Wat is de werkvloer?

De werkvloer is de vloer van de plek waar werk wordt verricht. Het woord werkvloer is daardoor een breed begrip. In de praktijk maakt men vaak onderscheid tussen het kantoor waar administratief werk wordt verricht en de werkvloer waar daadwerkelijk fysiek werk wordt verricht met bijvoorbeeld machines, gereedschappen en andere werktuigen. Het kantoor zou in deze verdeling functioneren als het management waar het beleid wordt gevormd en de werkvloer als het uitvoerende deel van de organisatie. De werknemers op de werkvloer worden ook wel de arbeiders genoemd of de arbeidersklasse.

Toch is dit onderscheid meestal niet zo duidelijk te maken in de praktijk. Meestal heeft men het op kantoor ook over de werkvloer waar werkzaamheden worden uitgevoerd. Bij grote administratieve dienstverleners en financiële instellingen vormt de werkvloer een groot deel van het primaire bedrijfsproces.

Organisatiestructuur op de werkvloer
Op de werkvloer wordt gewerkt, dit klinkt misschien simpel maar dat is het in de praktijk niet. Tegenwoordig is de werkvloer van een bedrijf vaak groter dan vroeger toen mensen in kleine bedrijven producten gingen maken. Veel bedrijven zijn uitgegroeid tot enorme productiefabrieken met een zeer grote verscheidenheid aan machines en personeel. Dat zorgt er voor dat er een bepaalde vorm van organisatie nodig is. Er moet een organisatiestructuur worden opgebouwd om de processen op de werkvloer in goede banen te leiden.

Deze structuur vind zowel plaats onder de werknemers en leidinggevenden als wel in de inrichting van de werkplek en het plaatsen van de machines en werktuigen. Op de werkvloer werkt het personeel over het algemeen onder een productieleider. Deze wordt meestal ondersteund door een aantal leidinggevenden of werkplaatschefs die verantwoordelijk zijn voor een afdeling oftewel een deel van de werkvloer. Deze werkplaatschefs of voormannen geven op hun beurt ook weer leiding aan werknemers. Het aantal werknemers waar een directe baas aan leiding geeft wordt ook wel span of control genoemd.

Het middenkader of middelmanagement zorgt er voor dat de communicatie tussen de directeur(en) en de productieleider goed verloopt. Hoe groter een organisatie is hoe meer functies en “lagen” er vaak ontstaan tussen de werkvloer en de directie. Het aantal lagen dat tussen de werkvloer en de directeur aanwezig is wordt ook wel depth of control genoemd. Bij hele grote organisaties ontstaan er ook staffuncties zoals P&O (personeel en organisatie). Deze staffunctionarissen ondersteunen de directie en het management bij het uitvoeren van hun taken. Een dergelijke organisatiestructuur wordt ook wel een lijn-staf-organisatie genoemd.

Een organisatie waarin wel verschillende lagen zijn aangebracht maar waar de staffuncties nagenoeg ontbreken noemt men ook wel een lijnorganisatie. Er zijn echter ook zogenaamde platte organisatiestructuren. Dit zijn organisatiestructuren waarbij er heel weinig leidinggevende schakels tussen de werkvloer en de directie zijn aangebracht. In deze platte organisaties heeft de directie vaak nauw contact met de werkvloer en wordt er vaak open en informeel met elkaar gecommuniceerd. Welke structuur precies op de werkvloer wordt gehanteerd is vaak afhankelijk van een aantal factoren:

  • De omvang van het bedrijf.
  • Het product dat wordt gemaakt.
  • De financiële middelen.
  • De complexiteit van de organisatie.
  • Het type bedrijf (familiebedrijf, B.V. enz.).
  • Het gehanteerde organisatiemodel of management principe bijvoorbeeld Lean Management of Lean manufacturing.

Wat is een stagiair of stagiaire?

Een stagiair is een persoon die een stage volgt voor een opleiding. Een stage is een praktijkdeel van een opleiding en wordt meestal bij een externe organisatie uitgevoerd. De stagiair is tijdens een stage geen werknemer van de organisatie waar de stage wordt gehouden. Wel kan een stagiair een vergoeding krijgen voor de werkzaamheden die tijdens de stage worden verricht. Deze vergoeding kan bijvoorbeeld reiskosten zijn maar het is ook mogelijk dat er een bescheiden uurvergoeding wordt betaald. De vrouwelijke vorm van stagiair is stagiaire. In de praktijk gebruikt men de benaming stagiair en stagiaire dikwijls door elkaar heen.

Leerproces centraal
Een stagiair of stagiaire volgt een stage vooral om te leren. Hij of zij leert de theorie van de opleiding toe te passen in de praktijk. Daarvoor is echter wel begeleiding nodig. Deze begeleiding wordt vaak geboden door het bedrijf waar de stage wordt gehouden. De zogenaamde stagebegeleider is over het algemeen iemand met ruime ervaring binnen het bedrijf zodat de stagiair goed van hem of haar kan leren en eventueel vragen kan stellen als dat nodig is.

Stagebegeleider
Meestal krijgt een stagiair ook vanuit de opleiding een begeleider toegewezen. Dit is over het algemeen een docent. De docent ondersteund de stagiair vooral op theoretisch gebied en hoort de voortgang in de gaten met betrekking tot de opdrachten die de stagiair voor de opleiding moet afronden. Op stages worden vooral praktijkopdrachten gedaan. Dit zijn doe-opdrachten waarbij een stagiair daadwerkelijk taken moet uitvoeren in de praktijk. Deze taken moeten passen bij de opleiding en het opleidingsniveau van de stagiair.

