Wat is een werkvergunning (veiligheid)?

Werkvergunning is een benaming voor een bindend middel die een nauwkeurige, vastgelegde omschrijving bevat van werkmethoden, activiteiten en werkzaamheden die een werkvergunninghouder wel en niet mag uitvoeren op een bepaalde werkplek zodat de efficiëntie en veiligheid op de werkplek zo goed mogelijk worden gewaarborgd. Kort samengevat bevat een werkvergunning informatie over:

  • welke persoon,
  • onder omschreven omstandigheden,
  • in een bepaalde periode,
  • duidelijk omschreven werkzaamheden,
  • onder duidelijk omschreven voorwaarden, mag uitvoeren.


Er zijn in de praktijk verschillende soorten werkvergunningen in de omloop. Een van de bekendste is de Deltalinqs” werkvergunning. Daarom wordt in deze tekst als voorbeeld aandacht besteed aan de opbouw van deze werkvergunning. In onderstaande tekst is verder informatie gegeven over de doelstelling van werkvergunningen, de toepassing, de begrippen vergunningverlener en vergunninghouder, instructie over de werkvergunning, de inhoud, onderdelen en verschillende soorten werkvergunningen.

Wat is de doelstelling van werkvergunningen?
Uit bovenstaande omschrijving komt naar voren dat het uiteindelijke doel is dat de veiligheid wordt gewaarborgd. Het hoofddoel van de werkvergunning is daarom ook de veiligheid op de werkplek bevorderen. Dit doel kan met de werkvergunning op een aantal manieren worden bereikt. De volgende aspecten van een werkvergunning kunnen er voor zorgen dat het hoofddoel kan worden behaald:

  • De bedrijfsregels dienen stapsgewijs te worden uitgevoerd en vastgelegd.
  • De verantwoordelijkheden moeten duidelijk worden vastgelegd.
  • Duidelijk vastleggen onder welke omstandigheden werk mag worden uitgevoerd.
  • Omschrijving in de vorm van een eenduidige uitleg van werkmethoden en activiteiten.

De werkvergunning moet zorgvuldig worden opgesteld zodat werknemers die zich houden aan de werkvergunning geen gevaar of schade kunnen veroorzaken aan mensen, milieu, installaties, machines, werktuigen, gebouwen en constructies.

Waar worden werkvergunningen gebruikt?
Werkvergunningen worden over het algemeen in procedures opgenomen van bedrijven met een verhoogd veiligheidsrisico. In een kantooromgeving zal men niet snel werken met werkvergunningen maar bij bedrijven in de petrochemie is een werkvergunning een bekend begrip. Voor risicovolle werkzaamheden of werkzaamheden aan installaties die een gevaar kunnen opleveren voor mens en milieu worden werkvergunningen gemaakt om duidelijk aan te geven wat een werknemer wel en niet mag doen. Opdrachtgevers kunnen een werkvergunning eisen. Het is echter niet wettelijk verplicht om werkvergunningen te gebruiken. Om die reden worden niet overal werkvergunningen gebruikt. In de praktijk worden werkvergunningen vaak wel gebruikt voor werkzaamheden aan of bij elektriciteitscentrales, gaswinninginstallaties, aardoliebedrijven en bedrijven in de chemische industrie.

Vergunningverlener en vergunninghouder
De installatiedeskundige zal optreden als de vergunningverlener en de uitvoeringsdeskundige is de vergunninghouder. Men heeft het ook wel over de verstrekker van de werkvergunning en de houder van de werkvergunning. Voor de verduidelijking is de verstrekker de toezichthoudende afdeling en is de houder van de werkvergunning het bedrijf of de persoon die het werk daadwerkelijk gaat uitvoeren. In de werkvergunning staan duidelijke afspraken en voorwaarden opgesteld die er voor moeten zorgen dat de werkzaamheden veilig worden uitgevoerd. Een werkvergunning bevat bindende afspraken tussen de vergunningverlener en de vergunninghouder en bevat een checklist van veiligheidspunten die de vergunninghouder moet naleven.

Instructie over werkvergunningen
Werknemers die in de praktijk te maken krijgen met werkvergunningen zullen daarvoor een instructie moeten volgen. Ze moeten weten wat het belang is van de werkvergunning en waarom deze is opgesteld. Veiligheid draait voor een groot deel om bewustwording. Onveilige handelingen vormen één van de grootste oorzaken van ongevallen. Daarom dienen werknemers gewezen te worden op het belang van het naleven van de veiligheidsregels. De werkvergunning bevat ook regels en afspraken die de veiligheid bevorderen. Daarom is de werkvergunning geen symbolisch document maar een belangrijk document dat kaders biedt waarbinnen een werknemer zijn of haar werkzaamheden kan en mag uitvoeren.

Inhoud werkvergunning
De werkvergunning bevat informatie over welke maatregelen genomen moeten worden voor de aanvang van de werkzaamheden. Deze maatregelen zijn voorzorgsmaatregelen en kunnen verband houden met het aanmelden op het terrein bij een bepaald persoon.

Daarnaast is er informatie weergegeven die gehanteerd moet worden tijdens het uitvoeren van de werkzaamheden. Hierin staat wat een werkvergunninghouder wel en niet mag doen op de werkplek. Ook is aangegeven op welke locatie de werkzaamheden uitgevoerd moeten worden. De meeste werkvergunningen zijn gebonden aan een bepaalde locatie op een werkterrein. Daarbuiten mag een werknemer zich niet bevinden en al helemaal geen werkzaamheden uitvoeren.

Een werkvergunning bevat daarnaast algemene veiligheidsregels en protocollen waaraan een vergunningshouder zich dient te houden. Deze staan ook in het handboek bedrijfsprocedures. In dit handboek is ook beschreven wat de bevoegdheid van bepaalde functionarissen voor het verstrekken van werkvergunningen.

Waaruit bestaat een werkvergunning?
Werkvergunningen zijn, zoals eerder genoemd, geen wettelijke verplichting. Daarom is ook niet wettelijk voorgeschreven hoe een werkvergunning moet zijn opgebouwd en wat de inhoud van een werkvergunning precies moet zijn. Daarom hanteren we in deze alinea de opbouw van een gangbare werkvergunning namelijk de Deltalinqs werkvergunning. Zoals in de inleiding is benoemd is de Deltalinqs werkvergunning een veel voorkomende werkvergunning. Deltalinqs is overigens een ondernemersvereniging die bestaat uit verschillende bedrijven in de Rotterdamse haven en het industriegebied dat daaromheen is gebouwd. Omdat in dit grote havengebied veel chemische bedrijven actief zijn kan men spreken van een gebied met een verhoogd risico. Daarom hanteert Deltalinqs werkvergunningen om de veiligheid te bevorderen. De opbouw van een Deltalinqs werkvergunning is als volgt:

  • De aanvraag van de werkzaamheden waarin staat om welke taken en werkzaamheden het precies gaat. Dit deel kan ook een Taak Risico Analyse (TRA) bevatten.
  • De maatregelen die genomen moeten worden door de verstrekker van de werkvergunning dit is de toezichthoudende afdeling die in de praktijk de vergunningverstrekker of vergunningverlener is. Deze maatregelen hebben te maken met het creeeren van een zo veilig mogelijke werkplek voor de werknemers (dus ook de vergunninghouders).
  • De maatregelen die genomen dienen te worden door de vergunninghouder. Dit is het bedrijf of de werknemer die de werkzaamheden daadwerkelijk gaat uitvoeren. In dit deel zijn de taken beschreven die de vergunninghouder heeft.
  • De bekrachtiging van de werkvergunning. Dit wordt gedaan door de vergunningverlener. Met de bekrachtiging wordt de geldigheid van de werkvergunning duidelijk gemaakt. Ook de taken van de verstrekker op het gebied van de controle op de naleving van de voorzorgsmaatregelen en het dagelijks vrijgeven van de werkvergunning bij ongewijzigde omstandigheden hoort bij de bekrachtiging van de werkvergunning door de vergunningverlener.

Verschillende soorten werkvergunningen
Er kunnen in de praktijk verschillende soorten werkvergunningen worden aangevraagd en verstrekt. Het verschil van de werkvergunningen heeft onder andere te maken met specifieke risico’s. Zo kunnen er werkvergunningen worden verstrekt voor het uitvoeren van graafwerkzaamheden (in de buurt van gasleidingen). Ook kunnen werkvergunningen worden verstrekt voor het saneren van asbest door deskundige gecertificeerde asbestsaneerders. Er zijn ook werkvergunningen die specifiek worden verstrekt aan werknemers en bedrijven die werkprocessen uitvoeren waarbij veel hitte vrijkomt. Hierbij kan men denken aan TIG-lassen van leidingen. Een vergunningverlener kan hiervoor een specifieke heetwerkvergunning verstrekken.

Aanvullende werkvergunningen
Een werkvergunning kan tevens een aanvullende werkvergunning bevatten. Een vergunningverlener kan een aanvullende werkvergunning opstellen indien er in een bepaald risicovol werkgebied ook extra risicovolle werkzaamheden moeten worden uitgevoerd. Dit is bijvoorbeeld het geval wanneer werknemers op grote hoogte moeten werken in een risicovolle omgeving of juist in besloten ruimten. Ook voor specifieke graafwerkzaamheden in de buurt van leidingen waar gas of olie doorheen wordt getransporteerd kan een aanvullende werkvergunning worden vereist. Dit wordt echter door de vergunningverlener vereist. Dit is de opdrachtgever. Ook bij risicovolle werkzaamheden is er geen wettelijke verplichting voor werkvergunningen.

Wat zijn kleine blusmiddelen?

Kleine blusmiddelen zijn blusmiddelen die bedoeld zijn om een kleine branden of beginnende branden te blussen. Kleine blusmiddelen zijn over het algemeen compacte blusmiddelen. Hierbij kan men denken aan een blusdeken, een poederblusser of een sproeischuimblusser. Dit zijn handzame blusmiddelen die over het algemeen eenvoudig kunnen worden gebruikt na een korte instructie.

Ook brandslanghaspels die op de waterleiding zijn aangesloten worden tot de kleine blusmiddelen gerekend. Deze brandslangen zijn opgerold en leveren onbeperkt water maar de actieradius van dit blusmiddel is afhankelijk van de lengte van de brandslag. Dit kan 20 meter, 25 meter of 30 meter zijn. Tot slot worden ook automatische installaties en stationaire installaties tot de kleine blusmiddelen gerekend. Hierbij kan men denken aan de sprinklerinstallaties die feitelijk niet door mensen worden bedient maar in werking treden als een smeltzekering bij een bepaalde temperatuur stuk springt en daardoor het water door de sprinkler kan sproeien.

Verschillende soorten branden
Uit de hiervoor genoemde voorbeelden voorbeelden blijkt hoeveel kleine blusmiddelen er zijn. Het is niet verwonderlijk dat er zoveel verschillende blusmiddelen bestaan. Er zijn namelijk ook verschillende soorten branden. Zo kunnen vaste stoffen in brand vliegen maar ook gassen en vloeistoffen. Niet elk blusmiddel is geschikt om elke brand te blussen. Sommige brandblusmiddelen zijn geschikt om branden van vaste stoffen te doven. Weer andere blusmiddelen zijn geschikt om brandbare olie te blussen. Dit heeft alles te maken met de voorwaarden die nodig zijn om een brand te laten ontstaan en om een brand in gang te houden. Deze voorwaarden worden duidelijk als men kijkt naar de branddriehoek.

Wat is de branddriehoek?
De branddriehoek is een ideaal voorbeeld of een ideale uitleg om de voorwaarden van een brand mee duidelijk te maken. Voor een brand zijn namelijk drie factoren noodzakelijk:

  • Een brandbare stof, gas of vloeistof.
  • Een bepaalde hoeveelheid zuurstof.
  • Warmte of een ontstekingstemperatuur.

