Wat zijn VCU gecertificeerde uitzendbureaus?

VCU gecertificeerde uitzendbureaus zijn uitzendondernemingen die gecertificeerd zijn op het gebied van veiligheid en gezondheid voor uitzendorganisaties en kunnen als toeleverancier dienen van tijdelijk personeel voor opdrachtgevers die VCA gecertificeerd zijn. VCU staat voor Veiligheid en Gezondheid Checklist Uitzendorganisaties. De letters VCA staan voor VGM Checklist voor Aannemers, waarbij VGM staat voor Veiligheid, Gezondheid en Milieu. Een hoop afkortingen die duidelijk maken dat het veiligheidsaspect en gezondheidsaspect centraal staan in zowel de VCA certificering als de VCU certificering.

VCA en VCU
De VCA certificering is echter voor aannemers bestemd en de VCU certificering voor uitzendbureaus en andere intermediairs die personeel beschikbaar stellen aan andere bedrijven. Deze uitzendondernemingen of intermediairs vallen onder de WAADI oftewel de Wet allocatie arbeidskrachten door intermediairs. Omdat intermediairs wel de feitelijke werkgever zijn van uitzendkrachten en andere uitleenkrachten maar niet belast zijn met het dagelijkse toezicht op deze flexkrachten heeft de overheid voor deze ondernemingen specifieke richtlijnen opgesteld met betrekking tot de veiligheid en gezondheid voor deze groep werknemers. Deze richtlijnen zijn terug te vinden in de WAADI en in Artikel 5 van de Arbeidsomstandighedenwet. Omdat deze wetsartikelen van groot belang zijn voor zowel het VCA als het VCU worden ze in de volgende alinea’s behandeld.

VCU en Artikel 11 WAADI
De VCU heeft veel te maken met Artikel 11 van de WAADI. De WAADI is een wet die voluit wordt geschreven als Wet allocatie arbeidskrachten door intermediairs. Dit betekend dat deze wet gericht is op ondernemingen die werknemers beschikbaar stellen aan opdrachtgevers die als inleners functioneren in de arbeidsbemiddelingsproces. De uitzendbureaus en andere intermediairs die personeel bemiddelen bij opdrachtgevers zijn de feitelijke werkgevers van deze personeelsleden. Deze ondernemingen die personeel uitlenen hebben dit personeel op de loonlijst staan.

Dat zorgt voor een aantal verantwoordelijkheden. Omdat deze feitelijke werkgevers in de dagelijkse praktijk de werknemers niet instrueren op de werkplek en geen toezicht hebben op deze werkplek moeten deze uitzendbureaus hun uitzendkrachten en gedetacheerden voor de aanvang van de uitzendwerkzaamheden goed instrueren op het gebied van veiligheid, gezondheid en de inhoud en aard van het werk. Dit wordt ook wel de doorgeleidingsplicht genoemd. Deze doorgeleidingsplicht is vastgelegd in Artikel 11 van de WAADI.

In Artikel 11 van de WAADI is door de overheid vastgelegd dat de organisatie die de arbeidskrachten ter beschikking stelt informatie moet verschaffen aan deze arbeidskrachten met betrekking tot de beroepskwalificatie die door de opdrachtgever wordt verlangd. Daarnaast wordt in Artikel 11 van de WAADI ook gerefereerd aan Artikel 5 lid 5 van de Arbeidsomstandighedenwet. Daarover wordt in de volgende alinea meer informatie gegeven. Het VCU certificaat maakt duidelijk dat de informatie waarover Artikel 11 van de WAADI gaat meer is dan alleen de beroepskwalificatie. Het gaat ook om veiligheidsvoorschriften, de aanwezige risico’s en de beheersmaatregelen die genomen dienen te worden door de uitzendkracht met betrekking tot deze risico’s. Daarbij komt het gebruik van persoonlijke beschermingsmiddelen aan de orde maar ook het naleven van speciale veiligheidsvoorschriften. Verder controleert het uitzendbureau ook of de uitzendkracht in bezit is van een geldig VCA certificaat want dit wordt (vrijwel) altijd geëist door een opdrachtgever die zelf VCA gecertificeerd is. De opdrachtgever is zelf ook wettelijk verplicht om informatie te verschaffen aan de uitzendonderneming. Dit is bepaald in Artikel 5 lid 5 van de Arbeidsomstandighedenwet.

VCU en Artikel 5 lid 5 Arbeidsomstandighedenwet
De Arbeidsomstandighedenwet wordt ook wel Arbowet genoemd en is een Nederlandse wet die gericht is op het optimaliseren van de arbeidsomstandigheden binnen bedrijven en het beschermen van de gezondheid en veiligheid van werknemers. De werkgever is in eerste instantie verantwoordelijk voor het bieden van een zo veilig mogelijke werkplek voor de werknemer. Daarvoor moet een bedrijf de risico’s, die op de werkplek aanwezig (kunnen) zijn, inventariseren doormiddel van een Risico Inventarisatie en Evaluatie. Uit dit RI&E komt een inventarisatie van de risico’s naar voren. Daarnaast vormt het plan van aanpak voor de geïnventariseerde risico’s ook een wezenlijk onderdeel van het RI&E.

