Wat is het vlampunt van een stof?

Het vlampunt is de laagste temperatuur waarbij een bepaalde stof tot ontbranding kan komen als deze stof in contact is geweest met een ontstekingsbron. Er zijn verschillende ontstekingsbronnen. Zo kan een vlam van een lucifer een ontstekingsbron zijn maar ook een vonk of elektrische boog die ontstaat bij kortsluiting. Een ontsteking kan bewust tot stand worden gebracht door een mens bijvoorbeeld door het gebruik van een aansteker. Daarnaast kan een ontsteking ook onbewust tot stand worden gebracht door bijvoorbeeld de eerder genoemde kortsluiting of door kleine vonkjes die ontstaan bij statisch geladen objecten die tegen elkaar aanwrijven en zo statische elektriciteit veroorzaken. De ontsteking zorgt er voor dat een stof in brand wordt gestoken. Er is echter meer nodig dan alleen een brandbare stof en een ontsteking. Dit lees je in de volgende alinea waar de branddriehoek aan de orde komt.

Branddriehoek
Een branddriehoek is een visualisatie van de aspecten die nodig zijn om een brand te krijgen en in stand te houden. Een branddriehoek bestaat uit drie elementen of onderdelen:

  • Brandbare stof. Dit kan een vaste stof zijn, een gasvormige stof, metaal of vet-zoals frituurvet. Elke brandbare stof heeft een bepaald vlampunt. Het vlampunt van stoffen verschilt onderling.
  • Warmte waarmee een stof kan worden ontstoken. Deze warmte moet in ieder geval net zo hoog zijn als het vlampunt van de stof om deze stof in brand te kunnen laten vliegen.
  • Zuurstof is een belangrijke voorwaarde voor een brand. Bij een gebrek aan zuurstof of het ontbreken van zuurstof is een brand niet mogelijk. Tijdens een brand wordt ook zuurstof verband. Als een brand in een besloten ruimte, slecht geventileerde ontstaat zal deze brand het zuurstofpercentage omlaag brengen en daarnaast voor rookontwikkeling zorgen. Dit is een levensgevaarlijke situatie.

Vlampunt van stoffen in klassen ingedeeld
Stoffen kunnen worden ingedeeld in verschillende klassen als het gaat om het vlampunt. De volgende groepen zijn mogelijk:

  • K0: Dit zijn zeer licht ontvlambare stoffen. Het vlampunt van deze stoffen is lager dan 0 graden Celsius en kookpunt is lager dan 35 graden Celsius.
  • K1: Dit zijn licht ontvlambare stoffen. Deze stoffen hebben een vlampunt tussen 0 graden Celsius en 21 graden Celsius.
  • K2: Dit zijn ontvlambare stoffen. Het vlampunt van deze stoffen licht tussen de 21 graden Celsius en 55 graden Celsius.
  • K3: dit zijn brandbare stoffen. Deze stoffen hebben een vlampunt dat hoger licht dan 55 graden Celsius.

Hoe lager het vlampunt van een stof is hoe groter het brandgevaar van deze stof is. Als verschillende stoffen met elkaar vermengd zijn in bijvoorbeeld de atmosfeer dan moet men in het kader van het brandgevaar rekening houden met de stof die het laagste vlampunt heeft.

Wat is de ATEX 153 richtlijn (voorheen ATEX 137)?

Vanuit de ATEX 137 waren bedrijven als verplicht om een ExplosieVeiligheidsDocument (EVD) op te stellen. Deze verplichting blijft gehandhaafd in de ATEX 153 richtlijn. De benaming ATEX 137 was een andere naam die gehanteerd werd de richtlijn 1999/92/EG. Deze naam is nu veranderd in de ATEX 153. Het getal 153 is ontleend aan de hoofdstukken uit het Europese Verdrag van Lissabon.