Zuurstof is een factor waarover men in de regel weinig uitleg nodig heeft. Ook een ontstekingstemperatuur is duidelijk. Deze temperatuur verschilt echter wel per brandbare stof. Juist dat laatste is een factor die men gebruikt als belangrijk aspect voor het indelen van branden in verschillende klassen. Daarover kun je in de volgende alinea meer lezen.

Indeling van branden
Omdat er verschillende soorten branden kunnen ontstaan zijn de branden ingedeeld in verschillende klassen, dit zijn zogenaamde brandklassen. De indeling in brandklassen zorgt er voor dat ook de brandblusmiddelen in klassen kunnen worden ingedeeld. Omdat de brandklassen zo belangrijk zijn voor de keuze van het blusmiddel wordt hieronder een overzicht weergegeven van de verschillende brandklassen en de (kleine) brandblusmiddelen die gebruikt kunnen worden om de branden te doven.

Brandklassen van A tot F
De brandklassen lopen van de letter A tot de letter F en worden aangegeven met een pictogram en een letter. Dit pictogram en deze letter verschijnen ook op het blusmiddel dat wordt gebruikt om de brand te doven.

Brandklasse A: branden van vaste stoffen zoals hout, steenkool, bruinkool en karton.

  • Blusmiddelen: water uit bijvoorbeeld een brandslag of sprinklerinstallatie, schuimblusser en sproeischuimblusser.

Brandklasse B: branden van vloeistoffen zoals aardolie, benzine en kerosine.

  • Blusmiddelen: sproeischuimblussers, Light water, CO² blussers of poederblussers.

Brandklasse C: branden van gasvormige stoffen zoals propaan, butaan en aardgas.

  • De gastoevoer moet indien mogelijk zo snel mogelijk worden afgesloten in verband met explosiegevaar.
  • Blusmiddel: bluspoeder.

Brandklasse D: branden van metalen zoals natrium, magnesium, aluminium

  • Blusmiddel: speciale blusmiddelen voor het blussen van metalen aangeduid met Klasse D.

Brandklasse E: is elektriciteitsbrand (deze is vervallen omdat elektriciteit niet brand)

  • Blusmiddel: CO2 poederblussers worden gebruikt om branden in elektrische installaties te blussen omdat dit blusmiddel het minste schade toebrengt aan elektriciteit, elektronica en mechatronica.

Brandklasse F: branden van zeer hete olie en vet bijvoorbeeld frituurvet

  • Blusmiddel: sproeischuimblussers (op chemische basis) daarnaast zijn er speciale blussers die geschikt zijn voor het blussen van zeer hete vetten.

Bij de verschillende brandklassen zijn al veel soorten kleine blusmiddelen benoemd. Op de kleine blusmiddelen staan de brandklasse(n) waarvoor het blusmiddel geschikt is. Ook de letter van de brandklasse is aangegeven. Als het blusmiddel voor meerdere brandklassen geschikt is staan er dus meerdere letters op het blusmiddel weergegeven.

Water
Dat water een bekend blusmiddel is zal voor niemand een verassing zijn. Water is een effectief blusmiddel omdat het zorgt voor verkoeling van het vuur en het verdampte water zorgt er tevens voor dat zuurstof wordt verdreven geen wonder dat water veel gebruikt wordt. Bovendien is water ook nog eens goedkoop en makkelijk verkrijgbaar. We gaan niet verder in op brandslanghaspels en sprinklerinstallaties omdat de werking daarvan al in het begin van deze tekst kort aan de orde is gekomen. In plaats daarvan behandelen we in onderstaande alinea’s een aantal andere kleine brandblusmiddelen.

Brandblusdeken
Blusdekens worden gebruikt om de zuurstoftoevoer tot de brand af te sluiten. Er zijn verschillende blusdekens, ze kunnen gemaakt zijn van drie verschillende materialen:

  • 100% wol (zwart blusdeken),
  • glasvezel (wit blusdeken),
  • kevlar (donkergroen-bruin blusdeken).

Blusdekens kunnen worden gebruikt voor verschillende soorten branden. In de praktijk worden blusdekens vaak gebruikt voor vlam in de pan of een kleine brand in een emmer of prullenbak. Daarnaast worden blusdekens ook effectief gebruikt voor kleding en personen die in brand staan. Men kan voor blusdekens moeilijk een brandklasse aangeven. Dit komt omdat een blusdeken allen geschikt is als de deken groot genoeg is om de brand geheel voor zuurstof af te sluiten. Het object dat in brand staat moet geheel kunnen worden bedekt met de deken. Daarom is een blusdeken bijvoorbeeld geschikt voor het blussen van kleine vaste stoffen. Hoe groter de blusdeken hoe meer men er mee kan blussen. Het is belangrijk om een blusdeken aan te schaffen van minimaal 120 cm bij 120 cm omdat men dan in ieder geval een (klein) persoon kan blussen. Daarvoor worden branddekens in de praktijk vaak gebruikt.

Poederblusser en bluspoeder
Bluspoeders zijn droge blusmiddelen die geschikt zijn om zuurstof af te sluiten. Bluspoeders hebben een aantal voordelen: de werking is snel en ze zijn niet gevoelig voor vorst. Bovendien zijn bluspoeders niet elektriciteit-geleidend waardoor ze eventueel ook gebruikt kunnen worden om branden in elektrische installaties te blussen. Dit is echter niet ideaal wat de schade aan de elektrische installaties zullen enorm zijn. Bluspoeders zijn over het algemeen goedkoop en worden verkocht is cilindrische verpakkingen en bussen met daarop een spuitmond aan een korte slang die men met de hand kan vast houden. Spuit echter beetje bij beetje richting de brand. Hou er rekening mee dat een poederblusser snel leeg is. Kijk goed op de verpakking van de poederblusser hoeveel er in zit. Met een poederblusser met een inhoud van bijvoorbeeld 2 liter zal men ongeveer 15 seconden kunnen spuiten. Deze poederblusser is dan alleen geschikt voor het blussen van kleine brandjes.

Poederblussers  worden gebruikt voor brandklassen A, B en C. Daarnaast kunnen ook voor metaalbranden (brandklasse D) speciale metaalpoederblussers worden gebruikt.

CO2 blusser of Koolstofdioxide blusser
Een koolstofdioxide blusser of CO2 blusser bestaat uit een drukhouder die gemaakt is van staal. Daaraan zit een slang bevestigd met een meestal brede spuitmond. In de drukhouder zit CO2 opgeslagen dat tot vloeistof is verdicht. CO2 is onbrandbaar en kan daarnaast worden opgelost in water. CO2 verdringt zuurstof en zorgt er daarom voor dat 1 van de noodzakelijke factoren voor een brand wordt geëlimineerd (zie branddriehoek). Echter zijn levende wezens ook afhankelijk van zuurstof waardoor men de CO2 blusser niet moet gebruiken in kleine ruimtes omdat dan de voor mensen noodzakelijke verhouding tussen zuurstof en koolstofdioxide in gevaar kan brengen.

CO2 blussers zijn geschikt voor verschillende brandklassen maar zijn bijzonder geschikt voor klasse E branden oftewel branden in elektrische apparatuur, mechatronica en elektronica.

Sproeischuimblusser
Sproeischuimblussers bestaan uit een fles met een mengsel van water en een vloeibaar schuimvormend middel. Het mengsel is al in de fabriek goed gemengd zodat een sproeischuimblusser klaar is voor gebruik. Sproeischuimblussers zijn geschikt voor verschillende soorten branden namelijk branden die vallen onder brandklasse A en brandklasse B. Men zou ook personen kunnen blussen met sproeischuim. Omdat sproeischuim niet elektrisch geleidend is zou men ook branden in elektrische installaties kunnen blussen (voorheen klasse E). De schade van het schuim aan de elektrische installatie zal echter wel desastreus zijn. Sta niet te dicht op een brand als je met een sproeischuimblusser werkt en hou er rekening mee dat een sproeischuimblusser snel op raakt. Twee liter sproeischuim kan binnen 15 seconden opraken. Let bij de aanschaf van een sproeischuimblusser goed op het etiket en de inhoud en of de sproeischuimblusser bestand is tegen vorst.

Slotwoord over kleine blusmiddelen
Er zijn verschillende soorten kleine blusmiddelen daarnaast zijn er verschillende soorten brandklassen. De blusmiddelen die men aanschaft moeten geschikt zijn voor de mogelijke branden die kunnen ontstaan. In een Risico Inventarisatie en Evaluatie van een bedrijf dient inzichtelijk te worden gemaakt welke brandbare stoffen aanwezig zijn en welke soorten branden kunnen ontstaan. Dit bepaald in belangrijke mate de preventieve maatregelen tegen brand oftewel de brandpreventie. Verder is er nog de keuze voor effectieve blusmiddelen. Bovendien zullen bedrijven er voor moeten zorgen dat personeel weet om te gaan met de aanwezige blusmiddelen. Een poederblusser of een sproeischuimblusser van 2 liter is binnen 15 seconden leeg. Een persoon heeft daardoor geen tijd om tijdens de brand even te oefenen hoe er ook al weer gespoten moest worden op een brand. Kortom een goede brandpreventie en een goede instructie is van groot belang voor het voorkomen en het bestrijden van een brand.

Wat zijn explosiegrenzen LEL en UEL?

Explosiegrenzen is de laagste en hoogste concentratie van een gas uitgedrukt in procenten van een luchtmengsel waarbij het damp-luchtmengsel door een ontsteking zou kunnen exploderen. Men heeft het ook wel over explosion limits waarbij men een ondergrens heeft en een bovengrens waarbinnen een explosie mogelijk is. Dit zijn de grenzen die in een percentage worden uitgedrukt ten opzichte van het totale luchtmengsel, oftewel de explosiegrenzen.

Explosiegrenzen
De onderste grens is de laagste hoeveelheid of de laagste concentratie die van een bepaalde stof in een luchtmengsel aanwezig moet zijn om een explosie na ontsteking mogelijk te maken. De bovenste grens is de maximale hoeveelheid die van een bepaalde stof in een luchtmengsel aanwezig kan zijn om de stof in het mengsel na ontsteking te kunnen laten exploderen. De explosiegrenzen worden duidelijk gemaakt met de aanduiding LEL en UEL. Deze aanduidingen zijn hieronder in een paar alinea’s nader omschreven.

Lower Explosion Limits of LEL-waarde
De laagste explosiegrens wordt in het Engels ook wel de Lower Explosion Limit genoemd dit wordt afgekort met LEL en daarom heeft men het over een bepaalde LEL-waarde. Bij een te lage concentratie aan vluchtige componenten zal er geen gevaar voor een explosie zijn. Er is dan sprake van een te arm mengsel. Het mengsel zal dan alleen tot ontploffing kunnen worden gebracht wanneer er voortdurend een bepaalde hoeveelheid warmte wordt toegevoerd van buiten af. Onder de zogenaamde LEL waarde van een stof is eigenlijk geen explosie mogelijk.

Upper Explosion Limits of UEL-waarde
De bovenste explosiegrens wordt in de Engelse taal de Upper Explosion Limit genoemd. De afkorting die men hiervoor hanteert is UEL daarom noemt men de maximale percentages van stoffen voor de bovenste explosiegrens ook wel UEL-waarden. Boven de UEL-waarde is er geen verbranding omdat er bijvoorbeeld te weinig zuurstof in het luchtmengsel aanwezig is. Als er geen verbranding mogelijk is kan er ook geen explosie optreden. Men heeft het dan in feite een te rijk mengsel omdat er te veel van een bepaalde stof in de lucht aanwezig is.