In dit plan van aanpak omschrijft een bedrijf hoe het de risico’s op de werkplek wil verwijderen (bronbestrijding) of beperken. Ook beheersmaatregelen zijn hierbij een belangrijk aspect. Het beheersen van risico’s kan onder andere door het duidelijk instrueren van werknemers op het gebied van veiligheid. De werkgever die personeel inleent is echter niet alleen verantwoordelijk voor de veiligheid en gezondheid voor zijn of haar eigen werknemers. Ook de veiligheid en gezondheid van de ingeleende werknemers valt onder de verantwoordelijkheid van de inlener. Daarom moet de inlener ook deze werknemers instrueren op het gebied van veiligheid, gezondheid en milieu. Daarnaast moeten de ingeleende werknemers ook duidelijke instructies ontvangen met betrekking tot de uitvoering van de werkzaamheden. In deze instructies moet onder andere aandacht worden besteed aan de manier waarop machines, gereedschappen en werktuigen dienen te worden gebruikt en welke veiligheidsvoorzieningen daarbij in acht worden genomen.

Een uitzendonderneming dient de hierboven genoemde informatie ook aan de uitzendkracht te verstrekken. Deze informatie kan de uitzendkracht echter alleen ontvangen van de inlener. Daarom heeft de inlener conform artikel 5 lid 5 Arbeidsomstandighedenwet de verplichting om voor de aanvang van de werkzaamheden de uitlener of uitzendbureau op de hoogte te brengen van:

  • De gevaren en risico’s op de werkvloer die uit de Risico Inventarisatie en Evaluatie naar voren komen.
  • De manier waarop de werkgever deze risico’s bestrijd.
  • De verwachtingen die de werkgever op dit gebied heeft van de werknemer/inleenleenkracht.
  • Eventuele bijzondere aspecten omtrent de risico’s waar de werknemer/inleenkracht rekening moet houden bijvoorbeeld aanmelden en afmelden op de werkplek.
  • De benodigde veiligheidsopleidingen, veiligheidstraingen en aanverwante cursussen waarover de werknemer moet beschikken om zijn of haar werk veilig te kunnen uitvoeren. Denk hierbij aan VCA, Veilig Hijsen en Veilig werken met een vorkheftruck.

Deze informatie moet door de (potentiële) inlener worden verstrekt aan de uitzendonderneming zodat deze kan voldoen aan de doorgeleidingsplicht welke is benoemd in Artikel 11 van de WAADI. VCU gecertificeerde uitzendbureaus leven uiteraard de doorgeleidingsplicht na in de volgende alinea wordt hier dieper op ingegaan.

Wat kan je van een VCU gecertificeerd uitzendbureau verwachten?
Een VCU gecertificeerd uitzendbureau is een uitzendbureau die voldoet aan de Veiligheid en Gezondheid Checklist Uitzendorganisaties. Deze uitzendondernemingen zijn goed op de hoogte van de veiligheidsaspecten die van toepassing zijn op bedrijven die actief zijn in de bouw, techniek, petrochemie, civiele techniek en andere sectoren waarbij er sprake is van een verhoogd veiligheidsrisico op de werkvloer. VCU gecertificeerde uitzendondernemingen zijn in de praktijk meestal gespecialiseerd in een bepaalde sector bijvoorbeeld werktuigbouwkunde of installatietechniek en elektrotechniek. Door deze specialisatie hebben VCU gecertificeerde uitzendbureaus in de praktijk meestal branchespecifieke informatie met betrekking tot de uitvoering van de werkzaamheden en de risico’s die daarbij aan de orde (kunnen) komen. Door deze kennis kunnen de VCU uitzendbureaus de klant effectief ondersteunen bij personeelsvraagstukken. Daarnaast kunnen VCU uitzendbureaus ook goed inschatten wat de kwaliteiten zijn van potentiële uitzendkrachten. De zogenaamde ‘match’ of overeenstemming tussen de vereiste kwaliteiten van de opdrachtgever en de capaciteiten van de uitzendkracht kunnen daardoor beter worden gemaakt.

Dit zorgt er niet alleen voor dat opdrachtgevers of inleners beter worden begrepen het draagt ook in belangrijke mate bij aan de veiligheid op de werkvloer. Als een werknemer een voldoende onderricht persoon is of een vakbekwaam persoon dan weet een VCU uitzendbureau wat dit in de praktijk inhoudt en welke klussen wel en welke uitzendwerkzaamheden niet aan de uitzendkracht kunnen worden aangeboden. Tijdens het inventariseren van de opdracht kan een intercedent van VCU gecertificeerde uitzendonderneming vaak door zijn of haar kennis over de (technische) branche goed doorvragen waardoor zowel het inwinnen als het verstrekken van relevante informatie aan de uitzendkracht zo volledig mogelijk kan gebeuren. De intercedent van een VCU gecertificeerd uitzendbureau heeft ook een speciaal certificaat, dit is het VIL VCU certificaat en wordt behandeld in de volgende alinea.