Doel en toepassing van de ATEX 153 richtlijn
Het doel van de ATEX 153 richtlijn is het maken van een veilige werkomgeving door het voorkomen van risico’s in explosieve atmosferen. De ATEX 153 richtlijn gaat over het voorkomen van de ontwikkeling van een explosieve atmosfeer. Omdat een explosie plaatsvindt op basis van een ontsteking is de ATEX 153 richtlijn ook gericht op het vermijden van ontsteking en ontstekingsbronnen. Ook is de richtlijn gefocust op de beperking van de schadelijke effecten van een explosie en de toepassing van apparatuur op explosiegevaarlijke werkplekken. De ATEX richtlijnen zijn van toepassing op alle bedrijven waarin gewerkt wordt met ontvlambare gassen en vloeistoffen of met fijn stof omdat in deze bedrijven een gevaarlijke explosieve atmosfeer ontstaan.

ExplosieVeiligheidsDocument (EVD)
Zoals in de inleiding is genoemd vormt de verplichting van het ExplosieVeiligheidsDocument (EVD) een belangrijk onderdeel van de ATEX 137. Dit ExplosieVeiligheidsDocument moet een aantal verplichte onderdelen bevatten. Deze verplichte onderdelen zijn:

  • Er moet een indeling zijn van gevarenzones, deze moet actueel zijn. Dit houdt in dat deze indeling niet ouder mag zijn dan vijf jaar.
  • De stofeigenschappen moeten vastliggen.
  • Ook de totstandkoming van de zones voor stof- en/of damp- en gasexplosiegevaar moeten zijn vastgelegd.
  • De (mogelijke) ontstekingsbronnen en de beoordeling van de risico’s daarvan moeten zijn vastgelegd.
  • Er moet inzichtelijk zing gemaakt hoe de risicobeoordeling van de ontstekingsbronnen heeft plaatsgevonden.
  • De getroffen maatregelen moeten daadwerkelijk worden uitgevoerd en geborgd. Deze borging moet inzichtelijk zijn.

Wat is de ATEX 114 richtlijn (voorheen ATEX 95)?

Apparatuur die bestemd is voor een toepassing in een explosiegevaarlijke omgeving en na 20 april 2016 op de markt is gebracht zal moeten voldoen aan de ATEX 114 richtlijn (2014/34/EU). De letters ATEX zijn een afkorting en staan voor de Franse benaming “ATmosphère EXplosible. In de ATEX 114 zijn richtlijnen beschreven die bedrijven moeten opvolgen om aan de essentiële gezondheidseisen en veiligheidseisen (EHSR’s) te voldoen. Dit zijn specifieke richtlijnen voor zowel elektrische apparaten als niet-elektrische apparaten die worden gebruikt op locatie waar stof- of gasexplosiegevaar kan optreden. In het Besluit Explosiegevaarlijk materiaal is de ATEX 114 opgenomen.

Doel en toepassing van de ATEX 114 richtlijn
De ATEX 114 biedt transparantie en zorgt er voor dat een vrij verkeer van explosieveilige producten tussen Europese lidstaten eerlijk verloopt. Bedrijven die in Europa producten, apparaten en  beveiligingssystemen aanschaffen die onder de ATEX 114 richtlijn vallen kunnen er vanuit gaan dat deze producten aan de essentiële veiligheids- en gezondheidseisen voldoen.

ATEX richtlijnen zijn dus van toepassing op alle bedrijven waar gewerkt wordt met ontvlambare gassen, ontvlambare vloeistoffen of met fijn stof. In deze bedrijven kan een explosief mengsel en  gevaarlijke explosieve atmosfeer ontstaan en daarom moet men de speciale richtlijnen van de ATEX 114 opvolgen. Deze richtlijnen zijn overigens niet alleen van toepassing op grote industriële  bedrijven maar ook op andere bedrijven waar brandbare stoffen worden opgeslagen of verwerkt. Samengevat is de ATEX 114 richtlijn van toepassing op: 

  • Fabrikanten van materiaal dat gebruikt wordt in een explosiegevaarlijke omgeving.
  • Het distribueren en importeren van apparatuur die moet worden gebruikt op explosiegevaarlijke plaatsen.
  • Het gebruiken en in gebruik nemen van Elektrische  en niet-elektrisch materialen en apparatuur in een explosiegevoelige omgeving.

Wat doe je bij brand?

