in een aantal gevallen’ je leest het goed. Want de overheid in Nederland heeft namelijk ook “positieve discriminatie” ingevoerd.

Positief discrimineren mag althans dat vind de overheid. Bij positieve discriminatie worden juist etnische minderheden of andere groepen geprefereerd, of beter gezegd voorgetrokken, boven de grote massa. Dat lijkt nobel maar is het wel nobel als je het gevoel hebt dat iemand je specifiek meer kansen wil geven (op bijvoorbeeld werk) puur omdat je tot een bepaalde bevolkingsgroep, ras of andere minderheid behoort? Dan wordt je positie als minderheid alleen maar benadrukt.

Je bent bijvoorbeeld niet positief aan het discrimineren wanneer je op de bouw alleen maar blanke mannen uit Friesland aan het werk wil hebben. In dat geval ben je wel degelijk aan het discrimineren omdat andere bevolkingsgroepen inclusief etnische minderheden zijn uitgesloten van de selectie. Wanneer je echt oprecht je werk op een ethisch verantwoorde wijze wil doen zal je elke vorm van discriminatie resoluut moeten afwijzen. Dat is transparant en maakt dat je een solide beleid over dit onderwerp kunnen formuleren en implementeren in de gedragscode van de uitzendorganisatie. Echter zal men uitzendorganisaties moeten controleren op de naleving hiervan als men echt een duidelijk beeld wil krijgen van de eventuele aanwezigheid van discriminatie in de uitzendbranche.

Wie controleert de uitzendbranche op discriminatie?
De opmerking: wie controleert uitzendbureaus op discriminatie is niet eenvoudig te beantwoorden. Inspecteurs die het kwaliteitskeurmerk voor uitzendbureaus moeten handhaven en verschillende brancheorganisaties voor uitzendondernemingen geven aan dat er op papier veel is vastgelegd over discriminatie in de uitzendbranche. In een artikel op de website van de NOS geeft John Verboom een kwaliteitsmanager bij Q-inspectie aan dat zijn organisatie weliswaar het kwaliteitskeurmerk controleren maar “geen specifieke controle op discriminatie” uitvoeren.

Daaraan voegt hij toe: “Hoe zou je dat ook kunnen toetsen, of er gediscrimineerd wordt?” Er blijkt feitelijk geen controle te zijn op discriminatie binnen de uitzendbranche. Maar is die controle er wel op bedrijven die discrimineren? Het feit dat sommige uitzendbureaus bereid zijn om in te gaan op discriminerende selectiecriteria van (potentiële) opdrachtgevers geeft aan dat discriminerende selectiecriteria vaker worden genoemd door bedrijven en dat uitzendbureaus niet verbaasd hierop reageren. Dit houdt ook in dat deze bedrijven deze discriminerende selectiecriteria ook hanteren wanneer ze besluiten om zelf de werving en selectie van hun eigen personeel op te nemen en daarbij besluiten om geen uitzendbureau in te schakelen. Door op basis van het “onderzoek” van Radar de focus te leggen op uitzendbureaus ontwijkt men een veel groter maatschappelijk probleem namelijk discriminatie in het gehele bedrijfsleven. Tja, dat is lastig aan te pakken, laten we uitzendbureaus dan maar politieagentje spelen dat is wel zo gemakkelijk?

Uitzendbureaus kunnen discriminatie bestrijden
Uitzendbureaus worden ook wel de graadmeter voor de economie genoemd maar in feite zijn deze intermediairs veel meer. Ze zien ook de ontwikkelingen op de arbeidsmarkt en kunnen daarnaast ook duidelijk een tendens bijhouden in profielen die worden gevraagd door hun opdrachtgevers. Dit zorgt er voor dat uitzendbureaus zelf het beste kunnen zien of er meer discriminerende aanvragen bij hen worden neergelegd door opdrachtgevers.

In plaats van uitzendbureaus in de hoek van organisaties te drukken die meegaan met discriminerende aanlokkelijke aanvragen kunnen uitzendbureaus een belangrijke oplossing vormen. Wanneer de overheid uitzendondernemingen praktische handvaten zou geven waarmee deze intermediairs de discriminatie van opdrachtgevers zouden kunnen ombuigen tot positieve interesse in alle kandidaten ongeacht afkomst dan ben je goed op weg.