Beroepspraktijkvorming
Van de (praktijk)opdrachten worden reflectieverslagen gemaakt zodat de stagiair leert te evalueren wat hij of zij heeft gedaan ter voorbereiding en tijdens het daadwerkelijk uitvoeren van de taak. De stagiair brengt in kaart wat goed is gegaan en wat in de toekomst beter gedaan kan worden. Zo leert de stagiair om zijn of haar eigen beroepshouding te ontwikkelen. Een stage wordt door sommige opleidingsinstituten ook wel beroepspraktijkvorming genoemd. Omdat men van dat woord moeilijk een benaming van een persoon kan maken ( het is vrij lastig om beroepspraktijkvormingskandidaat te zeggen) gebruikt men in de praktijk vaak nog het woord stagiair of stagiaire.

Duurzaamheid op de werkvloer

Duurzaamheid op de werkvloer is naar mijn mening niet samen te vatten in één daad maar meer in een pakket van daden en activiteiten die verspilling tegen gaan. Het is hierbij van belang om na te gaan welke activiteiten op de werkvloer plaatsvinden en in welke mate deze nut hebben. De verspilling op kantoor kan zich richten op een tweetal hoofdgebieden: verspilling van grondstoffen en de verspilling van energie. Deze verschillende gebieden kunnen verder worden uitgewerkt.

Verspilling van grondstoffen
Wanneer we naar de grondstoffen kijken bij kantoorwerkzaamheden zijn er slechts een paar facetten waarop bezuinigd kan worden. Veel kantoorwerk draait naast een computersysteem nog om papier. Een vergroting van digitale opslagcapaciteit kan het papierwerk verminderen. Daarnaast kan een standaard programmering van de printer op dubbelzijdig papier worden gezet. Veel papierwerk wordt op kantoor nog op enkelzijdig gezet. Dubbelzijdig afdrukken kan het gebruik van papier halveren. Ook personeelsdossiers, inschrijfkaarten en andere personeelsgegeven  zouden volledig digitaal kunnen worden gemaakt al maakt dat een bedrijf wel afhankelijk van een computersysteem.

Verder zijn er op kantoor weinig grondstoffen waarop bespaard kan worden. Materialen en machines zouden misschien beperkt kunnen worden ingezet of van duurzame recyclebare grondstoffen worden gemaakt. Als telefoons, computers en andere materialen op kantoor niet meer aan de eisen voldoen kunnen deze misschien worden ingeleverd bij een instantie die deze materialen kan hergebruiken. Oude kantoormaterialen worden nog regelmatig gewoon weggegooid. Dit is jammer want andere bedrijven kunnen er misschien nog mee werken. Ook 2de en 3de wereldlanden kunnen vaak nog gebruik maken van oude materialen en gereedschappen van het Nederlandse bedrijfsleven.

Daarbij kan op kantoor meer aandacht worden besteed aan afvalscheiding. Veel kantoorpersoneel is nauwelijks bezig met afvalscheiding. Papierafval en plastic wordt vaak achteloos in dezelfde container gegooid. Het belang van afvalscheiding wordt bij veel bedrijven nog nauwelijks onder de aandacht gebracht.

Verspilling van energie
Verspilling van energie op kantoor richt zich op twee hoofdgroepen: de verspilling van gas en de verspilling van elektriciteit. Wanneer we ons richten op gas kun je de vraag stellen of het kantoor wel altijd verwarmd moet zijn. Wordt elke ruimte wel gebruikt en  moet elke ruimte wel worden verwarmd? Hoe zit het met de isolatie van een kantoorpand? Klimaatbeheersingssystemen waarbij deuren en ramen zoveel mogelijk gesloten blijven zijn nuttige energiebesparende systemen wanneer deze goed zijn ingeregeld.

Op elektrisch gebied zijn ook veel besparingsmaatregelen door te voeren. Dit is echter sterk gekoppeld aan de betrokkenheid van de personeelsleden zelf. Waarom een computer in stand-by laten staan als je voor langere tijd het kantoor verlaat? Moet elke ruimte wel verlicht worden wanneer je slechts een beperkt aantal ruimtes gebruikt? Gebruik maken van spaarlampen en led verlichting is natuurlijk vanzelfsprekend en belangrijke bezuinigingsmaatregel. Daarnaast is het verstandig om na te gaan of de printers en kopieerapparaten wel zuinig in gebruik zijn. Zijn er niet zuiniger, milieuvriendelijker varianten op de markt die dezelfde kwaliteit leveren. Dit geld ook voor koffieautomaten die dag en nacht aan staan en water koken om voldoende warm water beschikbaar te hebben voor thee. Dit voortdurend water koken zorgt er voor dat er ook s ’nachts veel energie wordt verbruikt. Op veel kantoren wordt gebruik gemaakt van afwasmachines deze verbruiken ook veel energie. Alleen laten draaien wanneer deze machines voldoende gevuld zijn.

Conclusie
Duurzaamheid kan door een bedrijf worden aangemoedigd maar echte duurzaamheid moet door de gebruiker worden gerealiseerd. Het is een bewuste manier van leven. Dit moet bij veel mensen aangeleerd worden. Een bedrijf zou overzichten kunnen publiceren van het energieverbruik dat een vestiging per vierkante meter vloeroppervlak heeft om zo inzichtelijk te maken wie het meeste energie verbruikt. Daar zou een duurzaamheidsprijs aan kunnen worden verbonden.