Wat is VIL VCU?
Uitzendondernemingen en andere intermediairs die personeel bemiddelen bij VCA gecertificeerde ondernemingen zullen VCU gecertificeerd moeten zijn. Echter is het VCU certificaat verbonden aan een organisatie bijvoorbeeld een uitzendbureau of detacheringsbureau. De interne werknemers binnen deze onderneming dienen echter ook persoonlijk gecertificeerd te zijn. VIL is Veiligheid voor Intercedenten en Leidinggevenden terwijl VCU de Veiligheid en Gezondheid Checklist Uitzendorganisaties is. De intercedenten, consultants, vestigingsmanagers en andere personen die zich bezig houden met het bemiddelen van uitzendkrachten en andere flexkrachten leren tijdens een VIL VCU cursus wat er van hen verwacht wordt in het VCA-VCU proces. Dit is belangrijk wat uiteindelijk zijn intercedenten en hun collega’s het contactpunt voor VCA bedrijven en (potentiële) uitzendkrachten. Binnen een VCU organisatie is door de VIL VCU certificering van de interne medewerkers voldoende kennis aanwezig om VCA gecertificeerde bedrijven te voorzien van voldoende gekwalificeerd personeel.  

Is een RI&E verplicht?

Een Risico Inventarisatie en Evaluatie wordt afgekort met RI&E en is een verplicht onderdeel van het Arbobeleid dat een organisatie moet voeren op basis van de Nederlandse Arbeidsomstandighedenwet. De doelstelling van het RI&E is bestrijden van risico’s op de werkplek door:

  • Het inventariseren van risico’s.
  • Het beoordelen en rangschikken van risico’s.
  • Het maken van een plan van aanpak waarmee risico’s bestreden kunnen worden.
  • Het uitvoeren van het plan van aanpak.
  • Het evalueren van het plan van aanpak.
  • Inventariseren van de risico’s die nog aanwezig zijn (vanaf deze stap lopen de hiervoor genoemde stappen weer van boven naar beneden).

Bedrijven zijn volgens de Arbeidsomstandighedenwet verplicht om een Risico Inventarisatie en Evaluatie uit te voeren. Deze verplichting geldt sinds 1 januari 1994 in Nederland.

Voor welke bedrijven is een RI&E verplicht?
In de inleiding werd aangegeven dat een Risico Inventarisatie en Evaluatie volgens de Arbowet verplicht moet worden uitgevoerd. Deze verplichting is van toepassing op alle bedrijven behalve voor zelfstandigen die geen personeel in dienst hebben. Deze laatste groep wordt ook wel freelancer genoemd of zzp’ers. De afkorting zzp staat voor zelfstandige zonder personeel. Omdat zzp’ers geen personeel in dienst hebben hoeven ze geen Risico Inventarisatie en Evaluatie uit te voeren. In de praktijk worden zzp’ers vaak ingeleend of ingezet door grotere bedrijven die wel meerdere personeelsleden in dienst hebben. Vanwege het feit dat deze inleners wel meerdere personeelsleden in dienst hebben moeten zij een Risico Inventarisatie en Evaluatie uitvoeren. Daardoor zal de zzp’er in de praktijk vaak werken binnen een bedrijf waar wel degelijk een Arbobeleid wordt gevoerd met een RI&E als onlosmakelijk onderdeel daarvan.

Wat is een RI&E?
Een Risico Inventarisatie en Evaluatie is een middel waarmee de risico’s binnen een bedrijf in kaart moeten worden gebracht. Het in kaart brengen van deze risico’s is van groot belang omdat bedrijven de wettelijke en morele plicht hebben om een zo veilig mogelijke werkplek voor hun personeel te realiseren. Dit kunnen werkgevers zullen voor de uitvoering van de Risico Inventarisatie en Evaluatie bepaalde expertise nodig hebben. Daarom moeten ze een gecertificeerde arbodienst of deskundige preventie inschakelen om dit proces te begeleiden.

Het RI&E moet schriftelijk worden vastgelegd. In de analyse en inventarisatie van de risico’s moet ook duidelijk worden aangeven wat de kans is dat een bepaald gevaar daadwerkelijk zal plaatsvinden. Verder is het plan van aanpak een wezenlijk onderdeel van het RI&E. Risico’s moeten namelijk niet alleen worden geïnventariseerd maar ook worden aangepakt en bestreden. Het plan van aanpak moet duidelijk zijn beschreven en daarnaast ook voorzien zijn van deadlines en/of een tijdsplanning. Verder moet in een RI&E duidelijk naar voren komen wie voor welke taak verantwoordelijk is.

