Wat is niet-ioniserende straling?

Niet-ioniserende straling is een verzamelnaam voor straling die bestaat uit elektromagnetische golven. Deze EM golven bevatten een energie die te laag is om te ioniseren. In tegenstelling tot ioniserende staling heeft niet-ioniserende straling onvoldoende energie om een elektron uit een atoom te verwijderen. In deze tekst worden kort een aantal verschillende soorten niet-ioniserende straling benoemd en wordt daarnaast een korte beschrijving gegeven van de schadelijke effecten van deze straling.

Soorten niet-ioniserende straling
Er zijn verschillende soorten straling die niet ioniserend zijn. Een voorbeeld hiervan is ultraviolette (Uv) straling. Uv-licht is elektromagnetische straling die onder andere vrijkomt tijdens het elektrisch booglassen en uit verschillende kunstmatige verlichtingsbronnen zoals halogeenlampen, gasontladingslampen maar ook de natuurlijke verlichtingsbron: de zon.

Daarnaast vallen ook EM-velden onder de niet-ioniserende straling. Deze EM-velden worden veroorzaakt door mobiele telefoons, elektrische apparaten, hoogspanningslijnen, WiFi en straling vanuit zendmasten van radio en televisie. EM-velden worden onderverdeeld in extreem-laagfrequente (ELF) velden en radiofrequente (RF) velden.

Schadelijkheid van niet-ioniserende straling
Er is schadelijke niet-ioniserende staling en er zijn niet-schadelijke varianten. Zelfs bij een hoge intensiteit van niet-ioniserende straling kan niet-ioniserende straling geen ionisatie in biologische systemen (lichaamscellen) veroorzaken. Er kan echter wel andere schade aan het menselijke lichaam ontstaan indien het lichaam wordt blootgesteld aan niet-ioniserende straling.

Uv-straling is bijvoorbeeld schadelijk en kan huidkanker en staar veroorzaken bij mensen. Er zijn echter verschillende soorten Uv straling. Uv A-straling is de schadelijkste variant van Uv straling veroorzaakt bijvoorbeeld melanoom. Dit is de dodelijkste vorm van huidkanker. Uv B veroorzaakt verschillende andere soorten huidkanker die gevaarlijk zijn maar minder schadelijk dan melanoom. Uv C is een vorm van Uv-straling die door de atmosfeer wordt tegengehouden. Naast Uv-staling is er ook niet-ioniserende straling vanuit EM-velden. Deze straling is van een heel ander soort dan Uv-straling.

Niet-ioniserende straling vanuit EM-velden is in een lage dosering niet schadelijk voor de gezondheid zolang men niet langdurig aan deze straling wordt blootgesteld. Over de exacte schade die deze niet-ioniserende staling uit EM-velden veroorzaakt bij de gezondheid van mensen is echter veel onduidelijk. Met name de effecten op lange termijn van EM-velden met een lage veldsterkte zijn wetenschappelijk nog nauwelijks in kaart gebracht. Bij EM-velden vinden wel elektrische stromen plaats die ook door het weefsel en de cellen van mensen bewegen. Daardoor bestaat de kans dat er wel een bepaalde mate van schade of veranderingen plaatsvinden. De schade aan het lichaam zal groter worden naarmate de concentraties van de straling ook hoger worden. Hoe hoger de intensiteit van de niet-ioniserende straling hoe schadelijker het is voor de mens.

Niet-ioniserende straling is een verzamelnaam voor straling die bestaat uit elektromagnetische golven. Deze EM golven bevatten een energie die te laag is om te ioniseren. In tegenstelling tot ioniserende staling heeft niet-ioniserende straling onvoldoende energie om een elektron uit een atoom te verwijderen. In deze tekst worden kort een aantal verschillende soorten niet-ioniserende straling benoemd en wordt daarnaast een korte beschrijving gegeven van de schadelijke effecten van deze straling.