Brand is een ongewild vuur en zorgt meestal voor risico’s voor zowel mensen, dieren, gebouwen en het milieu. Het is belangrijk dat men weet hoe men moet handelen bij brand omdat de gevolgen van een brand voor een groot deel te maken hebben met hoe men op een brand reageert. Een aantal aspecten zijn van belang. Iemand die een brand opmerkt moet:

  • Zorgdragen voor zijn of haar eigen veiligheid.
  • De brand melden en alarm slaan.
  • Mensen in de omgeving waarschuwen.
  • Indien mogelijk ramen en deuren sluiten.
  • Zichzelf en anderen in veiligheid brengen.
  • De brand blussen als dat mogelijk is.

Richtlijnen voor het blussen van een brand?
De volgende richtlijnen zijn van belang als men een brand gaat blussen.

  • Zorg voor je eigen veiligheid en de veiligheid van andere mensen.
  • Kies het juiste blusmiddel voor het type brand (A,B,C,D of F brand).
  • Richt blusmiddelen op het brandende voorwerp en niet op de vlammen.
  • Blijf alert, als het vuur gedoofd lijkt kan het weer oplaaien.
  • Als de brand niet onder controle gekregen kan worden zal men zichzelf in veiligheid moeten brengen.

Hoe vlucht je veilig weg voor een brand?
Vluchten klinkt makkelijk maar dat is het in feite niet. Ook voor het vluchten dient men een aantal veiligheidsinstructies op te volgen om de kans op overleven te vergroten:

  • Gebruik de aanwijzingen op borden (nooduitgang, vluchtroute en verzamelplaats). Volg ook de mondelinge instructies van hulpdiensten.
  • Gebruik de trap en nooit de lift. Een lift kan vastlopen.
  • Bij brand vlucht je het veiligste dwars in de windrichting.
  • Ga naar de verzamelplaats en meld je daar bij de verantwoordelijke (leidinggevende)

Stappenplan evacuatie

Wanneer er sprake is van een noodsituatie en er een evacuatiesignaal wordt gegeven moeten de volgende stappen worden ondernomen: 

1. Stop direct met werken.

2. Volg de instructies van de opdrachtgever of leidinggevende op.

3. Ga naar een veilige verzamelplaats, deze is benoemd in het evacuatieplan.

4 Gebruik een veilig trappenhuis en geen lift, een lift kan vastlopen.

5. Evacueer indien mogelijk dwars op de windrichting en weg van de bron van het gevaar.

6. Meld je aan bij aankomst op de verzamelplaats.

Bedrijven kunnen in een bedrijfsnoodplan specifieke richtlijnen hebben opgenomen over wat werknemers en andere aanwezigen op de werkplek of binnen een bedrijf moeten doen in geval van nood. Leidinggevenden dienen de inhoud van het bedrijfsnoodplan te kennen en ook operationele en tijdelijk werknemers moeten een bedrijfsnoodplan ontvang als ze het werkterrein betreden. Dit zijn meestal hele korte maar duidelijke en volledige instructies die voorzien zijn van symbolen.

Evacuatieplan bekend maken aan uitzendkrachten
Ook uitzendkrachten dienen op de hoogte te zijn van het evacuatieplan van de opdrachtgever die hen heeft ingeleend om uitzendwerkzaamheden te verrichten. De uitzendkracht moet net als het overige personeel weten welke waarschuwingsmiddelen er zijn en welke vluchtwegen kunnen worden gebruikt. Ook de verschillende soorten alarmen dienen bij de uitzendkracht bekend te zijn evenals de algemene richtlijnen die een uitzendkracht moet opvolgen in geval van noodsituaties. Mocht er een noodoefening zijn of brandoefening dan moet een uitzendkracht daarvan ook op de hoogte worden gebracht.