Na de uitvoering van het plan van aanpak stopt het inventariseren en evalueren van risico’s niet. Dit proces blijft continue doorgaan. Bedrijven zullen altijd te maken krijgen met veranderingen en dynamiek. Dat zorgt er voor dat er ook weer nieuwe risico’s kunnen ontstaan. Denk bijvoorbeeld aan het gebruik van nieuwe machines, werktuigen en andere productiemiddelen. Ook de uitbereiding van een fabriekspand of utiliteitscomplex kan er voor zorgen dat er weer andere risico’s ontstaan. Dat zorgt er voor dat de risico’s steeds weer opnieuw moeten worden geïnventariseerd, geëvalueerd en bestreden.  

Wat is een Risico Inventarisatie en Evaluatie RI&E?

Risico-Inventarisatie en Evaluatie is een verplicht onderdeel van het arbobeleid van een bedrijf waarmee op een gestructureerde wijze periodiek de risico’s op het gebied van veiligheid en gezondheid worden geïnventariseerd, beschreven en geëvalueerd. Bedrijven zijn volgens de Arbeidsomstandighedenwet verplicht om een zo veilig mogelijke werkplek voor hun werknemers te creëren.

Daarnaast moet de werkplek en de atmosfeer op en rondom de werkplek ook geen schade opleveren voor de gezondheid van werknemers, bezoekers van de werkplek en andere personen die aanwezig kunnen zijn binnen het bedrijf of in de directe omgeving van het bedrijf. Het is echter van belang dat bedrijven een goed beeld hebben van de aanwezige risico’s. Pas wanneer de risico’s goed in kaart zijn gebracht en duidelijk zijn omschreven in een Risico Inventarisatie en Evaluatie kunnen de risico’s effectief worden bestreden. Dit laatste gebeurd in het plan van aanpak dat de organisatie moet opstellen op basis van de risico’s.

Onderdelen van een Risico Inventarisatie en Evaluatie
Een Risico Inventarisatie & Evaluatie moet uit een aantal onderdelen bestaan. Dit is van belang omdat dit RI&E volledig moet zijn. De Arbeidsomstandigheden wet geeft duidelijkheid over de inhoud van de Risico Inventarisatie en Evaluatie. We noemen een aantal voorbeelden van richtlijnen die worden geboden door de Arbowet over de inhoud van de RI&E:

  • In de RI&E moeten rol en taken en het gewenste niveau van de preventiemedewerker zijn omschreven. Ook moet het aantal preventiemedewerkers duidelijk in kaart zijn gebracht. Deze informatie is gebaseerd op de uitkomsten van de RI&E. Voor meer informatie Arbowet art. 13.
  • Artikel 5 van de Arbeidsomstandigheden bepaald dat de werkgever voor het arbeidsomstandighedenbeleid in een inventarisatie en evaluatie schriftelijk moest vastleggen welke risico’s de arbeid voor de werknemers met zich brengt. Deze risico-inventarisatie en -evaluatie zal ook een beschrijving moeten bevatten van de gevaren en de risico-beperkende maatregelen die worden genomen.
  • Er moet een plan van aanpak worden opgesteld waarin door het bedrijf is aangegeven welke maatregelen genomen zullen worden om de risico’s te bestrijden. Daarnaast moet ook duidelijk worden gemaakt wanneer de maatregelen worden uitgevoerd en hoe. Dit staat in de Arbeidsomstandigheden wet Artikel 5 lid 3.
  • Artikel 5 lid 5 van de Arbeidsomstandighedenwet verplicht de werkgever mee te werken aan de doorgeleidingsplicht die op basis van de WAADI aan uitzendbureaus is opgelegd. Werkgevers moeten namelijk conform Artikel 5 lid 5 van de Arbowet tijdig aan de intermediair of het uitzendbureau relevante informatie uit de risico-inventarisatie en -evaluatie verstrekken met betrekking tot de gevaren op de werkvloer en risicobeperkende maatregelen die hiervoor zijn getroffen. Ook de risico’s voor de werknemer op de in te nemen arbeidsplaats moeten aan het uitzendbureau bekend worden gemaakt. de doorgeleidingsplicht die het uitzendbureau op basis van de WAADI heeft zorgt er voor dat de uitzendonderneming deze relevante informatie aan de uitzendkracht verstrekt. Zie voor meer informatie het hoofdartikel “ wat is doorgeleidingplicht?” op technischwerken.nl.

Aan de hierboven richtlijnen moeten bedrijven zich houden. Toch hebben bedrijven wel een bepaalde vrijheid met betrekking tot de uitvoering van de Risico Inventarisatie en Evaluatie. Het is belangrijk dat bedrijven een goed inzicht krijgen in de risico’s die op en rondom de werkvloer aanwezig (kunnen) zijn. Een RI&E moet daar een zo goed mogelijk beeld van geven. Daarom moeten de risico’s zo duidelijk mogelijk worden beschreven. Daarbij moet de aard van het risico in kaart zijn gebracht maar ook de omvang van het risico en de mogelijke gevolgen. Er dient een rangschikking te zijn tussen de risico’s en er moet een duidelijke prioriteit in deze rangschikking zijn aangebracht. Verder dienen bedrijven ook een plan van aanpak vast te stellen waarmee het bedrijf de aanwezige risico’s wil wegnemen, beperken of beheersen. De informatie die moet worden genoteerd en verwerkt wordt duidelijk als men kijkt naar de verschillende stappen die een bedrijf moet uitvoeren tijdens de RI&E. In de volgende alinea is het stappenplan van de Risico Inventarisatie en Evaluatie weergegeven.