VCU en technische uitzendbureaus

Uitzendondernemingen die in de techniek en bouw actief zijn horen regelmatig de term VCA voorbij komen. VCA is een afkorting die staat voor VGM Checklist voor Aannemers. De afkorting VGM staat voor Veiligheid, Gezondheid en Milieu. Bedrijven die VCA gecertificeerd zijn vragen in ieder geval voor uitvoerende technische functies om werknemers die in bezit zijn van een VCA basis certificaat. Voor operationeel leidinggevenden is VCA VOL vereist. De afkorting VOL staat voor Veiligheid voor Operationeel Leidinggevenden wat duidelijk maakt dat dit certificaat bestemd is voor leidinggevende werknemers. Er zijn echter verschillende soorten VCA en het hebben van deze certificaten levert bepaalde voordelen op voor bedrijven. Ook het hebben van een VCU certificaat levert voordelen op. Deze informatie kan je terugvinden in deze tekst.

Voordelen van VCA
VCA is geen wettelijke verplichting maar veel bedrijven in de techniek en bouw zijn wel VCA gecertificeerd. Deze certificering kan echter wel een aantal voordelen opleveren voor zowel aannemers als onderaannemers. Zo kan het in bezit hebben van een VCA certificaat er voor zorgen dat een bedrijf bepaalde opdrachten ontvangt. Verder is VCA een breed geaccepteerde en uniforme checklist. Tot slot sluit het VGM beheersysteem goed aan op het systeem van de opdrachtgever.

Verschillende soorten VCA
In de inleiding van deze tekst werd al duidelijk dat er verschillende soorten VCA certificeringen zijn. Het Basis VCA en VCA VOL werden genoemd. Dit zijn echter VCA certificeringen die persoonsgebonden zijn. Er zijn ook VCA certificeringen die bedrijfsgebonden zijn. De volgende VCA certificeringen gelden voor bedrijven:

  • VCA* is voor onderaannemers
  • VCA ** is voor hoofdaannemers
  • VCA Petrochemie is bestemd voor bedrijven in de petrochemische sector
  • VCO is de Veiligheids Checklist Opdrachtgevers
  • VCU is voor ondernemingen in de uitzendbranche en detacheringbranche

Er zijn verschillende VCA certificaten voor opdrachtgevers. Zoals je ziet zijn deze gebonden aan de rol van de organisatie (onderaannemer of hoofdaannemer) en op een sector zoals petrochemie en uitzendbranche. In de volgende wordt specifiek ingegaan op VCU.

Het nut van VCU
In de vorige alinea werd al duidelijk dat VCU een VCA certificering is voor uitzendondernemingen. VCU is een afkorting die staat voor Veiligheid en Gezondheid Checklist Uitzendorganisaties. Uitzendondernemingen die een VCU certificaat bezitten zijn bij uitstek geschikt om als toeleverancier te dienen voor VCA gecertificeerde ondernemingen. Een uitzendbureau met VCU certificaat zal veiligheid en gezondheid nog beter borgen in haar bedrijfsvoering dan reguliere uitzendbureaus die deze certificering niet bezitten. De werkinstructies die door deze uitzendbureaus op basis van de doorgeleidingsplicht worden verstrekt zijn uitgebreid en gaan diep in op het onderwerp veiligheid en risicobeheersing.

VIL VCU
Net zoals VCA is ook voor VCU een persoonsgebonden certificaat ontwikkeld. Dit is het VIL VCU certificaat. Wat VCU betekend is in de eerste regel van deze alinea benoemd, VIL betekend Veiligheid, Intercedenten en Leidinggevenden. Door zowel uitzendondernemingen in hun geheel als intercedenten en leidinggevenden te certificeren wordt VCA binnen de gehele organisatie doorgevoerd en gedragen. Dat zorgt er voor dat intercedenten en leidinggevenden in het uitzendbureau zo goed mogelijk de VCA gecertificeerde bedrijven kunnen ondersteunen bij het invullen van hun (technische) vacatures.