Uitzendbureaus zijn werkgever voor iedereen
Vergeet niet dat veel mensen met een etnische achtergrond via uitzendbureaus aan het werk worden geholpen. Voor veel van de door Radar genoemde “Surinamers, Turken en Marokkanen” is een uitzendorganisatie dikwijls de springplank geweest naar een baan bij een mooi bedrijf. De reden hiervoor is niet schijnheilig maar juist heel pragmatisch. Uitzendondernemingen zien kansen en mogelijkheden waar veel bedrijven die kansen en mogelijkheden niet direct zien. Daarom zijn uitzendbureaus belangrijk voor de arbeidsmarkt maar ook voor de integratie van bepaalde bevolkingsgroepen in de maatschappij.

NBBU reageert op uitzending Radar over discriminatie in de uitzendbranche januari 2018

Consumentenprogramma Radar heeft op maandag 29 januari 2018 aandacht besteed aan het onderwerp: discriminatie door uitzendbureaus. Hiervoor heeft Radar een onderzoek laten uitvoeren waarbij 78 uitzendbureaus uit de provinciale hoofdsteden werden benaderd door een werknemer van een fictief bedrijf met een aanvraag voor uitzendkrachten. Daarbij werd ook expliciet gevraagd aan het uitzendbureau om rekening te houden met discriminerende selectiecriteria. De ‘aanvrager’ of ‘opdrachtgever’ vroeg aan de desbetreffende uitzendondernemingen om bepaalde bevolkingsgroepen zoals Surinamers, Turken en Marokkanen niet mee te nemen in de selectieprocedure omdat de opdrachtgever hier “slechte ervaringen” mee zou hebben. Uit het onderzoek kwam naar voren dat bijna de helft van de uitzendbureaus die werden benaderd met het discriminerende verzoek meegingen.

NBBU-uitzendbureaus
De Nederlandse Bond van Bemiddelings- en Uitzendondernemingen(NBBU) is een brancheorganisatie voor uitzendondernemingen en andere arbeidsbemiddelaars op de arbeidsmarkt. De NBBU is in 1994 opgericht en heeft ruim 1000 leden. Daardoor heeft deze brancheorganisatie een grote invloed op de uitzendbranche en weet deze organisatie goed wat er in deze branche speelt. Veel uitzendbureaus zijn aangesloten bij de NBBU. Ook uitzendbureaus die bij deze brancheorganisatie aangesloten zijn werden benaderd in het onderzoek van Radar. Dit verklaard de NBBU op haar website. In deze verklaring geeft de NBBU aan hoeveel van haar leden zijn benaderd en wat de directeur van de NBBU van het onderzoek en de uitkomst daarvan vind. Volgens de NBBU zijn 5 uitzendbureaus van de 78 benaderde uitzendbureaus NBBU leden. Van deze vijf uitzendbureaus zouden vier uitzendbureaus zijn meegaan in het discriminerend verzoek.

Reactie van NBBU
NBBU-directeur Marco Bastian noemde het “ontoelaatbaar” dat vier van de vijf NBBU uitzendbureaus zijn meegegaan in het discriminerende verzoek van de fictieve opdrachtgever van Radar. Er wordt door de NBBU benadrukt dat intercedenten en klanten voortdurend moeten worden voorgelicht en geïnformeerd over het onderwerp discriminatie. Uitzendbureaus moeten hierin hun verantwoordelijkheid nemen. Marco Bastian van de NBBU geeft aan: “Onderscheid maken naar leeftijd, geslacht en afkomst is per definitie in strijd met de wet”. Daarbij doelt de NBBU-directeur waarschijnlijk op artikel 1 van de Grondwet en de Algemene Wet Gelijke Behandeling (AWGB).

Marco Bastiaan verklaard verder: “Dat er nog altijd bedrijven zijn die ingaan met dit soort verzoeken is onbegrijpelijk. Toch keert dit onderwerp steeds maar weer terug. Kennelijk overtreden sommige uitzendbureaus liever de wet dan dat ze een klant op andere gedachten brengen. Misschien speelt ook onwetendheid een rol, een gebrek aan het besef dat meegaan in een dergelijk verzoek passieve discriminatie – dus discriminatie – is.”

De directeur van de NBBU geeft verder aan: “De uitzendbranche is in het algemeen goed bezig. We helpen mensen aan werk en laten mensen doorstromen. Dan blijft het jammer dat je het aanzien van de branche verpest omdat je voor de klant zwicht, zonder echt in gesprek met hem of haar te zijn gegaan. De oplossing hiervoor ligt wat ons betreft in het blijven informeren en voorlichten van leden en hun medewerkers. Uit eigen onderzoek blijkt dat dit werkt en dat gelukkig steeds minder leden meegaan met discriminerende verzoeken. Uiteindelijk gaat het om het veranderen van de mindset, maar kennelijk is dat een proces dat langer duurt dan ons lief is.”