Stappenplan van de Risico Inventarisatie en Evaluatie
Een RI&E moet door een bedrijf gestructureerd uitgevoerd moeten worden. Daarbij is een planmatige aanpak belangrijk. Het inventariseren van risico’s en het evalueren daarvan evenals het bestrijden van risico’s met een planmatige aanpak is iets waar bedrijven voortdurend mee bezig moeten zijn. Er kunnen namelijk weer nieuwe risico’s op de werkplek ontstaan als er nieuwe machines worden geplaatst, andere werkzaamheden worden verricht, met meer of juist met minder personeel wordt gewerkt of door slijtage aan machines, constructies en gebouwen. Een bedrijf is daarom nooit klaar met het inventariseren van risico’s. Juist daarom is het belangrijk dat het RI&E proces geconditioneerd wordt. De volgende stappen worden tijden het RI&E door een bedrijf uitgevoerd:

Stap 1: Inventarisatie
In deze eerste stap gaat het bedrijf alle risico’s die in het bedrijf aanwezig zijn in kaart brengen. De risico’s moeten duidelijk worden omschreven. Aan het einde van deze stap zullen alle risico’s in een duidelijke lijst zijn opgesteld. Deze lijst is een belangrijk uitgangspunt voor stap twee.

Stap 2: Evaluatie van de risico’s
Nadat het aantal risico’s is geïnventariseerd zullen bedrijven de risico’s moeten evalueren. Daarbij wordt gekeken naar de waarschijnlijkheid dat een bepaald incident plaats zal vinden en de omvang van de gevolgen als het risico daadwerkelijk zal plaatsvinden. Op basis van de risico evaluatie zal een rangschikking worden gemaakt van de risico’s. Uit deze rangschikking moet naar voren komen welke risico’s het belangrijkste zijn. Dit zijn de risico’s die het grootste gevaar vormen en de grootste kans hebben op het daadwerkelijk plaatsvinden van een incident. Deze rangschikking van risico’s dient eveneens schriftelijk te worden vastgelegd.

Stap 3: Plan van aanpak
Het inventariseren en evalueren van de risico’s vormen de basis voor een effectieve aanpak van de risico’s. Deze aanpak moet planmatig zijn en gestructureerd daarom moet er een duidelijk plan van aanpak worden opgesteld. In het plan van aanpak moet worden beschreven welke maatregelen worden genomen om het risico weg te nemen doormiddel van bronbestrijding. Als bronbestrijding niet mogelijk is zal het bedrijf technische voorzieningen moeten treffen om de mens zoveel mogelijk van de bron van het gevaar te scheiden. Ook beheersmaatregelen kunnen aan de orde komen. Hierbij kan ook gedacht worden aan het verstrekken en gebruiken van persoonlijke beschermingsmiddelen (pbm’s). De maatregelen moeten duidelijk worden beschreven en er moet aangegeven worden wanneer de maatregelen worden ingevoerd. Verder moet duidelijk zijn wie voor de invoering van de maatregelen verantwoordelijk is en wie de implementatie controleert.

Stap 4: Toetsen van de RI&E
De Risico Inventarisatie & Evaluatie moet worden getoetst door een arbodienst of arbodeskundige. Deze toetsing is niet verplicht bij bedrijven die minder dan 26 werknemers aan het werk hebben als die gebruik maken van een erkend Branche RI&E instrument. Het uiteindelijke doel is dat er een duidelijke RI&E door het bedrijf is opgesteld dat voldoet aan de wettelijke eisen.

Stap 5: Aan de slag
De laatste stap is de daadwerkelijke uitvoering van het plan van aanpak. Dit houdt in dat de hiervoor genoemde stappen ten uitvoering moeten worden gebracht. Het plan van aanpak moet in de praktijk worden uitgevoerd door de personen en de afdeling(en) die hiervoor verantwoordelijk zijn. Tijdens de uitvoering van het plan van aanpak is het goed mogelijk dat men tegen problemen aanloopt. Bepaalde methoden om risico’s aan te pakken of te beperken kunnen in de praktijk wel moeilijk uitvoerbaar zijn. Daarom moet er ook tijdens het plan van aanpak voortdurend controle worden gehouden en geëvalueerd. Indien bijsturing nodig is zal dit met de verantwoordelijke personen en de preventiemedewerker moeten worden overlegd. Op die manier blijft een plan van aanpak actueel en praktisch toepasbaar.