Is een RI&E verplicht?

Een Risico Inventarisatie en Evaluatie wordt afgekort met RI&E en is een verplicht onderdeel van het Arbobeleid dat een organisatie moet voeren op basis van de Nederlandse Arbeidsomstandighedenwet. De doelstelling van het RI&E is bestrijden van risico’s op de werkplek door:

  • Het inventariseren van risico’s.
  • Het beoordelen en rangschikken van risico’s.
  • Het maken van een plan van aanpak waarmee risico’s bestreden kunnen worden.
  • Het uitvoeren van het plan van aanpak.
  • Het evalueren van het plan van aanpak.
  • Inventariseren van de risico’s die nog aanwezig zijn (vanaf deze stap lopen de hiervoor genoemde stappen weer van boven naar beneden).

Bedrijven zijn volgens de Arbeidsomstandighedenwet verplicht om een Risico Inventarisatie en Evaluatie uit te voeren. Deze verplichting geldt sinds 1 januari 1994 in Nederland.

Voor welke bedrijven is een RI&E verplicht?
In de inleiding werd aangegeven dat een Risico Inventarisatie en Evaluatie volgens de Arbowet verplicht moet worden uitgevoerd. Deze verplichting is van toepassing op alle bedrijven behalve voor zelfstandigen die geen personeel in dienst hebben. Deze laatste groep wordt ook wel freelancer genoemd of zzp’ers. De afkorting zzp staat voor zelfstandige zonder personeel. Omdat zzp’ers geen personeel in dienst hebben hoeven ze geen Risico Inventarisatie en Evaluatie uit te voeren. In de praktijk worden zzp’ers vaak ingeleend of ingezet door grotere bedrijven die wel meerdere personeelsleden in dienst hebben. Vanwege het feit dat deze inleners wel meerdere personeelsleden in dienst hebben moeten zij een Risico Inventarisatie en Evaluatie uitvoeren. Daardoor zal de zzp’er in de praktijk vaak werken binnen een bedrijf waar wel degelijk een Arbobeleid wordt gevoerd met een RI&E als onlosmakelijk onderdeel daarvan.

Wat is een RI&E?
Een Risico Inventarisatie en Evaluatie is een middel waarmee de risico’s binnen een bedrijf in kaart moeten worden gebracht. Het in kaart brengen van deze risico’s is van groot belang omdat bedrijven de wettelijke en morele plicht hebben om een zo veilig mogelijke werkplek voor hun personeel te realiseren. Dit kunnen werkgevers zullen voor de uitvoering van de Risico Inventarisatie en Evaluatie bepaalde expertise nodig hebben. Daarom moeten ze een gecertificeerde arbodienst of deskundige preventie inschakelen om dit proces te begeleiden.

Het RI&E moet schriftelijk worden vastgelegd. In de analyse en inventarisatie van de risico’s moet ook duidelijk worden aangeven wat de kans is dat een bepaald gevaar daadwerkelijk zal plaatsvinden. Verder is het plan van aanpak een wezenlijk onderdeel van het RI&E. Risico’s moeten namelijk niet alleen worden geïnventariseerd maar ook worden aangepakt en bestreden. Het plan van aanpak moet duidelijk zijn beschreven en daarnaast ook voorzien zijn van deadlines en/of een tijdsplanning. Verder moet in een RI&E duidelijk naar voren komen wie voor welke taak verantwoordelijk is.

Na de uitvoering van het plan van aanpak stopt het inventariseren en evalueren van risico’s niet. Dit proces blijft continue doorgaan. Bedrijven zullen altijd te maken krijgen met veranderingen en dynamiek. Dat zorgt er voor dat er ook weer nieuwe risico’s kunnen ontstaan. Denk bijvoorbeeld aan het gebruik van nieuwe machines, werktuigen en andere productiemiddelen. Ook de uitbereiding van een fabriekspand of utiliteitscomplex kan er voor zorgen dat er weer andere risico’s ontstaan. Dat zorgt er voor dat de risico’s steeds weer opnieuw moeten worden geïnventariseerd, geëvalueerd en bestreden.  