Branddriehoek
De branddriehoek is een model waarmee men inzichtelijk maakt wat nodig is voor een brand. Dit zijn namelijk de volgende drie factoren:

  • Zuurstof
  • Brandstof
  • Warmte/ ontstekingstemperatuur

Te weinig brandstof of te weinig brandbaar gas zorgt er voor dat er geen brand of slechts een kleine brand mogelijk is. Te weinig zuurstof zorgt er voor dat er geen brand kan ontstaan. Ook een gebrek aan een ontstekingsbron met een ontstekingstemperatuur zorgt er voor dat een brandstof of luchtmengsel men een brandbare stof niet tot ontbranding of explosie kan worden gebracht. De branddriehoek zorgt er dus voor dat men inzichtelijk krijgt welke aspecten men kan aanpakken om een brand te voorkomen. Dit is belangrijke informatie voor een brandpreventieplan. Brandpreventie is uitermate belangrijk want het voorkomen van een brand is beter.

Welke brandklassen zijn er?

Een brandklasse maakt inzichtelijk om wat voor soort brand het gaat, welk type materiaal in brand staat en hoe de brand het beste kan worden bestreden met een bepaald brandblusmiddel. Op brandblusmiddelen staat (meestal) met een pictogram aangegeven om voor welke brandklasse het blusmiddel geschikt is. Bij water is dit pictogram uiteraard niet aangegeven maar voor alle blusmiddelen die door fabrikanten op de markt worden gebracht dient wel met een pictogram aangegeven te worden om wat voor blusmiddel het gaat. Daarnaast is ook met een letter aangegeven voor welke brandklasse het blusmiddel effectief kan worden gebruikt. Hieronder zijn de verschillende brandklassen aangegeven in een aantal alinea’s.

Klasse A

  • Toepassing: vaste stoffen zoals: hout, papier, karton en textiel.
  • Blusmiddelen: water, sproeischuimblusser en schuimblusser.

Klasse B

  • Toepassing: vloeistoffen en stoffen die vloeibaar worden zoals: aardolie, vloeibare vetten, benzine, enzovoort.
  • Blusmiddelen: Light water, sproeischuimblussers, CO² blussers of poederblussers gebruiken.

Klasse C

  • Toepassing: gasvormige stoffen zoals butaan, propaan en aardgas.
  • Sluit eerst de gastoevoer indien mogelijk af in verband met explosiegevaar.
  • Blusmiddel: bluspoeder.

Klasse D

  • Toepassing: brandbare metalen zoals magnesium, natrium, aluminium, zirkonium kalium en lithium.
  • Blusmiddel: speciale blusmiddelen voor het blussen van metalen aangeduid met Klasse D.

Klasse E (vervallen omdat elektriciteit niet brand)

  • Toepassing: branden in elektrische installaties.
  • Blusmiddel: CO2 poederblusser.

Klasse F

  • Toepassing: branden met zeer hete olie en vet zoals frituurvet
  • Blusmiddel: (chemische) sproeischuimblussers of speciale blussers die zijn ontwikkeld voor het blussen van gloeiendheet vet.

Weet hoe je een blusmiddel moet gebruiken
De brandklassen maken veel duidelijk over het type brand waar men mee te maken heeft. Ook maken de brandklassen  duidelijk welk blusmiddel men het beste kan gebruiken. Echter moet men wel voldoende onderricht zijn om een brandblusmiddel effectief te kunnen hanteren. Daarom zullen bedrijven hun personeel moeten trainen of laten trainen in het gebruik van de aanwezige brandblusmiddelen. Voorkomen van brand is natuurlijk het allerbeste daarom dienen bedrijven de risico’s op brand te inventariseren in een zogenaamde Risico Inventarisatie en Evaluatie.

De Risico Inventarisatie en Evaluatie vormt een onderdeel van het arbobeleid van een organisatie. In dit arbobeleid dient een organisatie ook aandacht te hebben voor het voorkomen van brand. Ook hierin is het belangrijk dat het personeel betrokken wordt. De meeste branden ontstaan namelijk omdat personeel onzorgvuldig omspringt met de veiligheid of niet op de hoogte is van de veiligheidsrichtlijnen. Preventie draait daarom om kennis en het toepassen van kennis op het gebied van brandveiligheid.

Wat is een brandklasse?

Een brandklasse is een bepaalde categorie waarin brandbare stoffen worden ingedeeld en daarbij het meest effectieve blusmiddel wordt genoemd. De indeling in brandklassen maakt inzichtelijk om wat voor soort brand het gaat. Elke brandklasse vormt een groep gelijksoortige branden die ingedeeld zijn op basis van de aard van de brandbare stoffen. Hieronder kun je lezen waarom er brandklassen zijn en welke soorten brandklassen er zijn.

Waarom een brandklasse?
De indeling in brandklassen is van groot belang omdat deze indeling inzichtelijk maakt om wat voor soort materiaal het gaat en welk blusmiddel gehanteerd moet worden in de bestrijding van de brand. Er zijn namelijk verschillende blusmiddelen en elk blusmiddel is niet geschikt voor elke brandbare stof. De brandklasse maakt duidelijk welk blusmiddel het beste gebruikt kan worden zodat men de brand met het juiste blusmiddel snel onder controle kan proberen te krijgen.

De keuze voor een verkeerd blusmiddel zou echter grote gevolgen kunnen hebben en de brand zelfs kunnen verergeren. Daarom dient men bij bedrijven in het kader van brandpreventie en risicobeheersing aandacht te besteden aan blusmiddelen en brandklassen. Op brandblussers wordt ook duidelijk aangegeven voor welke brandklasse de blusser gebruikt kan worden. Dit gebeurd met een pictogram en een letter die op de brandblusser is weergegeven.

Welke brandklassen zijn er?
Er zijn verschillende brandklassen. Hieronder staat een overzicht met de verschillende brandklassen. Per brandklasse is aangegeven om wat voor soort brand het gaat en wat voor materiaal in de brand staat. Daarnaast is aangegeven welk blusmiddel het beste gehanteerd kan worden om de brand onder controle te krijgen.

Brandklasse A
Voor deze klasse worden blusmiddelen gebruikt die geschikt zijn voor het blussen van vaste stoffen zoals: karton, papier, hout, textiel enzovoort. Branden in deze categorie worden geblust met water, sproeischuimblussers en schuimblussers.

Brandklasse B
maakt duidelijk dat het blusmiddel gebruikt kan worden voor het blussen van vloeistoffen en stoffen die vloeibaar worden. Een aantal voorbeelden hiervan zijn: aardolie, benzine, vetten enzovoort. Branden in brandklasse B kan men het beste blussen met sproeischuimblussers, Light water, CO² blussers of poederblussers gebruiken.

Brandklasse C
Onder deze categorie vallen blusmiddelen die geschikt zijn voor het blussen van gassen. Men dient voordat men gassen gaat blussen eerst de gastoevoer af te sluiten. Er bestaat namelijk een kans dat er een explosief gasmengsel ontstaat in de lucht als brandbare gassen zich mengen met zuurstof. Onder klasse C vallen brandbare gassen zoals aardgas, butaan, propaan enzovoort. Deze branden kan men het beste blussen met bluspoeder.

Brandklasse D
Brandklasse D is een categorie waaronder blusmiddelen vallen die geschikt zijn voor het blussen van brandbare metalen. Dit zijn bijvoorbeeld metalen zoals kalium, magnesium, lithium, aluminium, natrium, zirkonium enzovoort. Voor het blussen van klasse D branden zijn speciale blusmiddelen ontwikkeld voor dit type brand. Dit zijn poederblussers die bijvoorbeeld keukenzout bevatten.  

Brandklasse E
Brandklasse E is voor blusmiddelen die geschikt zijn voor branden in elektrische installaties. Deze categorie wordt in de praktijk niet of nauwelijks meer gebruikt omdat men klasse E heeft afgeschaft in Nederland. Dit heeft men besloten omdat elektrische branden niet in de letterlijke zin bestaan, elektriciteit kan namelijk niet branden. Wel kan elektriciteit een brand veroorzaken. De behuizingen en isolatie van elektrische werktuigen, machines en installaties kunnen bijvoorbeeld in brand vliegen door kortsluiting. Ook kunnen brandbare vloeistoffen door vonken van een elektrische installatie gaan branden. Eigenlijk heeft men het dan over een klasse A/B brand. Het beste kan men de elektrische spanning uitschakelen. Men kan echter geen water gebruiken zoals bij een klasse A brand gebeurd omdat water elektriciteit geleid. Blussen met CO2 poeder is wel mogelijk om de zuurstof af te sluiten.

Brandklasse F
is een klasse die gehanteerd wordt om blusmiddelen aan te duiden voor het blussen van branden waarbij zeer hete oliën en vetten in brand staan. Hierbij kan men denken aan frituurvet. Voor deze branden maakt men gebruik van (chemische) sproeischuimblussers of speciale vetblussers.

Wat is brandpreventie?

Brandpreventie is een verzamelnaam voor alle maatregelen die worden genomen voor het voorkomen en beperken van brand alsmede alle maatregelen die worden getroffen voor het beperken van de schade en letsel ten gevolge van brand. Bij brandpreventie gaat het om het onderkennen van de risico’s op brand en daar actief oplossingen voor bedenken. Men neemt voorzorgsmaatregelen om brand te voorkomen. Uiteindelijk begint brandpreventie bij de mensen zelf.

Brandpreventie start bij de mens
Mensen nemen over het algemeen de risico’s waardoor branden kunnen ontstaan. Door de mensen te wijzen op de risico’s en duidelijk te instrueren hoe ze brand kunnen voorkomen kan men een belangrijke stap zetten in de brandpreventie. Ook bedrijven dienen aandacht te besteden aan het voorkomen van brand. Vooral bedrijven waar veel brandbare stoffen aanwezig zijn zullen in de Risico Inventarisatie en Evaluatie aandacht moeten besteden aan het risico op brand en in een plan van aanpak moeten beschrijven hoe men dit risico wil beperken, kortom brandpreventie. Een aantal begrippen zij belangrijk als het gaat om brandpreventie. Deze begrippen staan in onderstaande alinea’s, daarbij wordt gestart met de vraag: “wat is brand?

Wat is brand?
Brand is een vuur dat ongewenst is. Dit is een vrij algemene omschrijving van brand maar het is van belang om te weten dat men bij brandpreventie ongewenst vuur wil voorkomen. Bij brand ontstaat er een vuur dat men niet wenst op een bepaalde plek. Een kampvuur, is zolang het op de plaats blijft waar het hoort, geen ongewenst vuur en dus geen brand. Bij brand ontstaat meestal schade. Omdat brand een ongewenst vuur is gaat er tijdens een brand vaak materiaal verloren dat niet verloren had moeten gaan. Als men bewust een vuur maakt gebruikt men daarvoor een geschikte brandstof zoals kolen of hout.

Tijdens een brand zullen verschillende brandbare materialen in vlammen opgaan. Daar zitten materialen bij die niet schadelijk zijn voor de gezondheid maar er kunnen ook materialen verbranden die wel schadelijk zijn voor de gezondheid als ze in de atmosfeer terecht komen zoals asbest. Daarom wordt er ook vaak in het nieuws gewaarschuwd als er asbest tijdens een brand is vrijgekomen. In de volgende alinea is kort informatie weergegeven over verschillende brandbare stoffen.