IJsbergtheorie en ongevallendriehoek in ongevallenbestrijding

Er zijn verschillende ijsbergtheorieën ontwikkeld waarmee men tracht situaties, eigenschappen en andere aspecten inzichtelijk te maken. Ook in het bestrijden van ongevallen kan men gebruik maken van een zogenaamde ijsbergtheorie. Men gebruikt hierbij een ijsberg als metafoor, men zou echter beter het woord piramide of driehoek kunnen gebruiken omdat een ijsberg in de meest letterlijke vorm er niet driehoekig uit ziet maar verschillende vormen heeft. De IJsbergtheorie wordt gebruikt om een verband te illustreren tussen het aantal (ernstige) ongevallen, het aantal bijna ongevallen en het aantal onveilige situaties op de werkvloer. Daar valt ook het aantal geregistreerde meldingen onder dat werknemers onveilig werken. Hieronder is meer informatie weergegeven over de IJsbergtheorie.

Benaming IJsbergtheorie
Als men een ijsberg in de zee aantreft dan zal slechts een klein deel boven het water zichtbaar zijn het overige deel bevind zich onder het wateroppervlak. Deze situatie koppelt men in de ijsbergtheorie aan ongevallen en onveilige situaties op de werkvloer. Vaak zijn alleen de (ernstige) ongevallen zichtbaar maar vinden daarnaast ook een groter aantal bijna ongevallen en onveilige handelingen plaats. In de Verenigde Staten heeft men onderzoek gedaan naar het verband tussen de ernstige ongevallen, minder ernstige ongevallen, bijna ongevallen en het aantal onveilige handelingen (onveilig werken) op de werkvloer. Daarbij zijn in totaal ongeveer twee miljoen ongevallen onderzocht. De onderzoekers kwamen tot de conclusie dat er een verband bestaat tussen het aantal bijna ongevallen op de werkvloer en het aantal daadwerkelijke ongevallen dat plaats vond. De onderzoeken hebben er voor gezorgd dat de IJsbergtheorie tot stand kwam.

Verband tussen ongevallen volgens IJsbergtheorie
In de IJsbergtheorie gaat men uit van een verband tussen bijna ongevallen en het aantal ongevallen dat daadwerkelijk plaatsvind. Als we de gegevens volgend deze theorie in kaar brengen dan kan men de ijsberg opbouwen in verschillende lagen. In de top is het aantal dodelijke ongevallen weergegeven. Vanaf die top worden verschillende lagen naar beneden gebouwd waarbij de ernst en gevolgen van de situatie steeds geringer worden en de ijsberg steeds breder wordt. Zo ontstaat een driehoek of piramide.

Zoals eerder genoemd wordt het aantal dodelijke ongevallen in de top neergezet. Dit zijn de ernstigste ongevallen die plaats kunnen vinden binnen bedrijven. In de praktijk vinden er (gelukkig) bij de meeste bedrijven nauwelijks dodelijke ongevallen plaats. Als men voor de verduidelijking het aantal dodelijke ongevallen op 1 zou neerzetten dan is die top heel duidelijk zichtbaar voor het bedrijf. Echter zouden er 30.000 risico’s plaatsvinden op de werkvloer ten gevolge van onveilig werken of onveilige situaties op de werkvloer. Dit verband legt men in de IJsbergtheorie. Daarnaast zouden er ongeveer 3000 bijna ongevallen voorkomen waarbij men hooguit gering letsel oploopt waarbij men nauwelijks of geen verzuim heeft. In deze verhouding zouden er 300 ongevallen plaatsvinden waarbij wel sprake is van werkverzuim. Bij 30 gevallen zou er sprake zijn van ernstig letsel met (langdurig) verzuim of arbeidsongeschiktheid tot gevolg.

Ongevallendriehoek
Bovenstaande cijfers kan men visualiseren in een piramide. Dit resulteert in een piramide die opgebouwd is uit de volgende lagen:

  • 1 dodelijk ongeval
  • 30 ongevallen met ernstig letsel en langdurig verzuim
  • 300 ongevallen met letsel waarbij verzuim noodzakelijk is voor het herstel
  • 3000 ongevallen of bijna ongevallen waarbij er sprake is van gering letsel
  • 30.000 onveilig situaties of onveilige handelingen van werknemers op de werkvloer

De bovengenoemde cijfers en lagen zorgen voor een piramidevorm. Deze noemt men ook wel ongevallendriehoek omdat hiermee het verband tussen ongevallen en onveilige situaties wordt geïllustreerd. De ongevallendriehoek maakt bedrijven bewust van het verband tussen de soorten ongevallen en de onveiligheid op de werkvloer. Niet elk bedrijf heeft (gelukkig) te maken met dodelijke incidenten. Daarom is de piek niet bij elk bedrijf van toepassing. Wel zijn de andere lagen bij veel bedrijven in bijvoorbeeld de bouw of techniek van toepassing. De ongevallendriehoek kan daarom een belangrijke illustratie of visualisatie vormen in het kader van de bewustwording en bestrijding van ongevallen en onveiligheid op de werkvloer.