NBBU wil oplossingen
De NBBU overlegt op dit moment met stakeholders om oplossingen te bespreken voor dit brede maatschappelijk probleem. Uitzendbureaus moeten weten welke richtlijnen vanuit de wet worden geboden over het voorkomen van discriminatie. Daarin moeten uitzendbureaus hun verantwoordelijkheid nemen. Uitzendbureaus moeten weten hoe ze moeten omgaan met het onderwerp discriminatie en moeten ook weten hoe ze met opdrachtgevers om moeten gaan die discrimineren. Volgens de NBBU werken de oplossingen in de praktijk over het algemeen goed. Intermediairs die aangesloten zijn bij de NBBU moeten in hun beleid maatregelen opnemen om discriminatie te voorkomen. Ook in het intercedentenexamen van de Stichting Examens Uitzendbranche (SEU) wordt het onderwerp discriminatie behandeld.

Tijdens het trainingstraject voor het SEU wordt de (toekomstig) intercedent getraind om discriminatie te herkennen en te voorkomen. Verder kunnen leden van de NBBU de app Diversiteit Loont downloaden via STOOF. Bovendien heeft de NBBU een speciale poster laten ontwikkelen. Hierop staat een praktisch stappenplan voor intercedenten waarin ze worden geholpen om discriminerende verzoeken tegen te gaan. De kern is dat intercedenten niet moeten meegaan in discriminerende verzoeken maar dat ze doorvragen naar de beweegredenen om dergelijke verzoeken te uiten bij een uitzendbureau. Opdrachtgevers moeten vanuit uitzendorganisaties te horen krijgen dat discriminatie niet is toegestaan en dat een uitzendonderneming zich net als haar opdrachtgevers aan de wet moet houden.

Wat is een ongevallenonderzoek?

Werkgevers dienen er alles aan te doen om de werkplek zo veilig en gezond mogelijk te maken voor werknemers, bezoekers en het milieu. Dit zijn werkgevers vanuit de Arbowet verplicht. Ondanks deze duidelijke richtlijn kunnen niet alle risico’s worden weggenomen omdat bij sommige bedrijven het dan niet meer mogelijk is om hun bedrijfsvoering te ontplooien. Bedrijven dienen daarom doormiddel van een Risico Inventarisatie & Evaluatie hun risico’s in kaart te brengen en doormiddel van een plan van aanpak aan te geven hoe ze de geconstateerde risico’s gaan aanpakken. Daarbij dienen zowel leidinggevenden als uitvoerende personeelsleden betrokken te worden. Vooral onveilige situaties kunnen in de praktijk dikwijls effectief worden aangepakt. Desondanks is het mogelijk dat er een ongeval plaatsvind. Als er sprake is van een ernstig ongeval dan dient een bedrijf dit te melden bij de overheidsinspectiedienst Veiligheid en Gezondheid. Deze overheidsinspectiedienst kan dan besluiten om een ongevallenonderzoek uit e laten voeren.

Wanneer een ongevallenonderzoek?
Ongevallen dienen in ieder geval bij de overheidsinspectiedienst Veiligheid en Gezondheid  wanneer:

  • De betrokkene wordt opgenomen in het ziekenhuis
  • Wanneer iemand is overleden bij het ongeval
  • Wanneer er blijvend letsel wordt opgelopen ten gevolge van het ongeval

In sommige gevallen zal een ongeval ook gemeld moeten worden bij de politie. Bij ernstige ongevallen bijvoorbeeld ongevallen met dodelijke afloop mag de werkplek niet worden gewijzigd of opgeruimd zodat de onderzoekers precies kunnen nagaan wat er heeft plaatsgevonden en wat de mogelijke oorzaken daarvan zijn geweest.

Waarom een ongevallenonderzoek?
De overheidsinspectiedienst Veiligheid en Gezondheid kan een ongevallenonderzoek doen om de oorzaak van het ongeval te achterhalen. Daarbij kan worden verduidelijkt wat de toedracht is geweest van het ongeval en wie daarvoor verantwoordelijk is of verantwoordelijk zijn. Het belangrijkste aspect waarom een ongevallenonderzoek wordt gedaan is het voorkomen dat een dergelijk ongeval weer plaats gaat vinden. Door de oorzaken van het ongeval te achterhalen kan men ook nagaan welke aspecten men moet aanpakken om een herhaling in de toekomst te voorkomen.