Brandbare stoffen
Als men het risico op brand wil inventariseren in een Risico Inventarisatie en Evaluatie dan zal men ook moeten kijken naar de aanwezigheid van brandbare stoffen op de werkplek en binnen een bedrijf. Daar kan men in een brandpreventiebeleid aandacht aan besteden. Er zijn verschillende brandbare stoffen. Bijna alle stoffen zijn brandbaar alleen is de temperatuur waarbij een brand ontstaat per stof verschillend. Dit noemt men ook wel het vlampunt. Grofweg kan men de brandbare stoffen in drie hoofdgroepen indelen:

  • Vaste stoffen zijn stoffen die een solide massa hebben zoals hout, steenkool, karton en papier.
  • Vloeistoffen zijn stoffen die vloeibaar zijn. De vloeistof zal echter zelf niet ontbranden maar de dampen van de vloeistof wel. Denk hierbij aan aardolie of kerosine.
  • Gasvormige stoffen zijn stoffen die in een luchtmengsel aanwezig kunnen zijn. Een voorbeeld hiervan is aardgas.

Vlampunt
In de alinea hiervoor werden een aantal voorbeelden genoemd van brandstoffen en werd het woord vlampunt kort benoemd. Het is in het kader van brandpreventie niet alleen belangrijk om te weten wat brandbare stoffen zijn, ook het vlampunt is van groot belang. Het vlampunt van een stof is de laagste temperatuur waarbij een stof tot ontbranding kan worden gebracht als de stof in contact komt met een ontstekingsbron. Er zijn verschillende ontstekingsbronnen waaronder een vonk of een vlam. Ook een elektrische boog kan worden gebruikt als ontstekingsbron.

Hoe lager het vlampunt is van een stof hoe lager de temperatuur is waarbij de stof tot ontbranding kan worden gebracht. Kortom stoffen met een laag vlampunt brengen een groot risico op brand met zich mee. Bedrijven zullen daarom extra aandacht moeten besteden aan het voorkomen van open vuur en andere ontstekingsbronnen als er stoffen met een laag vlampunt aanwezig zijn binnen een bedrijf.

Branddriehoek
Er zijn een aantal voorwaarden nodig om een brand te kunnen laten ontstaan en om een brand in stand te kunnen houden. Dit zijn de volgende voorwaarden:

  • Brandstof
  • Zuurstof
  • Warmte/ ontstekingsbron

Deze drie aspecten dienen aanwezig te zijn voor een brand. Daarom kan men in de brandpreventie aandacht besteden aan deze drie factoren. Door één of meerdere factoren te elimineren wordt de kans op brand verkleind.

Voorkomen van brand
Bedrijven moeten er volgens de Arbowet alles aan doen om de werkplek voor werknemers zo veilig mogelijk te maken. Dat houdt ook in dat in de Risico Inventarisatie en Evaluatie aandacht moet worden besteed aan brandpreventie. Het belangrijkste daarbij is het wegnemen van de bron. Dit noemt men ook wel bronmaatregelen. Bronmaatregelen kan men in een bedrijf treffen door 1 of meerdere factoren van de branddriehoek te elimineren. Zo kan een bedrijf er alles aan doen om brandstof weg te nemen.

Vooral brandstoffen met een laag vlampunt zullen door het bedrijf verwijderd moeten worden. Als dat niet mogelijk is zal een bedrijf moeten voorkomen dat er een ontstekingsbron of ontstekingstemperatuur ontstaat. Een combinatie tussen deze factoren is ook mogelijk. De derde voorwaarde voor een brand is zuurstof. In de praktijk is het vaak moeilijk om de zuurstof weg te nemen of te beperken omdat er dan direct een levensgevaarlijke situatie ontstaat voor de mensen op de werkplek die uiteraard van zuurstof afhankelijk zijn.

Technische maatregelen
Bedrijven kunnen technische maatregelen treffen om brand te voorkomen, om brand tijdig op te merken en brand te bestrijden. Er zijn bijvoorbeeld installatietechnische voorzieningen die een bedrijf ter ontdekking, bestrijding en beheersing van een brand kan aanbrengen. Hieronder volgen een aantal voorbeelden:

  • Sprinklerinstallatie
  • Rookmelder
  • Brandmeldinstallatie
  • Rook- en warmteafvoerinstallatie

Het spreekt voor zich dat deze installaties goed moeten kunnen functioneren daarom moet een erkend installateur deze installaties aanbrengen. De installaties zullen daarnaast regelmatig moeten worden getest en gecontroleerd zodat deze installaties effectief hun werk zullen doen als er een brand ontstaat.

Overige brandbestrijdingsmiddelen
Mocht er toch een brand ontstaan dan zal men eerst voor de eigen veiligheid en de veiligheid van andere mensen moeten zorgen. Als de brand nog beperkt is kan men er voor kiezen om de brand zelf te blussen indien men daarvoor training heeft gehad. Er zijn verschillende blusmethoden die gehanteerd kunnen worden voor een brand. Deze blusmethoden hebben allemaal te maken met de eerder genoemde branddriehoek en pakken allemaal een factor aan van de branddriehoek  bijvoorbeeld het afkoelen van de (ontstekings-)temperatuur of het verwijderen van zuurstof. In het laatste voorbeeld kan men denken aan het plaatsen van een deksel op een pan als de ‘vlam in de pan is geslagen’. Als men echter een kleine brand wil blussen en men kan deze niet afsluiten met behulp van een deksel dan kan men een blusdeken gebruiken. Er zijn echter ook verschillende blusstoffen die men kan gebruiken voor het bestrijden van brand. Daarover lees je in de volgende alinea meer.

Blusstoffen
De eigenschappen van brandbare stoffen verschillen daarom zijn er ook verschillende blusstoffen ontwikkeld. De blusstoffen worden in drie groepen ingedeeld. Hieronder worden de blusstoffen genoemd en wordt per blusstof een voorbeeld gegeven ter illustratie.

  • Natte blusstoffen. Dit zijn vochtige blusstoffen waarvan water het bekendste voorbeeld is. Water koelt en het verdampte water zorgt voor stoomvorming dat de zuurstof verdrijft. Daarnaast is water heel goedkoop waardoor water in de praktijk veel wordt gebruikt als blusstof. Toch is water niet altijd ideaal omdat water heftig reageert op oliën en vetten. Daarnaast geleid water ook elektriciteit waardoor er elektrocutiegevaar kan ontstaan.
  • Droge blusstoffen. Dit zijn in tegenstelling tot natte blusstoffen geen vloeibare stoffen waarmee brand kan worden bestreden. De meeste droge blusstoffen zijn in poedervorm. Er is special bluspoeder ontwikkeld in verschillende categorieën zoals ABC-poeder, D-poeder en BC-poeder. Bluspoeder werkt over het algemeen snel en is niet gevoelig voor vorst. Daarnaast geleid poeder geen elektriciteit. Echter zorgt bluspoeder wel voor veel schade aan elektrische installaties.
  • Koolstofdioxide/ CO2. Dit wordt in gasvorm of in ‘sneeuwvorm’ gebruikt als brandblusstof. Door de CO2-blusser te gebruiken wordt de zuurstof verdrongen en op die manier de brand gedoofd. CO2-blussers worden in de praktijk veel gebruikt in omgevingen waar elektrische apparatuur, elektronica en mechatronica aanwezig is omdat deze blusmiddelen de schade voor deze technische installaties beperken. Een CO2-blusser is echter zuurstof verdringend en dat is ook het gevaar van deze blussers. In gesloten ruimten zorgt de CO2-blusser er voor dat de aanwezigheid van zuurstof wordt gereduceerd waardoor ook levende wezens zoals mensen en dieren te weinig zuurstof kunnen krijgen.

Zoals je gelezen hebt zijn er verschillende blusmiddelen. Uiteraard is het beter om een brand te voorkomen daarom dient veel aandacht te worden besteed aan brandpreventie. De aanwezigheid van blusmiddelen kan er echter wel voor zorgen dat de schade die ontstaat door een brand wordt beperkt. Mensen die met blusmiddelen zullen moeten werken in een geval van brand moeten wel weten wat ze moeten doen. Daarom is een training op het gebied van het gebruiken van blusmiddelen van groot belang. Net als bij brandpreventie draait ook het beperken van een brand voor een groot deel om kennis en inzicht.

Wat is brand?

Brand is in feite een ongewild vuur. Bij brand ontstaat meestal schade maar kunnen ook slachtoffers vallen. Daarom besteden bedrijven aandacht aan brandpreventie oftewel het voorkomen van brand. Dat is een goed streven maar toch vinden er in Nederland nog steeds branden plaats.

Statistisch is uitgezocht dat er ieder jaar in Nederland ongeveer 80 mensen omkomen door brand of door een explosie. Daarnaast raken ongeveer 750 mensen gewond door branden of explosies. Er vallen slachtoffers door branden en explosies vanwege verschillende oorzaken. Zo kan men roekeloos hebben gehandeld, er kan sprake zijn van opzet, het niet op de hoogte zijn van de gevaren of het niet weten hoe men met brandblusmiddelen moet omgaan en het gevaar moet beheersen. De aanwezigheid van brandbare stoffen op de werkplek is een belangrijke factor voor een brand maar er zijn meer factoren nodig om een brand te laten ontstaan dit wordt duidelijk in de branddriehoek.

Branddriehoek en brandvierhoek
Voor het laten ontstaan van een brand zijn een drietal aspecten nodig. Zoals hierboven genoemd dient er een brandbare stof aanwezig te zijn. Daarnaast is zuurstof nodig en is er een ontstekingstemperatuur nodig om de brandbare stof aan te steken. Er wordt ook wel gesproken van een brandvierhoek als men de factor ontstekingstemperatuur heeft vervangen door de factor energie en daarnaast de factor mengverhouding toevoegt. Er moet namelijk een bepaalde mengverhouding aanwezig zijn tussen zuurstof en brandbare stoffen. Dit treft men onder andere aan bij mengsels van brandbare gassen. Als er te weinig zuurstof is zal de brand niet ontstaan en als er te weinig brandbare stof is zal er ook geen brand ontstaan of slechts een korte brand.

Brandbare stoffen
Wat zuurstof is zal men begrijpen ook een ontstekingstemperatuur is duidelijk maar brandbare stoffen zijn er in verschillende soorten. We kennen de volgende brandbare stoffen.

  • Vaste stoffen. Dit zijn solide stoffen zoals hout, steenkool, bruinkool, textiel en papier.
  • Vloeistoffen. Dit zijn vloeibare stoffen zoals aardolie, benzine, ethanol en vloeibaar aardgas.
  • Gassen. Dit zijn gasvormige stoffen zoals aardgas, waterstof en methaan.

De aanwezigheid van een van de hierboven genoemde brandstoffen is een voorwaarde voor een brand. Daarnaast dient er uiteraard een ontstekingstemperatuur aanwezig te zijn en voldoende zuurstof. Door één van deze factoren weg te nemen kan men het gevaar voor brand verkleinen of de brand doven.

Wat kan een intercedent doen om de veiligheid van uitzendkrachten te bevorderen?

Intercedenten van uitzendbureaus hebben een belangrijke rol als het gaat om de veiligheid van uitzendkrachten. Het uitzendbureau is de formele werkgever van de uitzendkracht maar is niet belast met het dagelijkse toezicht op de uitzendkracht. De inlener of opdrachtgever is verantwoordelijk voor dit dagelijkse toezicht en zal aan de uitzendkracht net als aan de overige werknemers duidelijke instructies moeten verschaffen met betrekking tot de veiligheid en het uitvoeren van de werkzaamheden.

Bedrijven kunnen echter veel veiligheidsmaatregelen die bij hun eigen vaste werknemers worden getroffen niet bij uitzendkrachten treffen. Dit komt omdat de inlener de materiële werkgever is en niet de formele werkgever. De intercedent van een uitzendbureau heeft daardoor specifieke taken met betrekking tot de veiligheid van de uitzendkrachten. Deze specifieke taken zijn in een onderstaand overzicht genoteerd.