Wat is een Risico Inventarisatie en Evaluatie RI&E?

Risico-Inventarisatie en Evaluatie is een verplicht onderdeel van het arbobeleid van een bedrijf waarmee op een gestructureerde wijze periodiek de risico’s op het gebied van veiligheid en gezondheid worden geïnventariseerd, beschreven en geëvalueerd. Bedrijven zijn volgens de Arbeidsomstandighedenwet verplicht om een zo veilig mogelijke werkplek voor hun werknemers te creëren.

Daarnaast moet de werkplek en de atmosfeer op en rondom de werkplek ook geen schade opleveren voor de gezondheid van werknemers, bezoekers van de werkplek en andere personen die aanwezig kunnen zijn binnen het bedrijf of in de directe omgeving van het bedrijf. Het is echter van belang dat bedrijven een goed beeld hebben van de aanwezige risico’s. Pas wanneer de risico’s goed in kaart zijn gebracht en duidelijk zijn omschreven in een Risico Inventarisatie en Evaluatie kunnen de risico’s effectief worden bestreden. Dit laatste gebeurd in het plan van aanpak dat de organisatie moet opstellen op basis van de risico’s.

Onderdelen van een Risico Inventarisatie en Evaluatie
Een Risico Inventarisatie & Evaluatie moet uit een aantal onderdelen bestaan. Dit is van belang omdat dit RI&E volledig moet zijn. De Arbeidsomstandigheden wet geeft duidelijkheid over de inhoud van de Risico Inventarisatie en Evaluatie. We noemen een aantal voorbeelden van richtlijnen die worden geboden door de Arbowet over de inhoud van de RI&E:

  • In de RI&E moeten rol en taken en het gewenste niveau van de preventiemedewerker zijn omschreven. Ook moet het aantal preventiemedewerkers duidelijk in kaart zijn gebracht. Deze informatie is gebaseerd op de uitkomsten van de RI&E. Voor meer informatie Arbowet art. 13.
  • Artikel 5 van de Arbeidsomstandigheden bepaald dat de werkgever voor het arbeidsomstandighedenbeleid in een inventarisatie en evaluatie schriftelijk moest vastleggen welke risico’s de arbeid voor de werknemers met zich brengt. Deze risico-inventarisatie en -evaluatie zal ook een beschrijving moeten bevatten van de gevaren en de risico-beperkende maatregelen die worden genomen.
  • Er moet een plan van aanpak worden opgesteld waarin door het bedrijf is aangegeven welke maatregelen genomen zullen worden om de risico’s te bestrijden. Daarnaast moet ook duidelijk worden gemaakt wanneer de maatregelen worden uitgevoerd en hoe. Dit staat in de Arbeidsomstandigheden wet Artikel 5 lid 3.
  • Artikel 5 lid 5 van de Arbeidsomstandighedenwet verplicht de werkgever mee te werken aan de doorgeleidingsplicht die op basis van de WAADI aan uitzendbureaus is opgelegd. Werkgevers moeten namelijk conform Artikel 5 lid 5 van de Arbowet tijdig aan de intermediair of het uitzendbureau relevante informatie uit de risico-inventarisatie en -evaluatie verstrekken met betrekking tot de gevaren op de werkvloer en risicobeperkende maatregelen die hiervoor zijn getroffen. Ook de risico’s voor de werknemer op de in te nemen arbeidsplaats moeten aan het uitzendbureau bekend worden gemaakt. de doorgeleidingsplicht die het uitzendbureau op basis van de WAADI heeft zorgt er voor dat de uitzendonderneming deze relevante informatie aan de uitzendkracht verstrekt. Zie voor meer informatie het hoofdartikel “ wat is doorgeleidingplicht?” op technischwerken.nl.