Wat kun je met de ongevallendriehoek of IJsbergtheorie?
In de praktijk kunnen veiligheidsmedewerkers de ongevallendriehoek of IJsbergtheorie gebruiken om de veiligheid en bewustwording op dit gebied te bevorderen binnen het bedrijf. De basisredenering is dat men het aantal ernstige incidenten op de werkplek kan verminderen door het aantal minder ernstige incidenten te reduceren. Kortom door werknemers veiliger te laten werken vinden er minder onveilige situaties plaats. Daardoor vinden er ook minder bijna ongevallen plaats en uiteindelijk ook minder ernstige ongevallen. Op die manier kunnen de ongevallendriehoek en de IJsbergtheorie worden ingezet om een veiligheidsbeleid of een Risico Inventarisatie & Evaluatie te ondersteunen. Deze theorie is echter alleen ter ondersteuning van de Risico Inventarisatie & Evaluatie men kan de cijfers niet als exacte waarheden beschouwen. In de volgende alinea kan men de kanttekening lezen die hoort bij de ongevallendriehoek en IJsbergtheorie.

Kanttekening bij ongevallendriehoek en IJsbergtheorie
Net zoals alle theorieën is ook de IJsbergtheorie iets waarmee men een bepaalde mate van waarschijnlijkheid wil illustreren of aanduiden. In dit geval gaat het om het waarschijnlijke verband tussen ernstige ongevallen, minder ernstige ongevallen en onveilig werken op de werkvloer. Men kan de ongevallendriehoek echter niet overal in exacte cijfers hanteren. Als men kijkt naar bedrijven in de offshore dan is daar vaak een hoger risico op dodelijke ongevallen (op bijvoorbeeld een boorplatvorm) dan wanneer men bedrijven in de financiële dienstverlening beoordeeld op het gebied van veiligheid. Ook zal het aantal onveilige handelingen in de offshore dikwijls grotere gevolgen hebben en een grotere kans op ernstig letsel hebben dan wanneer men werkzaamheden doet binnen de muren van een kantoor. Dit zorgt er voor dat een kanttekening zeker op zijn plaats is als men de ongevallendriehoek of de IJsbergtheorie wil hanteren in een Risico Inventarisatie & Evaluatie of een veiligheidsbeleid van een organisatie.

Wat zijn risico’s op de werkplek?

Werknemers kunnen op de werkplek risico’s lopen. Het begrip risico kan worden beschreven als de mate van waarschijnlijkheid dat er een schadelijk effect zal optreden. Risico’s zijn er echter in verschillende soorten en de gevolgen van risico’s verschillen ook. Daarom moet men bij het inventariseren of beoordelen van de risico’s op de werkplek een tweetal aspecten goed inschatten namelijk de kans of waarschijnlijkheid dat er een ongeval of calamiteit zal plaatsvinden en het effect van het ongeval wanneer het zal plaatsvinden. Deze twee aspecten staan hieronder in twee alinea’s weergegeven.

Kans op een ongeval
Op een werkplek kunnen er verschillende ongevallen plaatsvinden. De waarschijnlijkheid dat een ongeval plaatsvind is afhankelijk van verschillende factoren zoals de inrichting van de werkplek en de werktuigen die gebruikt worden. Ook de factor ‘mens’ is zeer belangrijk als men de kans op een ongeval wil beoordelen. Personeel moet bijvoorbeeld persoonlijke beschermingsmiddelen en gereedschappen op de juiste manier gebruiken en zich aan de veiligheidsvoorschriften houden. Doet het personeel dit niet dan neemt de kans op ongevallen toe. Personeel dat de veiligheidsregels niet opvolgt verhoogt dus het risico op een ongeval met letsel of schade tot gevolg. De kans op een ongeval op de werkplek kan men echter ook verkleinen door personeel goed voor te lichten. Dat is de werkgever ook verplicht volgens de Arbowet. Daarnaast is het personeel verplicht om aanwezig te zijn tijdens de voorlichtingen van de werkgever. Ook deze verplichting vloeit voort uit de Arbowet.

Effect van het ongeval
Als men risico’s op de werkplek inventariseert dan zal men ook moeten beoordelen wat het effect is van het ongeval. Heeft men het bijvoorbeeld over materiële schade aan bijvoorbeeld machines of gebouwen of heeft men het over immateriële schade? De laatste schadevariant is lichamelijk of psychisch letsel dat mensen op kunnen lopen ten gevolge van een ongeval. De materiële of immateriële schade kan direct zichtbaar worden maar ook op langere termijn. Bij materiële schade kan bijvoorbeeld slijtage of metaalmoeheid optreden waardoor machines en constructies kunnen verzwakken en extra risico’s met zich mee kunnen brengen. Ook immateriële schade kan indirect zijn bijvoorbeeld door werkdruk kan men stress krijgen en dat kan er op termijn voor zorgen dat werknemers niet meer goed kunnen. Ze kunnen oververmoeid raken kunnen daardoor gevaar veroorzaken. Het effect van het ongeval moet daardoor in kaart worden gebracht. Als men werk met radioactief materiaal of chemische en explosieve stoffen kunnen daar ernstige risico’s aan kleven voor het bedrijf maar ook voor de omgeving. Deze effecten moeten duidelijk worden omschreven in een Risico-Inventarisatie en -Evaluatie.