Taken van een intercedent mbt veiligheid van uitzendkrachten
Als het gaat om veiligheid dan is kennis en informatie één van de belangrijkste basiselementen. Concreet betekend dit dat de intercedent er voor moet zorgen dat hij of zij alle relevante informatie ontvangt van de inlener die verband houdt met veiligheid en gezondheid op de werkvloer. De intercedent zal samen met de inlener een duidelijk overzicht moeten opstellen van deze informatie. Intercedenten zullen deze informatie tevens moeten hanteren in hun selectieprocedure voor uitzendkrachten. Daarnaast is een intercedent verplicht om relevante informatie met betrekking tot de veiligheid te delen met de uitzendkracht. Dit noemt men ook wel de doorgeleidingsplicht van een uitzendbureau. Een uitzendbureau is dus doormiddel van de doorgeleidingsplicht wettelijk verplicht om de uitzendkracht te instrueren op het gebied van veiligheid op de werkplek van de inlener. Daarnaast dient de volgende informatie door de intercedent te worden ingewonnen bij de inlener:

  • Er dient een duidelijke omschrijving te worden genoteerd van de taakinhoud die hoort bij de functie die de uitzendkracht zal moeten vervullen.
  • Ook dienen de capaciteiten en ervaringen inzichtelijk te worden gemaakt zodat de intercedent weet waar op gelet moet worden tijdens de werving en het selecteren van uitzendkrachten.
  • Ook dient aandacht te worden besteed aan de vereiste opleidingen die de uitzendkracht nodig heeft en over welke bevoegdheid de uitzendkracht moet beschikken om bepaalde werkzaamheden en taken te mogen uit te voeren.

Door bovenstaande informatie krijgt de intercedent een goed beeld van relevante informatie omtrent de achtergrond van de uitzendkracht in relatie tot de veiligheidsaspecten op de werkvloer. Er zijn echter ook concrete vragen die de intercedent aan de kandidaat uitzendkracht zal moeten stellen. Over de volgende onderwerpen dient de intercedent tijdens het intakegesprek navraag te doen:

  • De kennis die de uitzendkracht heeft op het gebied van veiligheid en gezondheid
  • Over welke veiligheidscertificaten de uitzendkracht beschikt. Heeft de uitzendkracht bijvoorbeeld basis VCA of VCA vol?
  • Wat is de houding of attitude van de uitzendkracht met betrekking tot veiligheid. Dit kan ook blijken uit een referentie over de uitzendkracht. Een intercedent dient daarom ook tijdens het inwinnen van een referentie over een uitzendkracht ook navraag te doen hoe de persoon de veiligheidsinstructies opvolgde op de werkvloer.
  • De intercedent dient de uitzendkracht te wijzen op de noodzaak, de voordelen en het belang van veilig werken.

Mocht er een verschil of meerdere verschillen zijn tussen de achtergrond en houding van de uitzendkracht met betrekking tot de veiligheid en de aanvraag en eisen van de inlener dan is dit een reden om met elkaar in overleg te treden. De intercedent zal de verschillen moeten benoemen aan de inlener. Gezamenlijk moet worden besproken of de kandidaat bijvoorbeeld een aanvullend veiligheidscertificaat moet halen. Ook dient er duidelijk te worden afgesproken dat de operationeel leidinggevende op de werkplek de uitzendkracht duidelijk instrueert en hem of haar de benodigde persoonlijke beschermingsmiddelen verschaft. Eventueel kan een uitzendorganisatie in overleg met de inlener ook een aantal persoonlijke beschermingsmiddelen verstrekken aan de uitzendkracht.

Welke maatregelen kan de Inspectie SZW nemen?

De Inspectie SZW heeft sinds januari 2012 de Arbeidsinspectie vervangen. De Inspectie SZW controleert bedrijven op het gebied van het naleven van de Arbeidsomstandighedenwet die ook wel Arbowet wordt genoemd. Omdat de Arbowet valt onder de V&G wetgeving noemt men de Inspectie SZW ook wel de Overheidsinspectiedienst Veiligheid en Gezondheid. Sommige bedrijven hanteren echter ook nog de verouderde term Arbeidsinspectie.

Arbowet
Bedrijven zijn verplicht om de Arbeidsomstandighedenwet na te leven. De Arbeidsomstandighedenwet is een kaderwet waaruit het Arbobesluit en de Arboregelingen zijn voortgevloeid. Naast deze Arbobegrippen zijn er nog verschillende Arbobegrippen ontstaan. Bedrijven moeten bijvoorbeeld een Arbobeleid opstellen en zijn op basis van de Arbowet verplicht om de risico’s op de werkplek te inventariseren doormiddel van een Risico Inventarisatie en Evaluatie (RI&E).

Deze RI&E vormt een belangrijk onderdeel van het Arbobeleid van een bedrijf. In de Risico Inventarisatie en Evaluatie dienen bedrijven in een plan van aanpak te schrijven met welke maatregelen de risico’s binnen het bedrijf worden weggenomen of beheerst. Dit zijn belangrijke procedures maar de naleving is minimaal zo belangrijk. De overheid kan er echter niet op vertrouwen dat bedrijven allemaal de Arbeidsomstandighedenwetgeving in de praktijk nauwgezet opvolgen. Er is controle nodig en deze wordt geboden door de Inspectie SZW.

Maatregelen en sancties van de Inspectie SZW
Veel bedrijven zullen van goede wil zijn en hebben een gedegen V&G beleid met daarbij als onderdeel het Arbobeleid en Risico Inventarisatie en Evaluatie met een gedegen plan van aanpak waarmee de risico’s op de werkplek worden verminderd en beheerst. Er zijn echter ook bedrijven die minder aandacht besteden aan de veiligheid en gezondheid van werknemers op de werkvloer. Er kunnen door de Inspectie SZW tijdens arbeidsinspecties misstanden en overtredingen worden geconstateerd.

Als dat het geval is dan zal de Inspectie SZW maatregelen nemen waardoor bedrijven en werknemers gedwongen worden om veilig(er) te werken. Er zijn verschillende maatregelen die genomen kunnen worden door de Inspectie SZW. Onderstaande maatregelen kunnen door de Inspectie SZW worden genomen. De maatregelen zijn genoteerd van een lichte maatregel op basis van een kleine overtreding tot een zware maatregel bij een ernstige overtreding.  

Mondelinge afspraak
De Inspectie SZW kan een mondelinge afspraak maken als geen sprake is van een ernstige overtreding. De inspecteur van de Inspectie SZW zal de mondelinge afspraak met een werkgever maken indien de inspecteur het vertrouwen heeft dat de werkgever de situatie zal herstellen en de veiligheid zal bevorderen. Mondelinge afspraken kunnen alleen worden gemaakt indien er kleine overtredingen plaatsvinden op basis van de Arbeidstijdenwet en Arbeidsomstandighedenwet.

Waarschuwing of eis
Een waarschuwing of eis is een steviger maatregel dan een mondelinge afspraak. Een waarschuwing wordt op schrift gezet. Ook kan de inspecteur van de Inspectie SZW een ‘eis tot naleving van de wet’ aan het bedrijf, waar de overtreding is geconstateerd, verstrekken. Daarin wordt ook een termijn gesteld waarbinnen het bedrijf de oorzaak van de overtreding dient te hebben hersteld. Als deze termijn is verlopen zal de inspecteur in een inspectie nagaan of de situatie inderdaad is verbeterd en opgelost. Als de situatie niet is opgelost zal de inspecteur een boeterapport opstellen.

Boeterapport
Als er sprake is van een ernstige overtreding zal de inspecteur een boeterapport opstellen. Een boeterapport al tevens worden opgesteld als blijkt dat er na een waarschuwing of eis niets is veranderd aan de onveilige situatie. Wanneer een inspecteur van de Inspectie SZW opnieuw een eerder geconstateerde overtreding op de werkplek aantreft zal ook direct een boeterapport worden opgesteld.

Werk stilleggen
Als een inspecteur tijdens een controle constateert dat er een ernstig gevaar op de werkplek aanwezig is voor de veiligheid of gezondheid van personen dan kan de inspecteur van de Inspectie SZW besluiten om het werk op de desbetreffende werkplek stil te leggen voor een bepaalde tijd. Wanneer er tijdens de inspectie wordt gewerkt kan tevens worden besloten om een boeterapport op te stellen.

Proces-verbaal
Als de Inspectie SZW een misdrijf constateert dat uitdrukkelijk is genoemd in de wet- regelgeving dan kan zal er een proces-verbaal worden opgemaakt. Ook wanneer er sprake is van een ernstig gevaar voor mensen op de werkplek dan kan een proces verbaal worden opgesteld en kan tevens het werk worden neergelegd. Dit kan bijvoorbeeld gebeuren als werknemers bijvoorbeeld werken met asbest of andere zeer gevaarlijke stoffen zonder dat men hiertoe bevoegd en uitgerust is.

Last onder dwangsom
De Inspectie SZW kan ook een dwangsom opleggen als een bedrijf de maatregelen tot verbetering niet heeft uitgevoerd.

Overheidsinspectiedienst Veiligheid en Gezondheid, Arbeidsinspectie of Inspectie SZW?

De Overheidsinspectiedienst Veiligheid en Gezondheid is een controlerende overheidsinstantie die gericht is op de Veiligheid- en Gezondheidswetgeving oftewel de V&G-wetgeving. Deze inspectiedienst houdt toezicht op bedrijven met betrekking tot het naleven van de Arbeidsomstandighedenwet en alle wetgeving en regels die daaruit voortvloeien. In de praktijk worden echter de termen Overheidsinspectiedienst Veiligheid en Gezondheid, Inspectie SZW en de Arbeidsinspectie vaak door elkaar heen gebruikt. Dit kan zeer verwarrend werken. In onderstaande korte tekst is uitleg gegeven over deze verschillende termen zodat duidelijk wordt wat met deze termen bedoelt wordt en hoe actueel deze termen zijn.

Arbeidsinspectie
De Arbeidsinspectie werd in 1890 opgericht in Nederland, dit gebeurde naar aanleiding van de Arbeidswet die in 1889 werd ingevoerd. De Arbeidsinspectie was tot 2012 een onderdeel van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid. Daarna werd de Arbeidsinspectie geïntegreerd in de Inspectiedienst SZW (zie alinea hieronder). Sommige bedrijven hebben het echter nog steeds over de Arbeidsinspectie als het gaat om de overheidsinstelling die bedrijven controleert op het gebied van veiligheid en gezondheid op de werkplek. De Arbeidsinspectie bestaat echter formeel niet meer en is opgeheven om onderdeel uit te maken van de Inspectiedienst SZW.

Inspectiedienst SZW
De Inspectiedienst SZW werd in 2012 opgericht. SZW is een afkorting van Sociale Zaken en Werkgelegenheid dit maakt duidelijk dat de Inspectiedienst SZW valt onder het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid. De Inspectie SZW een samenvoeging van de Arbeidsinspectie, Inspectie Werk en Inkomen en de Sociale Inlichtingen- en Opsporingsdienst van het Ministerie van Sociale Zaken. De Inspectie SZW is daardoor breder dan de Arbeidsinspectie die de overheid voor 2012 inzette voor de controle op de naleving van de Arbowetgeving. Door de samenvoeging is het toezicht op bedrijven beter geregeld en georganiseerd.