Aan de hierboven richtlijnen moeten bedrijven zich houden. Toch hebben bedrijven wel een bepaalde vrijheid met betrekking tot de uitvoering van de Risico Inventarisatie en Evaluatie. Het is belangrijk dat bedrijven een goed inzicht krijgen in de risico’s die op en rondom de werkvloer aanwezig (kunnen) zijn. Een RI&E moet daar een zo goed mogelijk beeld van geven. Daarom moeten de risico’s zo duidelijk mogelijk worden beschreven. Daarbij moet de aard van het risico in kaart zijn gebracht maar ook de omvang van het risico en de mogelijke gevolgen. Er dient een rangschikking te zijn tussen de risico’s en er moet een duidelijke prioriteit in deze rangschikking zijn aangebracht. Verder dienen bedrijven ook een plan van aanpak vast te stellen waarmee het bedrijf de aanwezige risico’s wil wegnemen, beperken of beheersen. De informatie die moet worden genoteerd en verwerkt wordt duidelijk als men kijkt naar de verschillende stappen die een bedrijf moet uitvoeren tijdens de RI&E. In de volgende alinea is het stappenplan van de Risico Inventarisatie en Evaluatie weergegeven.

Stappenplan van de Risico Inventarisatie en Evaluatie
Een RI&E moet door een bedrijf gestructureerd uitgevoerd moeten worden. Daarbij is een planmatige aanpak belangrijk. Het inventariseren van risico’s en het evalueren daarvan evenals het bestrijden van risico’s met een planmatige aanpak is iets waar bedrijven voortdurend mee bezig moeten zijn. Er kunnen namelijk weer nieuwe risico’s op de werkplek ontstaan als er nieuwe machines worden geplaatst, andere werkzaamheden worden verricht, met meer of juist met minder personeel wordt gewerkt of door slijtage aan machines, constructies en gebouwen. Een bedrijf is daarom nooit klaar met het inventariseren van risico’s. Juist daarom is het belangrijk dat het RI&E proces geconditioneerd wordt. De volgende stappen worden tijden het RI&E door een bedrijf uitgevoerd:

Stap 1: Inventarisatie
In deze eerste stap gaat het bedrijf alle risico’s die in het bedrijf aanwezig zijn in kaart brengen. De risico’s moeten duidelijk worden omschreven. Aan het einde van deze stap zullen alle risico’s in een duidelijke lijst zijn opgesteld. Deze lijst is een belangrijk uitgangspunt voor stap twee.

Stap 2: Evaluatie van de risico’s
Nadat het aantal risico’s is geïnventariseerd zullen bedrijven de risico’s moeten evalueren. Daarbij wordt gekeken naar de waarschijnlijkheid dat een bepaald incident plaats zal vinden en de omvang van de gevolgen als het risico daadwerkelijk zal plaatsvinden. Op basis van de risico evaluatie zal een rangschikking worden gemaakt van de risico’s. Uit deze rangschikking moet naar voren komen welke risico’s het belangrijkste zijn. Dit zijn de risico’s die het grootste gevaar vormen en de grootste kans hebben op het daadwerkelijk plaatsvinden van een incident. Deze rangschikking van risico’s dient eveneens schriftelijk te worden vastgelegd.