Taken voor directie en leidinggevenden op basis van Arbobeleid

Bedrijven zijn in Nederland verplicht om er voor te zorgen dat hun werknemers veilig hun werkzaamheden kunnen uitvoeren. Dit houdt in dat een werkplek zo veilig mogelijk moet zijn. Risico’s op de werkplek dienen duidelijk in kaart te worden gebracht in een Risico Inventarisatie en Evaluatie (RI&E). Doormiddel van een plan van aanpak moeten bedrijven de risico’s op de werkplek verkleinen en beheersbaar maken. Het opstellen en onderhouden van een Risico Inventarisatie en Evaluatie is slechts één onderdeel dat tot het Arbobeleid van een bedrijf dient te behoren. Ook de volgende onderdelen dienen in een Arbobeleid te worden opgenomen:

  • Risico-inventarisatie en -evaluatie (RI&E).
  • Ziekteverzuimbeleid.
  • Bedrijfshulpverlening (BHV).
  • Preventiemedewerker.
  • Periodiek arbeidsgezondheidskundig Onderzoek (PAGO).

De Arbowetgeving schept verplichtingen voor zowel de directie van het bedrijf (het management) als de direct leidinggevenden. In de onderstaande alinea’s zijn de verplichtingen op basis van het Arbobeleid voor beide groepen verder omschreven.

Verplichtingen voor directie/ management
Het management of de directie is de top van de organisatie. In verschillende modellen wordt het management als belangrijkste factor beschouwd met betrekking tot het bevorderen en handhaven van een goed veiligheidsbeleid in een organisatie. Een voorbeeld van een model waarbij men het een management een cruciale positie geeft op dit gebied is het ongevalsmodel dat in een ander artikel op technischwerken.nl is beschreven. Omdat het management zo’n belangrijke positie inneemt is het belangrijk om een aantal punten te benoemen waar het management voor verantwoordelijk is als het gaat om het Arbobeleid. De volgende punten behoren tot de rol van het management:

  • Er voor zorgen dat het Arbeidsomstandighedenbeleid (Arbobeleid) goed wordt georganiseerd zodat iedereen weet wat er van hem of haar wordt verwacht wordt.
  • Er voor zorgen dat binnen het bedrijf een duidelijke overlegstructuur aanwezig is met betrekking tot de arbeidsomstandigheden. Overleg dient met regelmaat plaats te vinden en er dient een duidelijke verslaglegging te worden gehanteerd.
  • Er dient door het management een actieplan te worden opgesteld waarmee de arbeidsomstandigheden worden verbetert.
  • Het management dient een meerjarenbeleidsplan op te stellen voor de arbeidsomstandigheden.
  • Ook dient het management er voor te zorgen dat iedereen met betrekking tot veiligheid op de werkvloer weet wat er verwacht wordt van hem of haar. Taken dienen duidelijk te worden omschreven en gedelegeerd. Dit moet gebeuren op basis van medewerkers maar ook op basis van afdelingen.

Verplichtingen voor direct leidinggevenden
Het management staat vaak verder bij de werkvloer vandaan dan de direct leidinggevenden. Alleen blij kleine bedrijven zijn de communicatielijnen meestal zo kort dat de directie ook direct leiding geeft. Vooral bij grotere organisaties is er vaak een grote afstand tussen het management en de werkvloer. Om die reden liggen er belangrijke taken weggelegd voor de direct leidinggevenden als het gaat om het effectief hanteren van een Arbobeleid. Voor direct leidinggevenden zijn er de volgende taken:

  • Direct leidinggevenden moeten er op toezien dat het Arbobeleid op de werkvloer wordt nageleefd. Daarvoor dienen de direct leidinggevenden goed toezicht te houden op het personeel. Daarnaast dienen personeelsleden te worden aangesproken wanneer zij zich niet houden aan de veiligheidsvoorschriften.
  • Er dienen controles en inspecties op de werkplek te worden uitgevoerd. Deze inspecties dienen periodiek te worden uitgevoerd. Daarnaast dient van deze werkplekinspecties ook een duidelijke verslaglegging te worden opgesteld.
  • Als er misstanden, problemen, incidenten of bijna ongevallen worden geconstateerd dienen die aan de juiste personen en afdelingen te worden doorgegeven.
  • De ongevallen en bijna ongevallen dienen op een systematische wijze te worden gerapporteerd.
  • Naast het constateren van mistanden en onveilig situaties dienen deze ook op een planmatige wijze te worden aangepakt. Daarbij dienen door de direct leidinggevende in overleg met verschillende betrokken ook een duidelijke prioriteiten te worden aangebracht in het beleid zodat de ernstige situaties het eerste worden aangepakt en verholpen.
  • Ook in de preventie op het gebied van ongevallen ligt er voor direct leidinggevenden een belangrijke taak. Zo moeten direct leidinggevenden instructies geven aan de werknemers. In deze instructies moeten de (veiligheids-) risico’s met betrekking tot de werkplek en werkzaamheden ook worden benoemd.
  • Ook dient de direct leidinggevende er voor te zorgen dat de werknemers de benodigde persoonlijke beschermingsmiddelen ontvangen.
  • Tijdens het werkoverleg of afdelingsoverleg zal de direct leidinggevende ook eventuele problemen moeten bespreken met betrekking tot het Arbobeleid.
  • Met regelmaat dient er een resultatenevaluatie plaats te vinden met betrekking tot onveilige situaties die geconstateerd zijn op de werkvloer. Ook onveilige handelingen dienen hierbij te worden besproken.