Overheidsinspectiedienst Veiligheid en Gezondheid of Inspectie SZW
Omdat de Arbowetgeving behoort tot de wetgeving op het gebied van Veiligheid & Gezondheid, spreekt men ook wel van V&G wetgeving. Daaruit vloeit voort dat men de Inspectie SZW ook wel de Overheidsinspectiedienst Veiligheid en Gezondheid noemt. Ook in het studiemateriaal dat men hanteert voor VCA en VCU gebruikt men de termen Inspectie SZW en Overheidsinspectiedienst Veiligheid en Gezondheid door elkaar heen terwijl in feite hetzelfde wordt bedoelt.

Wat is een V&G-plan of Arbo-projectplan?

Het komt in de praktijk vaak voor dat bedrijven in de techniek en bouw gezamenlijk op één locatie werkzaamheden uitvoeren. Dit zorgt er voor dat er afspraken gemaakt moeten worden met betrekking tot de veiligheid. De werkzaamheden van de ene werkgever kunnen namelijk invloed en effect hebben op de werkzaamheden van de andere werkgever(s). Ook op het gebied van veiligheid is het belangrijk om afspraken te maken tussen de werkgevers onderling. De overheid heeft dit ook vastgelegd in de Arbowetgeving en V&G wetgeving.

Arbo- projectplan of V&G-plan?
De werkgevers die samen op dezelfde locatie actief zijn moeten een veiligheids- en gezondheidsplan opstellen. Dit wordt ook wel V&G-plan of Arbo- projectplan genoemd. Een V&G-plan wordt voluit geschreven als Veiligheids- en Gezondheidsplan en een Arbo-projectplan als Arbeidsomstandighedenplan. Beide termen kunnen door elkaar heen worden gebruikt maar bedoelen precies hetzelfde. De Arbowetgeving valt onder de V&G wetgeving vandaar dat men de term V&G ook gebruikt voor verplichtingen die uit de Arbowetgeving voortvloeien.

Wat staat er in een V&G-plan of Arbo-projectplan?
In een V&G-plan zullen een aantal punten verwerkt moeten worden.  Het is belangrijk dat een V&G-plan of Arbo-projectplan duidelijk is over een aantal belangrijke onderwerpen. Alleen door een duidelijk plan heeft men goed inzichtelijk welke werkgever verantwoordelijk is voor bepaalde onderwerpen. Daarom moeten de volgende punten worden behandeld in een V&G-plan”:

  • Wijze van samenwerken tussen de partijen
  • Te treffen voorzieningen
  • Manier van toezicht houden
  • De relatie met de omgeving voor mogelijke risico’s en de te nemen maatregelen.

In de praktijk is het vaak zo dat de werkgever die verantwoordelijk is voor het geven van aanwijzingen aan personeel, tevens de toezicht houdt op de werkplek, middelen beschikbaar stelt (bijvoorbeeld pbm’s) en verantwoordelijk is voor de naleving van de verplichtingen die voortvloeien uit de Arbeidsomstandighedenwet/ Arbowet.

V&G- wetgeving en het uitzendwezen

De V&G- wetgeving oftewel de Veiligheids en Gezondheidswetgeving is heel duidelijk over de rol die werkgevers en werknemers hebben met betrekking tot de veiligheid op de werkplek. Zowel werkgevers als werknemers hebben rechten en plichten als het gaat om veiligheid en arbeidsomstandigheden. De situatie kan iets lastiger worden als er sprake is van een intermediair zoals een uitzendbureau.

Formele werkgever en materiële werkgever
Een uitzendonderneming is de formele werkgever van de uitzendkracht en betaald aan de uitzendkracht het loon uit. Toch heeft de uitzendonderneming niet het dagelijkse toezicht op de uitzendkracht. Dat heeft de opdrachtgever die als inlener functioneert voor de uitzendkracht en het uitzendbureau. De inlener wordt ook wel de materiële werkgever genoemd en is verantwoordelijk voor het instrueren van de uitzendkracht en de veiligheid op de werkplek. Ook is de inlener verantwoordelijk voor het verstrekken van de persoonlijke beschermingsmiddelen op de werkvloer.

Doorgeleidingsplicht uitzendonderneming
De inlener dient verder aan het uitzendbureau alle relevante informatie te verstrekken met betrekking tot veiligheid voor de uitzendkracht. De uitzendonderneming zal de inlener daar ook naar moeten vragen en heeft een doorgeleidingsplicht naar de uitzendkracht toe. Dit houdt in dat het uitzendbureau verplicht de informatie met betrekking tot veiligheid aan de uitzendkracht moet doorgeven. Dit kan schriftelijk doormiddel van een personeelsinstructieformulier. Hieronder staan nog kort een aantal plichten weergegeven voor de uitzendonderneming en de inlener als een uitzendkracht wordt ingeleend.

Wat moet een inlener doen?
De inlener oftewel de opdrachtgever waar de uitzendkracht voor werkt is belast met het dagelijkse toezicht op de uitzendkracht.

  • De opdrachtgever is verantwoordelijk voor de veiligheid en gezondheid van de uitzendkracht.
  • De opdrachtgever is verantwoordelijk voor een veilige en gezonde werkplek.
  • De opdrachtgever dient de uitzendkracht van duidelijke instructies te voorzien. Dit doet in de praktijk meestal de operationeel leidinggevende.
  • De opdrachtgever zal de uitzendkracht persoonlijke beschermingsmiddelen moeten verstrekken.
  • De opdrachtgever zal de uitzendkracht op het gebied van veiligheid en gezondheid hetzelfde moeten behandelen als zijn eigen personeel.

Wat moet een uitzendbureau doen?
Het uitzendbureau is de formele werkgever van de uitzendkracht en zal de uitzendkracht loon uit betalen. Daar stopt de verantwoordelijkheid van de uitzendonderneming echter niet. Hoewel uitzendbureaus niet dagelijks toezicht hebben op het werk van hun uitzendkrachten hebben ze op dit gebied wel verplichtingen. Hieronder staan er een paar belangrijke:

  • Het uitzendbureau zal de uitzendkracht informatie moeten verstrekken over de werkplek en de functie-eisen.
  • Het uitzendbureau is wettelijk aansprakelijk met betrekking tot de doorgeleidingsplicht. De uitzendonderneming dient bij de inlener navraag te doen over de aard van de werkzaamheden, de vereiste kennis, ervaring en opleiding, en de veiligheidsaspecten, veiligheidsrisico’s en beheersmaatregelen. Ook de benodigde persoonlijke beschermingsmiddelen dienen in kaart te worden gebracht.
  • Als een uitzendbureau door een uitzendkracht wordt gebeld met klachten over de werkplek dan dient de uitzendonderneming in actie te komen en bijvoorbeeld een werkplekinspectie uit te voeren. Dit dient te gebeuren in samenwerking en nauw contact met de inlener.

Rechten en plichten van de uitzendkracht
Uitzendkrachten hebben rechten en plichten met betrekking tot veiligheid die overeenkomen met de rechten en plichten van werknemers die rechtstreeks in dienst zijn bij het inlenende bedrijf. Er worden een aantal genoemd:

  • De uitzendkracht dient aandachtig naar de werkinstructies van de direct leidinggevende te luisteren en deze nauwgezet op te volgen.
  • De uitzendkracht dient geen gevaar te veroorzaken.
  • De uitzendkracht dient de voorgeschreven persoonlijke beschermingsmiddelen te dragen en netjes te onderhouden.
  • De uitzendkracht zal onveilige situaties en onveilige handelingen na constatering direct moeten melden bij de juiste persoon of afdeling.
  • De uitzendkracht zal ook melding moeten maken van onveilige situaties en onveilige handelingen bij het uitzendbureau waar hij of zij voor werkt.
  • De uitzendkracht is verplicht om veiligheidsbijeenkomsten zoals toolboxmeetings bij te wonen indien deze door het inlenende bedrijf worden gehouden.
  • De uitzendkracht zal een VCA certificaat moeten halen indien dit is voorgeschreven.

Wat is een V&G-actieplan?

Een V&G-actieplan is een schriftelijk document waarin bedrijven inzichtelijk maken welke doelen ze willen bereiken op het gebied van veiligheid en gezondheid en hoe die doelen bereikt gaan worden. Bedrijven zijn verplicht om elk jaar een schriftelijk actieplan op te stellen met betrekking tot de veiligheid en de gezondheid op de werkvloer. Dit plan heeft de naam Veiligheids en Gezondheids Actieplan (V&G-actieplan). In het V&G-actieplan staan actiepunten en verantwoordelijkheden. Daarnaast is ook een tijdsplanning weergeven waarin bepaalde VG-doelstellingen behaald dienen te worden. Elk jaar zal het V&G-actieplan dienen te worden getoetst en indien nodig zal het V&G-actieplan moeten worden aangepast en bijgestuurd om actueel en praktisch toepasbaar te blijven.

Onderwerpen in het V&G-actieplan
In het V&G-actieplan zijn de volgende onderwerpen verwerkt:

  • De doelstellingen op het gebied van veiligheid en gezondheid.
  • De preventiemaatregelen die concreet genomen (zullen) worden.
  • Welke middelen daarvoor worden ingezet.
  • De manier waarop de veranderingen worden georganiseerd.
  • De kosten van de veranderingen.
  • Het materiaal dat nodig is.
  • De taakverdeling.
  • De tijdsplanning waarin de doelstellingen behaald dienen te worden.
  • Wie verantwoordelijk zijn voor de uitvoering.

Wat zijn de uitgangspunten V&G-wetgeving

De V&G-wetgeving is gericht op het bevorderen van de veiligheid op de werkvloer zodat werknemers onder zo veilig mogelijke arbeidsomstandigheden hun werk kunnen uitvoeren. V&G staat voor Veiligheid en Gezondheid, deze wetgeving wordt dus voluit Veiligheids- en Gezondheidswetgeving genoemd. De V&G-wetgeving schrijft voor dat de planning van de preventie en de uitvoering van V&G op het werk een vast onderdeel moet zijn van de bedrijfsvoering van een bedrijf.

Risicobeheersbeleid en Risico Inventarisatie en Evaluatie
Bedrijven moeten daarom een risicobeheersbeleid opstellen. Dit risicobeheersbeleid vormt een belangrijk onderdeel van het risicobeheerssyteem. De Risico Inventarisatie en Evaluatie vormt de uitwerking van het risicobeheersbeleid. Hierin inventariseert een bedrijf de aanwezige risico’s binnen het bedrijf. Daarnaast schrijft het bedrijf in een plan van aanpak welke stappen ondernomen (zullen) worden om de risico’s weg te nemen of te beheersen. De doelstelling van de Risico Inventarisatie en Evaluatie is het in kaart brengen van de risico’s en het effectief aanpakken van risico’s zodat de werkplek veiliger en gezonder wordt. Dit is een belangrijk doel wat de Nederlandse overheid wil bereiken met de V&G-wetgeving. De V&G-wetgeving heeft een aantal uitgangspunten. Deze staan in de volgende alinea.

Uitgangspunten van de V&G-wetgeving
De V&G-wetgeving heeft de volgende uitgangspunten:

  • Werkgevers en werknemers hebben rechten en plichten als het gaat om veiligheid op de werkvloer.
  • Werkgevers moeten er voor zorgen dat de werknemers hun werk kunnen uitvoeren zonder dat hun gezondheid en veiligheid in gevaar komen.
  • Werkgevers moeten een actief Arbobeleid voeren waar ook een Risico Inventarisatie en Evaluatie toe behoort.
  • Risico’s moeten worden voorkomen zowel door werkgevers als werknemers.
  • Werkzaamheden mogen geen nadelige invloed hebben op de veiligheid en gezondheid van werknemers.
  • Deskundige personen en diensten dienen bedrijven te ondersteunen op het gebied van het Arbobeleid.
  • Er dient overleg te zijn tussen leidinggevenden en werknemers met betrekking tot veiligheid. Een goed voorbeeld hiervan zijn de veiligheidsinstructies die leidinggevenden geven aan werknemers. Ook dient er in toolboxmeetings aandacht te worden besteed aan de veiligheid op de werkplek.
  • Wanneer verschillende werkgevers op dezelfde plek werkzaamheden uitvoeren, bijvoorbeeld op een bouwproject, dan zullen werkgevers met elkaar moesten samenwerken. Ook de veiligheid is daarbij een belangrijk onderwerp waaraan aandacht moet worden besteed.
  • Werkgevers dienen er voor te zorgen dat werknemers over voldoende kennis beschikken om hun werk veilig en goed uit te kunnen voeren. Bedrijven zullen werknemers extra opleidingen aan moeten bieden om er voor te zorgen dat de kennis van de werknemers actueel is.