Waaruit bestaat een ongevallenonderzoek?
Een ongevallenonderzoek bevat een aantal delen of elementen, dit zijn de volgende:

  • Onderzoek op plaats van het ongeval. Er wordt onderzoek gedaan op de plek waar het ongeval plaats heeft gevonden. Daarbij wordt gekeken naar de materialen, machines, producten en andere objecten die op de plaats van het ongeval aanwezig zijn. Daarom is het belangrijk dat men deze na het ongeval niet gaat veranderen. Een ongevallenonderzoek dient zo snel mogelijk na het ongeval plaats te vinden zodat de plaats van het ongeval niet verandert is. De onderzoekers kunnen gebruik maken van foto’s en schetsen om duidelijk te maken hoe de situatie er uit ziet. Ook kan de onderzoeker bekijken of de benodigde waarschuwingssignalen aanwezig zijn op de werkplek.
  • Interview. Onderzoekers leggen vast wie er wordt geïnterviewd naar aanleiding van het ongeval. De slachtoffers en de getuigen zullen indien mogelijk worden betrokken bij het onderzoek. De personeelsleden en omstanders die het ongeval hebben gezien zullen aan het onderzoek mee moeten werken als dat aan hen wordt gevraagd. Meestal gebeurd dat in een interview waarbij vragen aan de getuige worden gesteld om de oorzaken van het ongeval te achterhalen. Als iemand gevraagd wordt om te getuigen in een onderzoek dan is hij of zij verplicht om daaraan mee te werken. De onderzoeker kan vragen of de werknemers op de hoogte zijn van de risico’s op de werkplek. Ook kan de onderzoeker navragen of de persoon die het ongeval veroorzaakte onveilig heeft gehandeld en de voorschriften naast zich neerlegde of niet. De getuigenverklaringen worden vastgelegd en teruggekoppeld naar de getuigen.
  • Analyse. De onderzoeksresultaten worden geanalyseerd en er wordt gekeken naar verbanden tussen de informatie die uit de vorige stappen naar voren is gekomen. Daarbij kijkt men ook naar de manier waarop leidinggevenden en personeelsleden hebben gehandeld vlak voor het ongeval. Ook kijkt men of de gereedschappen en machines wel veilig genoeg waren of onjuist gebruikt werden (onveilig handelen). De onderzoekers analyseren de getuigenverklaringen. Ook wordt er verband gelegd tussen de directe en indirecte oorzaken van het ongeval.
  • Eindrapport. Tot slot wordt er een eindrapport opgesteld over het ongeval en de oorzaken daarvan. Ook worden aanbevelingen gedaan waarmee dergelijke ongevallen in de toekomst voorkomen zouden moeten worden.

Wat is destructief onderzoek DO en welke soorten destructief onderzoek zijn er?

Doormiddel van destructief onderzoek worden materialen getest op hun sterkte. Deze onderzoek vorm wordt ook wel afgekort met DO. Er zijn verschillende onderzoeksmethodes die onder destructief testen vallen. De aanduiding ‘destructief’ maakt duidelijk dat het materiaal dat getest wordt na afloop van de test niet meer bruikbaar is. Een materiaal of werkstuk wordt destructief onderzocht om na te gaan wat de kwaliteit is van dit materiaal of werkstuk. Er wordt informatie ingewonnen over de eigenschappen van het materiaal of het werkstuk zodat men weet wat de kwaliteit is van de materialen en werkstukken die op dezelfde wijze zijn geproduceerd of samengesteld als het geteste object. Daarbij wordt bij destructief onderzoek vooral aandacht besteed aan de bezwijkvorm van het testobject.

NDO niet-destructief onderzoek
Als men materiaal wil onderzoeken zonder dit te vernietigen kan men er voor kiezen om een niet-destructief onderzoek uit te voeren. Deze onderzoeken worden ook wel aangeduid met de afkorting NDO. Hierbij wordt het materiaal en werkstuk niet vernietigd. Er zijn voor NDO wel complexere technieken nodig dan de technieken die voor destructief onderzoek worden gebruikt. NDO wordt bijvoorbeeld gedaan doormiddel van röntgenfoto’s of doormiddel van geluidsgolven. Daarnaast zijn er nog verschillende andere varianten van NDO. Destructief onderzoek is over het algemeen eenvoudiger dan niet-destructief onderzoek.