Verantwoordelijkheden voor uitvoerende werknemers
Uiteraard dienen werknemers op de werkvloer ook mee te werken om het Arbobeleid van een organisatie tot een succes te maken. Werknemers dienen er alles aan te doen om hun werk zo veilig mogelijk uit te voeren waarbij ze geen risico’s veroorzaken voor zichzelf en voor anderen. Daarbij dienen werknemers de voorgeschreven persoonlijke beschermingsmiddelen te gebruiken en andere collega’s ook op het gebruik daarvan te wijzen. Werknemers dienen bovendien onveilige situaties, ongevallen en bijna ongevallen zo snel mogelijk te rapporteren bij direct leidinggevenden. Werknemers dienen ook actief deel te nemen aan overleg met betrekking tot veiligheid bijvoorbeeld tijdens een toolboxmeeting.

Wat is een Arbeidsomstandighedenbeleid of Arbobeleid?

Arbobeleid vloeit voort uit de Arbeidsomstandighedenwet en is een door een bedrijf opgesteld om de arbeidsomstandigheden en werkplek op een beleidsmatige manier zo veilig mogelijk te maken en de kans op schade of hinder voor mens en milieu zo klein mogelijk te maken en te houden. Deze definitie van Arbobeleid is geformuleerd door Pieter Geertsma van technischwerken.nl. Arbobeleid is in feite een verkorting van Arbeidsomstandighedenbeleid, net als de Arbowet een verkorting is van de Arbeidsomstandighedenwet. Werkgevers zijn in Nederland verplicht om werknemers te laten werken in een veilige en gezonde werkomgeving. In Nederland heeft de overheid in de Arbowet regels vastgelegd voor bedrijven. Ook het Arbobesluit en de Arboregeling bieden kaders voor bedrijven met betrekking tot het zo veilig mogelijk maken van de werkvloer.

Arbobeleid is verplicht
Een bedrijf dient volgens de wet een Arbobeleid te voeren. Een Arbobeleid dient door de werkgever op gesteld te worden in samenwerking met vertegenwoordigers van de werknemers, dit zijn bijvoorbeeld de vakbonden of een ondernemingsraad.

Wat zijn de onderdelen van een Arbobeleid?
Een Arbobeleid dient volgens de Arbowetgeving uit een aantal onderdelen te bestaan. De volgende onderwerpen moeten in het Arbobeleid van een bedrijf zijn omschreven:

  • Risico-inventarisatie en -evaluatie (RI&E). Werkgevers zijn verplicht om de risico’s op de werkvloer in kaar te brengen in een risico-inventarisatie en -evaluatie (RI&E). Naast het in kaart brengen van deze risico’s dienen bedrijven ook doormiddel van een plan van aanpak aan te geven hoe deze risico’s kunnen worden beperkt of beheerst.
  • Ziekteverzuimbeleid. Werkgevers zijn verplicht om zich te laten bijstaan door een bedrijfsarts. Deze onafhankelijke deskundige arts is voor de begeleiding van zieke werknemers. Een werkgever kan hiervoor een contract sluiten met een arbodienst. Daarnaast zijn maatwerkregelingen ook mogelijk maar daarvoor heeft de werkgever wel instemming nodig van de personeelsvertegenwoordiging zoals de ondernemingsraad (OR)
  • Bedrijfshulpverlening (BHV). Omdat ongevallen lang niet altijd uitgesloten kunnen worden moeten er binnen het bedrijf voldoende hulpverleners aanwezig zijn. Dit zijn reguliere werknemers die zich doormiddel van een opleiding ook hebben geschoold tot bedrijfshulpverlener. Deze bedrijfshulpverleners die ook wel BHV-ers worden genoemd zullen in de meeste gevallen de eerste hulp moeten leveren bij ongevallen en calamiteiten. Werkgevers zijn verplicht om er voor te zorgen dat er voldoende bedrijfshulpverleners aanwezig zijn op de werkvloer.
  • Preventiemedewerker. Ongevallen voorkomen is beter dan op ongevallen reageren, daarom is er ook volgens de wet veel aandacht nodig op het gebied van ongevallenpreventie. Een bedrijf dient een preventiemedewerker in dienst te hebben. Deze preventiemedewerker is onder andere betrokken bij de eerder genoemde Risico-inventarisatie en –evaluatie. Verder geeft de preventiemedewerker ook adviezen over een goed arbobeleid aan de personeelsvertegenwoordiging of de ondernemingsraad. Binnen een bedrijf moet in ieder geval 1 preventiemedewerker werkzaam zijn. Als een bedrijf bestaat uit 25 werknemers of minder mag de werkgever echter ook zelf de preventiemedewerker zijn.
  • Periodiek arbeidsgezondheidskundig Onderzoek (PAGO). Werkgevers moeten aan werknemers de mogelijkheid bieden om aan een periodiek arbeidsgezondheidskundig Onderzoek deel te nemen. Dit wordt ook wel afgekort met PAGO. Deelname aan een dergelijk onderzoek is voor werknemers niet verplicht. Tijdens een PAGO wordt door een bedrijfsarts onderzocht of een werknemer gezondheidsproblemen heeft gekregen door het uitvoeren van (bepaalde) werkzaamheden binnen het bedrijf.

Een Arbobeleid dient uiteraard met zorg te worden opgesteld. Bedrijven dienen een dergelijk beleid niet op te stellen om uitsluitend aan de wettelijke verplichtingen te voldoen. In plaats daarvan dient een bedrijf een Arbobeleid ook op te stellen op basis van verantwoordelijkheid naar het personeel toe. Bedrijven dienen betrokken te zijn bij hun personeel en hun verantwoordelijkheid te nemen betrekking tot de veiligheid en gezondheid van personeel op de werkvloer. Een goed Arbobeleid is bovendien over het algemeen ook goed voor de werkgever zelf, hoe dat zit lees je in de volgende alinea.

Effecten van een goed Arbobeleid
Een goed Arbobeleid zorgt er voor dat de arbeidsomstandigheden op het gebied van veiligheid en gezondheid worden geoptimaliseerd zodat er minder onveilige situaties ontstaan en er minder ongevallen gebeuren. Kortom de gezondheidsrisico’s worden door een goed Arbobeleid beperkt. Dit heeft tevens tot gevolg dat het ziekte verzuim wordt gereduceerd en daarnaast zorgt een goed Arbobeleid er in de praktijk ook vaak voor dat een zieke werknemer beter kan re-integreren na een verzuimperiode.

Bovendien zullen werknemers zich beter gewaardeerd voelen wanneer ze merken dat een werkgever geeft om hun gezondheid en veiligheid. Werknemers merken dat een bedrijf betrokken is bij de werkvloer. Dit zorgt er in de praktijk ook vaak voor dat werknemers zich betrokken voelen bij het bedrijf. Ze stellen zich loyaal op en nemen hun verantwoordelijkheden. Dat is bijvoorbeeld ook van belang bij het melden van onveilige situaties door personeel bij leidinggevenden.