Doelstellingen van V&G-wetgeving

V&G-wetgeving wordt voluit Veiligheids- en Gezondheidswetgeving genoemd. Hieronder valt ook de Arbeidsomstandighedenwet oftewel de Arbowet. De V&G-wetgeving geeft rechten en plichten aan zowel werkgevers en werknemers met betrekking tot veiligheid en gezondheid op de werkplek. Daarbij komen ook de arbeidsomstandigheden aan de orde.

V&G wetgeving is voor alle krachten die in een bedrijf werken
Niet alleen vaste werknemers dienen zich aan de V&G-wetgeving te houden, deze wetgeving is namelijk ook van toepassing op inleenkrachten zoals, uitzendkrachten en detacheringskrachten. Dit houdt in dat een inlenend bedrijf verantwoordelijk is voor de veiligheid van de uitzendkrachten. De uitzendkrachten hebben echter ook dezelfde plichten als de werknemers die op contactbasis bij de werkgever werkzaam zijn.

Verder is deze wetgeving ook van toepassing op vrijwilligers en stagiairs die bij een bepaald bedrijf tijdelijk of voor langere tijd aan het werk zijn. Voor de verduidelijking van de V&G wetgeving is hieronder een kort overzicht weergegeven van de doelstellingen.

Doelstellingen van de V&G-wetgeving
De drie belangrijkste doelstellingen die voortvloeien uit de V&G-wetgeving zijn:

  • Het creëren van de meest gezonde en veilige arbeidsomstandigheden. Dit houdt in de beste arbeidsomstandigheden nastreven die mogelijk zijn.
  • De veiligheid en gezondheid van werknemers verbeteren op de werkplek
  • Het beschermen van de werknemer zodat de risico’s voor werknemer zoveel mogelijk geëlimineerd worden.

Arbobegrippen

In de Arbeidsomstandighedenwetgeving en regelgeving komen verschillende woorden voor die beginnen met Arbo. Het woord Arbo is in feite een afkorting van arbeidsomstandigheden. We noemen hieronder een aantal woorden of begrippen die verband houden met de Arbeidsomstandigheden wet en geven daarnaast een korte uitleg van deze begrippen zodat men globaal weet wat er mee bedoelt wordt.

Arbowet
De Arbowet is een verkorte naam voor de Arbeidsomstandighedenwet. Deze Nederlandse wet biedt de wet- en regelgeving met als doel de veiligheid en gezondheid van werknemers te beschermen. Alle bedrijven die in Nederland zijn gevestigd moeten zich aan de Arbowet houden. Ook buitenlandse bedrijven moeten zich aan de Arbowet houden als deze  werkzaamheden verrichten in Nederland.

Arbobesluit
Het Arbobesluit is gebaseerd op de Arbowet. In totaal omvat het Arbobesluit ongeveer 400 artikelen over verschillende arbeidsomstandigheden. Ongeveer negentig procent van deze artikelen gaan over Europese regelgeving op Arbogebied. De resterende tien procent van de regelgeving gaat over de uitvoering van een nationaal beleid dat gevoerd moet worden per land in de Europese Unie. Dit nationale beleid gaat over specifieke onderwerpen zoals gevaarlijke stoffen en hoe ze moeten omgaan met asbest.

Arboregeling
De Arboregeling bevat voorschriften van gedeelten van de Arbowet en het Arbobesluit. Men kan de Arboregeling beschouwen als een uitwerking van de Arbowet en het Arbobesluit. De Arboregeling heeft ook dezelfde indeling als het Arbobesluit.

Arbo-informatiebladen
De Arbo-informatiebladen geven de werkgever en de werknemer voorlichting en achtergrondinformatie voor de over hoe de wettelijke regelgeving op de werkplek nageleefd moet worden.

Arbobeleid
Dit is een bedrijfsgebonden beleid dat door een bedrijf wordt opgesteld en waarin wordt aangegeven op welke wijze een bedrijf de Arbowetgeving gaat omzetten naar beleidsmaatregelen. Een onderdeel van het Arbobeleid van een organisatie is de Risico Inventarisatie en Evaluatie (RI&E). daarnaast dient ook een plan van aanpak te worden opgesteld waarmee een bedrijf inzichtelijk maakt hoe de aanwezige risico’s effectief zullen worden bestreden zodat een zo veilig mogelijke werkplek ontstaat.

Wat is een persoonlijke monitor en een persoonlijke explosiemeter?

Veiligheid op de werkvloer is het allerbelangrijkste. Werkgevers dienen er alles aan te doen om de werkplek voor werknemers zo veilig mogelijk te maken. Dit zijn werkgevers verplicht volgens de Arbowet. Daarvoor dienen werkgevers echter wel een goed beeld te krijgen van de aanwezig risico’s op de werkplek. Dit doen werkgevers met een Risico Inventarisatie en Evaluatie. Deze RI&E vormt een belangrijk deel van het Arbobeleid. Nadat de risico’s op de werkplek zijn geïnventariseerd in de Risico Inventarisatie en Evaluatie zal een werkgever doormiddel van een plan van aanpak moeten aangeven hoe de risico’s (voor mensen) worden weggenomen of beheersbaar gemaakt. Het nemen van bronmaatregelen is daarbij het beste. Daarbij worden de gevaren geheel weggenomen. Men zorgt er dan bijvoorbeeld voor dat er geen explosieve stoffen aanwezig zijn zodat geen explosieve mengsels kunnen ontstaan.

Beheersmaatregelen
Het is echter niet altijd mogelijk om de bron van het gevaar weg te nemen. In sommige gevallen zullen altijd explosieve stoffen aanwezig zijn omdat men werkt met bijvoorbeeld fossiele brandstoffen. In dat geval zal men beheersmaatregelen moeten treffen. Beheersmaatregelen zijn maatregelen waarmee men het risico kan beheersen en aanvaardbaar kan maken. Beheersmaatregelen nemen echter de bron van het gevaar niet weg maar zorgen er doormiddel van onder andere technische oplossingen voor dat het gevaar onder controle blijft.

Explosiemeter  en persoonlijke monitor
Mensen hebben zintuigen en daarmee kunnen ze veel gevaarlijke situaties waarnemen. Toch zijn de zintuigen van de mens alleen vaak onvoldoende om de veiligheid op de werkplek te verzekeren. Zo kunnen explosieve mengsels ontstaan in de atmosfeer terwijl men deze nauwelijks kan waarnemen door het reukvermogen van een mens. Daarom heeft een mens hulpmiddelen nodig zoals een persoonlijke explosiemeter. Met deze explosiemeter kan men gevaarlijke explosieve mengsels in de atmosfeer rondom de werknemer meten.

Een explosiemeter en een persoonlijke monitor zijn meetinstrumenten die door werknemers op borsthoogte gedragen worden. Tijdens het uitvoeren van werkzaamheden in gevaarlijke explosiegevoelige ruimtes zijn deze meetinstrumenten van levensbelang. Ze geven namelijk een alarm af wanneer er gevaarlijke stoffen in de atmosfeer aanwezig zijn. Er zijn echter verschillende explosiemeters en persoonlijke monitoren verkrijgbaar. Vaak kan men deze op verschillende manieren instellen en de instelling aanpassen aan de werksituatie en de daarin aanwezige gevaarlijke stoffen. Het is belangrijk dat men de juiste meetinstrumenten gebruikt die zijn ingesteld op de werksituatie waarin de werknemer werkzaam is.

De alarmen van explosiemeters zijn meestal akoestisch. Dit houdt in dat er een luid geluid hoorbaar is. Daarnaast wordt ook gebruik gemaakt van lichtsignalen van bijvoorbeeld LED’s. Verder is er ook een trillarlarm zodat de werknemer op alle gebruikelijke manieren kan worden gewaarschuwd wanneer de atmosfeer rondom hem of haar gevaarlijke stoffen bevat.

Belangrijk
Het dragen van een explosiemeter en een persoonlijke monitor is natuurlijk belangrijk als men in een ruimte werkt waarin gevaarlijke stoffen aanwezig (kunnen) zijn. Het is belangrijk dat men weet hoe men deze meetinstrumenten dient te dragen. Deze draagt men altijd bovenop de kleding! Dus nooit onder de kleding omdat het meetinstrument dan minder goed of helemaal niet werkt. Houdt met een explosiemeter ook rekening met de volgende factoren die invloed hebben op de meetwaarden:

  • De windrichting
  • De mogelijke bron van de gasontsnapping
  • De afstand tot de bron
  • De dichtheid van het gas

Net zo belangrijk is dat men weet hoe men dient te handelen als het alarm van deze veiligheidsinstrumenten af gaat. Het werk dient zodra dit alarm afgaat direct te worden stilgelegd en mensen op de werkplek dienen zich in veiligheid te brengen conform de instructies die ze van de werkgever hebben ontvangen. Er dient een melding te worden gedaan bij de leidinggevenden en veiligheidsfunctionarissen die daarvoor zijn aangewezen. Deze dienen direct actie te ondernemen om het gevaar onder controle te krijgen.   

Hoe verspreiden gassen of dampen zich in een ruimte?

Giftige gassen kunnen aanwezig zijn op een werkplek hoewel een werkgever er alles aan moet doen om de aanwezigheid van gif op de werkplek te voorkomen. Werkgevers zijn verplicht om een Arbobeleid te voeren en als onderdeel daarvan een Risico Inventarisatie en Evaluatie op te stellen en te onderhouden. Hierbij dient ook aandacht te worden besteed aan de aanwezigheid van giftige stoffen. Werkgevers moeten de aanwezigheid van giftige stoffen trachten bij de bron te bestrijden alleen is bronbestrijding meestal niet mogelijk. De meest effectieve bronbestrijding is het wegnemen van de giftige stof.

Vaak worden stoffen die giftig zijn voor mensen juist wel gebruikt in de chemische industrie vanwege andere eigenschappen. Daarom kunnen veel giftige stoffen niet eenvoudig worden vervangen. Bedrijven kunnen dan de bron niet bestrijden maar kunnen wel trachten de risico’s te beheersen door beheersmaatregelen te nemen. Daarvoor is kennis nodig. In dit artikel wordt kort aangegeven op welke manier giftige gassen of dampen zich kunnen verspreiden in een ruimte zodat bedrijven daar effectieve beheersmaatregelen voor kunnen treffen.

Verspreiding van giftige stoffen in de atmosfeer van een ruimte
Giftige stoffen of dampen kunnen op de volgende manier door een ruimte worden verspreid:

  • Luchtbewegingen: door de lucht in beweging te brengen kunnen gassen en dampen makkelijk worden vermengd met de rest van de lucht. Hierdoor kunnen ook giftige gassen en dampen makkelijker worden verspreid.
  • Diffusie: gassen zullen na verloop van tijd worden opgedeeld en zich zo verspreiden in een ruimte. Dit komt onder andere door snelheid van de gasdeeltjes maar ook door het gewicht van gassen. Dit zorgt er voor dat zwaardere gassen naar beneden zullen zakken en lichte gassen zullen opstijgen boven de zwaardere gassen.
  • Temperatuur: als gassen worden opgewarmd wordt de dichtheid minder en stijgt het gas op. Bij verbrandingsgassen komt dit proces voor en zal het gas zich door de ruimte verspreiden.