Destructief testen
Na een destructieve test is het materiaal dat getest is onbruikbaar. Dit houdt niet in dat destructief testen zinloos is. Doormiddel van een destructieve test krijgt men informatie over de kwaliteit van een werkstuk. Al een lasser bijvoorbeeld een werkstuk heeft gelast doormiddel van een specifieke lasmethode kan zijn of haar werkstuk destructief worden getest. Na deze destructieve test heeft men een indruk van het niveau van de lasser en de kwaliteit van de lassen die hij of zij aanbrengt in toekomstige werkstukken. Destructief onderzoek wordt niet alleen toegepast bij lassen. Ook materiaal kan worden getest doormiddel van destructief onderzoek. Men kan verschillende soorten destructief onderzoek toepassen zoals bijvoorbeeld:

  • Impacttesten
  • Vermoeiingstesten
  • Hardheidstesten
  • Rektesten

Trekproef
Een trekproef is een variant van destructief onderzoek. Doormiddel van dit onderzoek kan men onder andere de treksterkte van een metaal of een metaallegering bepalen. Hierbij wordt een staafje testmateriaal in een machine geplaatst. De machine rekt het staafje testmateriaal op totdat deze uitelkaar breekt. Tijdens deze proef wordt de vervorming van het staafje nauwkeurig in de gaten gehouden. Met behulp van deze informatie wordt een spanning-rekdiagram gemaakt. Uit deze diagram kan worden afgelezen welke eigenschappen het materiaal heeft. Hierbij komen begrippen aan de orde zoals bijvoorbeeld: vloeigrens, treksterkte, elastische rek, elasticiteitsgrens, rekgrens en proportionaliteitsgrens.

Waarom is destructief onderzoek belangrijk?
Destructief onderzoek is belangrijk omdat men goed moet weten wat de eigenschappen zijn  van materialen voordat men deze gaat toepassen in constructies. Als men niet weet wat de eigenschappen zijn van materialen bestaat de kans dat er metaalmoeheid optreed en breuk met alle gevolgen van dien. Daarom willen tekenaars, engineers en constructeurs de eigenschappen van metalen goed weten. Destructieve onderzoeksmethodes kunnen een goed beeld geven van de materiaaleigenschappen. Daarnaast is het belangrijk dat de materialen goed aan elkaar worden gelast. Steekproefsgewijs kan men werkstukken van lassers testen op de kwaliteit van de lasverbinding. Deze informatie is belangrijk voor de verzekeraars en de gebruikers van de staalconstructie. Men wil er zeker van zijn dat de constructie conform de normen is ontworpen en gebouwd zodat men er veilig gebruik van kan maken.

Sneller internet en hoger inkomen

Het Zweedse telecombedrijf Ericsson heeft dinsdag 17 september 2013 een onderzoek gepresenteerd over internetgebruik. Uit dit onderzoek kwam naar voren dat gebruikers die een hogere internetsnelheid hebben ook een hoger inkomen hebben. Huishoudens met een lagere internetsnelheid verdienen over het algemeen minder.

Onderzoek Ericsson
Telecombedrijf Ericsson heeft het onderzoek heel breed aangepakt. Het bedrijf heeft gegevens gebruikt van huishoudens in ontwikkelde landen. Daarnaast heeft Ericsson ook gegevens gebruikt van huishoudens in Brazilië, India en China. Deze opkomende economieën zijn voor Ericsson interessant. Een stijging van 0,5 naar 4 Mbps in internetsnelheid zorgt bij de opkomende economieën voor een verhoging van het inkomen van 35 euro. In ontwikkelde landen zoals de West-Europese landen zorgt een vergroting van een reedbandsnelheid van 4 naar 8 Mbps voor een hoger inkomen van 90 euro per maand.

Conclusie onderzoek Ericsson
De onderzoekers van telecombedrijf Ericsson trekken op basis van het onderzoek de conclusie dat mensen effectiever werken met sneller internet. Ze kunnen door sneller internet meer toegang hebben tot specialistische producten op internet zoals videoconferenties. Daarnaast zorgt een sneller internet er voor dat mensen ook vanuit huis kunnen werken. Ze kunnen daarnaast ook via internet sneller solliciteren en hun digitale netwerk opbouwen en onderhouden. Voor mensen met een lagere internetsnelheid is dit moeilijker.

Rectie Technisch Werken:
Bovenstaande informatie stond op de nieuwswebsite nu.nl. De vraag die ik altijd stel bij deze informatie is: “wat kwam eerder het kip of het ei”. Wanneer mensen namelijk een hoger inkomen hebben kunnen ze ook beter een pakket aanschaffen met sneller internet. Sneller internet is namelijk over het algemeen genomen duurder. Lagere inkomens kunnen de afweging maken om hun maandsalaris aan andere, in hun ogen belangrijker, zaken uit te geven.