Stap 3: Plan van aanpak
Het inventariseren en evalueren van de risico’s vormen de basis voor een effectieve aanpak van de risico’s. Deze aanpak moet planmatig zijn en gestructureerd daarom moet er een duidelijk plan van aanpak worden opgesteld. In het plan van aanpak moet worden beschreven welke maatregelen worden genomen om het risico weg te nemen doormiddel van bronbestrijding. Als bronbestrijding niet mogelijk is zal het bedrijf technische voorzieningen moeten treffen om de mens zoveel mogelijk van de bron van het gevaar te scheiden. Ook beheersmaatregelen kunnen aan de orde komen. Hierbij kan ook gedacht worden aan het verstrekken en gebruiken van persoonlijke beschermingsmiddelen (pbm’s). De maatregelen moeten duidelijk worden beschreven en er moet aangegeven worden wanneer de maatregelen worden ingevoerd. Verder moet duidelijk zijn wie voor de invoering van de maatregelen verantwoordelijk is en wie de implementatie controleert.

Stap 4: Toetsen van de RI&E
De Risico Inventarisatie & Evaluatie moet worden getoetst door een arbodienst of arbodeskundige. Deze toetsing is niet verplicht bij bedrijven die minder dan 26 werknemers aan het werk hebben als die gebruik maken van een erkend Branche RI&E instrument. Het uiteindelijke doel is dat er een duidelijke RI&E door het bedrijf is opgesteld dat voldoet aan de wettelijke eisen.

Stap 5: Aan de slag
De laatste stap is de daadwerkelijke uitvoering van het plan van aanpak. Dit houdt in dat de hiervoor genoemde stappen ten uitvoering moeten worden gebracht. Het plan van aanpak moet in de praktijk worden uitgevoerd door de personen en de afdeling(en) die hiervoor verantwoordelijk zijn. Tijdens de uitvoering van het plan van aanpak is het goed mogelijk dat men tegen problemen aanloopt. Bepaalde methoden om risico’s aan te pakken of te beperken kunnen in de praktijk wel moeilijk uitvoerbaar zijn. Daarom moet er ook tijdens het plan van aanpak voortdurend controle worden gehouden en geëvalueerd. Indien bijsturing nodig is zal dit met de verantwoordelijke personen en de preventiemedewerker moeten worden overlegd. Op die manier blijft een plan van aanpak actueel en praktisch toepasbaar.

Wat is doorgeleidingsplicht?

Doorgeleidingsplicht is de wettelijke verplichting die een uitzendbureau op basis de WAADI heeft met betrekking tot het inwinnen en het verstrekken van alle relevante informatie aan een uitzendkracht zodat deze zijn of haar uitzendwerk zo veilig en goed mogelijk kan uitvoeren zonder dat de uitzendkracht daarbij de veiligheid en gezondheid van zichzelf, de collega’s, de bezoekers en de omwonenden van werkplek wordt geschaad.

Doorgeleidingsplicht WAADI
De doorgeleidingsplicht wordt niet voor niets en plicht genoemd. Het is een wettelijke verplichting waar uitzendondernemingen zich aan moeten houden. Niet alleen uitzendbureaus moeten zich houden aan de doorgeleidingsplicht, alle intermediairs waarop de Wet allocatie arbeidskrachten door intermediairs van toepassing is moeten zich houden aan de doorgeleidingsplicht. Deze Wet allocatie arbeidskrachten door intermediairs is ook wel bekend onder de afkorting WAADI die u zich misschien herinnerd van de inleiding van deze tekst.

Voor wie is de doorgeleidingsplicht?
De WAADI is van toepassing op alle bedrijven die uitzendkrachten en andere tijdelijke krachten beschikbaar stellen om voor andere bedrijven, de inleners, werkzaamheden uit te voeren. Omdat deze intermediairs wel feitelijk de werkgevers zijn van deze inleenkrachten maar niet daadwerkelijk belast zijn met het dagelijkse toezicht op deze krachten moeten ze er voor zorgen dat de inleenkrachten worden voorzien van de juiste instructies met betrekking tot de veiligheid en de aard van de werkzaamheden.