Bronmaatregelen en beheersmaatregelen
Zoals eerder genoemd is het Arbobeleid van een organisatie er op gericht om de veiligheid en gezondheid van werknemers zoveel mogelijk te beschermen. De beste maatregelen zijn het wegnemen van de bron van het gevaar, in dit geval het gif. Als dat niet kan zal men beheersmaatregelen moeten treffen. Men kan bijvoorbeeld de ruimte gaan ventileren men moet trachten een ruimte vrij te maken van gas. Naast ventilatie zal men ook persoonlijke beschermingsmiddelen moeten verstrekken aan werknemers die deze pbm’s naar behoren dienen te gebruiken.

Adembescherming en beschermende kleding behoren tot de beschermingsmaatregelen en zijn beheersmaatregelen. Voorbeelden onafhankelijke adembescherming is een ademluchttoestel en een ademluchtleidingnet. Het is belangrijk dat een werkgever er voor zorgt dat de persoonlijke beschermingsmiddelen geschikt zijn als beschermingsmiddel tegen het specifieke gas. Ook dienen de pbm’s in goede bruikbare staat te verkeren en dient de werkgever de werknemer juist te instrueren. Meestal zijn speciale veiligheidstrainingen vereist als het om het werken met gevaarlijke stoffen gaat.

Giftige gassen: vertrouw niet alleen op reukwaarneming

Sommige mensen denken dat ze giftige stoffen wel kunnen ruiken en daardoor tijdig actie kunnen ondernemen zodra men de stof doormiddel van reuk kan waarnemen. Dit is echter een onterechte aanname. Er zijn verschillende stoffen die men niet doormiddel van reuk kan waarnemen zoals koolzuurgas, koolstofmonoxide en stikstof. Er zijn ook nog andere stoffen die eigenschappen hebben die er voor zorgen dat men niet op reukwaarneming moet vertrouwen.

Pas ruikbaar boven de grenswaarde
Verder is het bekend dat sommige giftige stoffen pas geroken kunnen worden als de aanwezigheid van de stof al ruim boven de grenswaarde is. De grenswaarde werd voorheen ook wel MAC-waarde genoemd (Maximaal Aanvaarde Concentratie) en is de concentratie die een volwassen man kan verdragen van een bepaald gif zonder gezondheidsklachten te krijgen. Als een stof dus ruim boven de grenswaarde komt brengt de stof schade toe aan het lichaam van de mens. Giftige stoffen die pas geroken kunnen worden als de concentratie ruim boven de grenswaarde ligt kunnen zeer gevaarlijk zijn wanneer men alleen op reukwaarneming vertrouwd.

Gevaarlijke stoffen die juist lekker ruiken
Er zijn ook gevaarlijke stoffen die juist een lekkere geur verspreiden. De aangename geur kan er voor zorgen dat mensen denken dat de giftige stof niet gevaarlijk is maar het tegendeel is waar. Aceton, aromaten zoals benzeen en alcoholen kunnen heel lekker ruiken maar kunnen een (groot) gevaar voor de gezondheid veroorzaken bij inademing. Dit is uiteraard afhankelijk van de duur van de blootstelling en de concentratie van de stof.

Stoffen die alleen bij lage concentratie geroken kunnen worden
Er zijn ook stoffen die alleen bij een lage concentratie waarneembaar zijn. De concentratie van een stof wordt aangegeven in parts per million en aangeduid met ppm. Stoffen die al bij een lage ppm gevaarlijk zijn behoren tot de gevaarlijkste stoffen die er bestaan. H2S is zo’n gevaarlijke stof. Deze stof is echter slechts bij 0,1 ppm tot ongeveer 5,0 ppm merkbaar voor de menselijke reukzin. Mensen merken de aanwezigheid van H2S door de geur die lijkt op die van rotte eieren.

Wordt de concentratie hoger dan ruikt met H2S niet meer en is de stof nog gevaarlijker voor de gezondheid. Vanaf 100 ppm worden de klachten ernstig levensbedreigend. Men kan H2S dan al lang niet meer ruiken maar de reactie zijn hevig. Ademhaling gaat moeilijk en men krijgt last van slijmvorming en de ademhalingsorganen gaan irriteren. Als men langdurig met deze concentratie H2S in aanraking komt zal men sterven. Bij een hogere concentratie zal men nog eerder sterven.

Risico Inventarisatie en Evaluatie
Bedrijven zijn volgens de Arbowetgeving verplicht om er alles aan te doen om de werkplek voor werknemers zo veilig mogelijk te maken. Daarom moeten werkgevers een Arbobeleid opstellen en in de praktijk hanteren. Daarbij behoort als verplicht onderdeel de Risico Inventarisatie en Evaluatie die ook wel wordt afgekort met RI&E. Bedrijven moeten onderzoeken welke giftige stoffen aanwezig zijn en moeten de risico’s van deze giftige stoffen beperken. Dit kan door bronbestrijding door bijvoorbeeld het gif te verwijderen van de werkplek. Als bronbestrijding niet mogelijk is zal men beheersmaatregelen moeten nemen waaronder technische maatregelen door gif alleen in gesloten systemen te gebruiken maar ook het verstrekken van persoonlijke beschermingsmiddelen.

Gebruik meetinstrumenten!
de aanwezigheid en de concentratie van een giftige stof kan lang niet altijd bepaald worden door de reukwaarneming van een mens. Daarnaast verschilt het reukvermogen van mensen onderling vaak. Daarom kan men het beste gebruik maken van speciale meetinstrumenten die de aanwezigheid van giftige stoffen kunnen meten in de atmosfeer. De bekende koolstofmonoxidemelder is daarvan een bekend voorbeeld. Ook is er een persoonlijke explosiemeter waarmee gemeten kan worden of er explosieve mengsels in de atmosfeer aanwezig zijn. Dit zijn slechts een paar voorbeelden. Er zijn veel meer meetinstrumenten voor giftige stoffen. Deze meetinstrumenten moeten gekoppeld worden aan een duidelijk alarm. Daarnaast moeten werknemers duidelijke instructies ontvangen over hoe de meters gebruikt moeten worden en wat voor veiligheidsmaatregelen ze moeten treffen als er een alarm afgaat.

Zuurstof op de werkplek

Zuurstof is van levensbelang bij een gebrek aan zuurstof zullen mensen en dus ook werknemers klachten ervaren. Schone buitenlucht die geen verontreinigingen bevat en die niet verdrongen is door andere stoffen bestaat voor ongeveer 79 procent uit stikstof en 21 procent uit zuurstof. Zuurstof wordt aangeduid met het symbool O wat afkomstig is van het Latijnse woord: oxygenium. Zuurstof is in gasvorm smaakloos, geurloos en kleurloos. In vloeibare vorm krijgt vloeistof een lichtblauwe kleur.

Zuurstof in de techniek
Zuurstof is belangrijk voor levende wezens. Daarnaast wordt zuurstof ook gebruikt in de techniek. Zo wordt zuurstof gebruikt bij CO2 lassen oftewel MAG lassen. De afkoring MAG staat voor Metal Active Gas. Met de aanduiding Active Gas wordt duidelijk dat het om een actief gas gaat en zuurstof is een actief gas. CO2 wordt ook wel koolstofdioxide, koolzuurgas of kooldioxide genoemd dit is een anorganische verbinding van koolstof en zuurstof. De brutoformule van koolstofdioxide is  CO2 die men als term weer terugvind in het CO2 lassen.

Naast het MAG lassen worden zuurstof ook in de medische wereld gebruikt. Zo wordt zuurstof gebruikt voor mensen die moeite hebben met ademhalen. Daarnaast wordt zuurstof gebruikt in de luchtvaart en wordt het gebruikt om mensen tijdens het duiken te laten adem halen.

Dizuurstof of moleculaire zuurstof wordt met O2 aangeduid en is de belangrijkste enkelvoudige stof van het element zuurstof. O2 wordt onder andere toegepast in de ruimtevaart. Daarnaast wordt O2 gebruikt als chemische grondstof.

Zuurstofpercentage op de werkplek
Zuurstof wordt zoals je hebt gelezen in verschillende technische sectoren gebruikt voor uiteenlopende doeleinden. Men moet echter niet vergeten dat mensen ook zuurstof nodig hebben, de aanwezigheid van zuurstof is van levensbelang. Toch zullen er weinig bedrijven zijn die actief de aanwezigheid en de hoeveelheid zuurstof op de plek in de gaten houden. Een te hoog zuurstofpercentage kan echter voor de ademhaling geen kwaad. Toch zorgt een te hoog zuurstofpercentage wel voor een groter risico op brand. De aanwezigheid van zuurstof is een belangrijke voorwaarde voor het ontstaan van brand en het in stand houden van vuur. Hoe meer zuurstof in de lucht aanwezig is hoe gevaarlijker het wordt om open vuur of vonken te laten ontstaan.

Te weinig zuurstof heeft direct gevolgen voor de mens. Het zuurstofpercentage moet nooit minder zijn dan 20 procent van het totale luchtmengsel. Uiteraard dienen er geen giftige stoffen in het luchtmengsel aanwezig te zijn. Een gebrek aan zuurstof lijkt echter op de werking van gif. Dit komt omdat men in ademhalingsmoeilijkheden komt. Daardoor krijgen de hersenen in korte tijd een zuurstoftekort. Daardoor raakt men bewusteloos en verkeerd men in levensgevaar. Als er maar weinig zuurstof op de werkplek aanwezig is kan men direct overlijden.

Te weinig zuurstof op de werkplek
Als er weinig zuurstof op de werkplek aanwezig is zal men er voor moeten zorgen dat er zuurstof op de werkplek komt. Dit kan door ventilatie en extra buitenlucht aan te voeren. Ook dient men zuurstofverdringende gassen te verwijderen. Soms is het de bedoeling dat er juist weinig zuurstof op de werkplek aanwezig is. De werknemers en bezoekers moeten dan voor het betreden van de werkplek worden voorzien van extra zuurstof door speciale maskers waarop zuurstofflessen zijn aangesloten. Dit dient zorgvuldig te gebeuren. Werknemers moeten goed op de hoogte zijn hoe ze de adembescherming moeten dragen en onderhouden. In een zuurstofarme omgeving werkt men met onafhankelijke adembescherming. Daarvan zijn drie hoofdvarianten beschikbaar:

  • Een ademluchttoestel werkt met ademlucht die onder hoge druk in flessen is gebracht. De ademlucht in de flessen wordt gedoseerd en afgestemd op de behoefte naar het masker getransporteerd doormiddel van een slang. Het gebruiken van een ademluchttoestel is de veiligste methode voor werken in een zuurstofarme ruimte. Werknemers die met een ademluchttoestel moeten werken zullen daarvoor een training moeten volgen. Zonder training mag men niet met een ademluchttoestel werken en mag men de zuurstofarme ruimte niet betreden.
  • Kringloopademtoestel zijn zuurstofgenererende toestellen en worden in de praktijk toegepast als vluchtmasker.
  • Een ademluchtleidingnet is ook een mogelijkheid. Hierbij wordt schone en gezonde lucht doormiddel van een leidingnetsysteem naar de gebruiker getransporteerd. Men kan lang met dit systeem werken maar is wel afhankelijk van de lengte van de ademluchtleiding. Daardoor kan men vaak niet heel ver lopen omdat de lengte van de ademluchtleiding de actieradius van de werknemer bepaald.