Wanneer het personeel merkt dat er ook naar hen geluisterd wordt zorgt dat voor een positieve kettingreactie die er uit eindelijk toe leidt dat het bedrijf als werkgever beter bekend komt te staan. Maatschappelijk verantwoord ondernemen wordt steeds belangrijker nu de concurrentie wereldwijd is toegenomen. Een bedrijf dat verantwoord met personeel omgaat en haar verantwoordelijkheden neemt kan naast veel gemotiveerde sollicitanten in de praktijk ook veel orders van klanten verwachten.

Wat is een cursus en wat zijn de kenmerken van cursussen?

Cursussen worden in Nederland door verschillende instituten aangeboden. Met een cursus wordt over het algemeen een korte leerperiode of lesperiode bedoelt waarin een bepaald lesonderwerp wordt behandelt. Een cursus kan worden afgesloten met een toets, test of examen. Op basis hiervan wordt meestal een certificaat verstrekt. De waarde van het certificaat is verschillend en is afhankelijk van het niveau van de cursus, het instituut waar de cursus wordt gegeven en andere aspecten. Een cursus die wordt gegeven voor een lange duur wordt ook wel een leergang genoemd.

Cursist
Iemand die een cursus volgt wordt een cursist genoemd. Soms wordt de naam cursist ook wel gebruikt voor deelnemers aan volwassenenonderwijs. Dit is echter onjuist omdat mensen die een mbo-opleiding in volwassenenonderwijs deelnemers worden genoemd. Cursisten kunnen in verschillende leeftijdscategorieën vallen. Dit is onder andere afhankelijk van het niveau van de cursus

Niveau
Het niveau van een cursus kan verschillen. Er zijn cursussen op lbo, mbo en hbo niveau. Daarnaast zijn er ook nog cursussen op universitair of master-niveau. Het niveau van de cursus wordt meestal door de opleidingsinstelling bekend gemaakt bij de cursusomschrijving. Bij de cursusomschrijving wordt vaak ook duidelijk welke opleidingsrichting of vooropleiding een cursist nodig heeft.

Vooropleiding
Voor sommige cursussen is een bepaalde vooropleiding gewenst of zelfs noodzakelijk. Dit heeft niet alleen te maken met het niveau van de cursus. Een vooropleiding kan ook worden gewenst omdat de cursus in een bepaalde vakrichting wordt gehouden. Iemand dient daarvoor over een relevant kennisniveau over een bepaalde richting te beschikken. Iemand die bijvoorbeeld een technische cursus wil volgen op het gebied van elektrotechniek moet daarvoor meestal aantoonbaar over elektrotechnische kennis beschikken. Dit kan bijvoorbeeld worden aangetoond met een diploma van een opleiding elektrotechniek.

Cursuslocatie
Een cursus kan op verschillende locaties worden gehouden. Er zijn cursussen die thuis gevolgd kunnen worden via een computer in een digitale leeromgeving. Daarnaast zijn er cursussen die worden gehouden op opleidingsinstituten. Soms kiezen bedrijven er voor om cursussen te houden binnen het bedrijf. Deze keuze kan een bedrijf maken op basis van kostenbesparing en uit logistieke overwegingen. De werknemers die de cursus moeten volgen hoeven dan niet elders de cursus te volgen. Dit spaart reiskosten en daarnaast hoeft de opleidingsinstelling niet te worden betaald voor het gebruik van hun ruimte.

Bij een technische cursus of een veiligheidscursus is het soms ook uit praktische overwegingen verstandig om een cursus binnen het bedrijf te volgen. Dan kan namelijk gebruik worden gemaakt van de gereedschappen en apparatuur van het bedrijf. In dat geval gaat een opleider of trainer naar het bedrijf toe en maakt hij of zij gebruik van de middelen van het bedrijf.

Praktijk
In sommige gevallen moet ook in de praktijk geoefend worden. Hiervoor worden dan praktijklessen gegeven aan de cursist. Deze praktijklessen worden in een praktijkruimte gegeven op de werkplek of in een praktijkruimte van een opleidingsinstituut. In de praktijkruimte worden werkzaamheden en vaardigheden aangeleerd en praktijksituaties nagebootst. Voorbeelden van praktijklessen en praktijkcursussen zijn lassen, EHBO, veilig hijsen en veilig werken met een vorkheftruck.