Risico’s beheersbaar maken
Zowel werknemers als werkgevers dragen verantwoordelijkheid als het gaat om veiligheid op de werkplek. De werkgever dient de werknemer de juiste materialen te verschaffen en ook de persoonlijke beschermingsmiddelen die de werknemer benodigd heeft om zijn of haar werk veilig uit te kunnen voeren. Werknemers dienen deze persoonlijke beschermingsmiddelen op de juiste voorgeschreven wijze te hanteren. Werknemers moeten geen onnodige risico’s nemen. In feite mogen ze helemaal geen risico’s nemen op de werkplek. Er zijn echter werkzaamheden waarbij je een bepaald risico loopt zoals werken op hoogte of werken met gevaarlijke stoffen.

Deze risico’s kunnen werkgevers en werknemers niet wegnemen men kan wel de risico’s beheersen door veilig te werken en gebruik te maken van speciale voorzieningen. Zo is men verplicht om bepaalde valbeveiliging te dragen als men op hoogte werkt of dient een werknemer die met gevaarlijke stoffen zoals asbest werkt beschermende kleding te dragen. Dit zijn slechts een paar voorbeelden, elke werkplek heeft te maken met bepaalde risico’s op een kantoor zijn deze risico’s meestal gering maar op een bouwplaats of op een boorplatform zijn er vaak grote risico’s. Daarom worden de werknemers op bouwplaatsen en in de offshore regelmatig getraind op het gebied van veiligheid. Hun werkomgeving blijft risico’s met zich meebrengen maar men tracht deze risico’s zoveel mogelijk te beheersen. Daarin hebben zowel werknemers als werkgevers taken. Werknemers zullen bijvoorbeeld ook de werkgever moeten wijzen op onveilige situaties. De werkgever kan deze informatie gebruiken om de werkplek voortdurend veiliger te maken.

Factoren die een invloed hebben op het risico op de werkplek
Als men de kans op het ongeval en het effect van het ongeval in kaart wil brengen is het goed om een aantal punten te beoordelen. Er zijn namelijk aspecten die beoordeeld moeten worden om een duidelijk beeld te krijgen van de risico’s op de werkplek. Dit zijn de volgende:

  • De werkplek. Als men werkt op een veilige goed opgeruimde werkplek is de kans op risico’s kleiner dan wanneer men werkt op een werkplek waar veel materialen over het gangpad liggen, de grond oneffen is en gaten niet zijn gemarkeerd en afgezet. Ook dient men gevaarlijke stoffen veilig op te bergen conform de voorschriften. Verder dienen werknemers voldoende licht te hebben om hun werk veilig te kunnen uitvoeren. Dit zijn slechts een paar aspecten met betrekking tot de werkplek die beoordeeld dienen te worden. Werkplekken verschillen echter omdat werkzaamheden verschillen. Elke werkplek heeft specifieke risico’s en die dienen te zijn omschreven in de RI&E oftewel de Risico-Inventarisatie en -Evaluatie.
  • Aard van de werkzaamheden. Het soort werk dat men uitvoert is een belangrijk aspect met betrekking tot de veiligheid. Sommige werknemers werken op hoogte weer andere werknemers werken met gevaarlijke stoffen. Een lasser loopt bepaalde risico’s en een glazenwasser ook. Een deskundig asbestverwijderaar loopt in de asbestsanering weer andere risico’s. De aard van de werkzaamheden heeft een grote invloed op de risico’s die ontstaan tijdens het uitvoeren van het werk.
  • Gezondheid en welzijn van de werknemer. De werknemer zelf heeft uiteraard ook een zeer grote invloed op de veiligheid op de werkplek. Als een werknemer gezond en alert is kan hij of zij meestal veiliger werken dan wanneer een werknemer last heeft van vermoeidheid door een te grote werkdruk.

Houding van de werknemer. Bovenstaande heeft vooral te maken met de fysieke eigenschappen van de werknemer. Uiteraard is de houding of attitude van de werknemer ook van groot belang. Een werknemer dient zijn of haar werk en veiligheid serieus te nemen. Ook de veiligheid van anderen moet door de werknemer goed in de gaten worden gehouden. Een betrokken werknemer zorgt voor zichzelf maar ook voor zijn collega’s door elkaar te wijzen op onveilige situaties en het goed gebruiken van machines en persoonlijke beschermingsmiddelen. Het maken van ruzie of pesten op de werkplek kunnen zorgen voor extra onveiligheid. Daarom dient een werknemer zich te gedragen op een manier die van een goed werknemer verwacht kan worden.