De uitzendonderneming of intermediair moet deze informatie in duidelijke en begrijpelijke taal verstrekken aan de uitzendkracht. Uiteraard dient de uitzendonderneming eerst de juiste informatie in te winnen, dit is vastgelegd in Artikel 11 van de WAADI. Dit is de rol van de uitzendonderneming uiteraard heeft de inlener ook een rol. De rol van de inlener komt naar voren in Artikel 5, lid 5 van de Arbeidsomstandighedenwet. Deze twee artikelen zijn in de onderstaande alinea’s geciteerd en toegelicht.

Doorgeleidingsplicht op basis van Artikel 11 WAADI
De doorgeleidingsplicht is wettelijk vastgelegd in de Wet allocatie arbeidskrachten door intermediairs. Uitzendbureaus en andere intermediairs zijn namelijk als feitelijk werkgever in belangrijke mate verantwoordelijk voor de veiligheid en gezondheid van de uitzendkracht of inleenkracht. Een intermediair is echter niet in staat of niet in de mogelijkheid om dagelijks toezicht te houden op de werkzaamheden van de inleenkracht. Dit doet de operationeel leidinggevende van de inlenende werkgever. Een uitzendonderneming / intermediair heeft echter wel de verplichting om hun uitleenpersoneel zo goed mogelijk te instrueren. Dit is in de WAADI vastgelegd onder Artikel 11. De letterlijke tekst van WAADI Artikel 11 is als volgt:

Degene die arbeidskrachten ter beschikking stelt verschaft aan degene die ter beschikking wordt gesteld, informatie over de verlangde beroepskwalificatie en verstrekt aan die persoon de beschrijving, bedoeld in artikel 5, vijfde lid, van de Arbeidsomstandighedenwet, voordat de terbeschikkingstelling een aanvang neemt”. Einde citaat Artikel 11 WAADI.

Uit dit citaat van Artikel 11 van de WAADI komt duidelijk de verplichting naar voren die intermediairs, of bedrijven die arbeidskrachten ter beschikking stellen, hebben indien zijn hun personeel laten werken bij andere organisaties. Het gaat hierbij om de beroepskwalificatie. Dit is een vrij algemene term die men zou kunnen omschrijven als alle eisen en kwalificaties waaraan een arbeidskracht moet voldoen om de werkzaamheden te kunnen en te mogen uitvoeren. Dit zijn dus ook in belangrijke mate de selectiecriteria voor een uitzendonderneming. In Artikel 11 van de WAADI wordt ook gerefereerd aan Artikel 5 lid 5 van de Arbeidsomstandighedenwet of Arbowet. Als men dit artikel leest komt duidelijk naar voren dat de inlenende werkgever ook verplichtingen heeft naar de uitzendonderneming toe met betrekking tot de instructie voor de uitzendkracht/ inlener op het gebied van veiligheid en gezondheid. In de volgende alinea kan hier meer over gelezen worden.

Doorgeleidingsplicht en Artikel 5 lid 5 Arbeidsomstandighedenwet
Inlenende bedrijven hebben ook verantwoordelijkheden met betrekking tot de informatieverschaffing aan de uitzendonderneming/ intermediair en de inleenkracht/ uitzendkracht. De Arbeidsomstandighedenwet is er primair op gericht dat werkgevers een zo gezond en veilig mogelijk werkklimaat creëren voor hun werknemers. Daarbij gaat het niet alleen om werknemers die op contactbasis, rechtstreeks in dienst zijn bij de werkgever ook tijdelijke krachten en flexkrachten dienen door de werkgever conform de Arbeidsomstandighedenwet te worden beschermd tegen risico’s, onveilige situaties en arbeidsomstandigheden die de veiligheid en gezondheid kunnen schaden. Tijdelijke krachten moeten goed op de hoogte worden gebracht van de arbeidsomstandigheden waarin ze terecht zullen komen als ze bij de inlener aan de slag gaan. Daarom is in Artikel 5 lid 5 van de Arbeidsomstandighedenwet het volgende vastgelegd:

Indien de werkgever arbeid doet verrichten door een werknemer die hem ter beschikking wordt gesteld, verstrekt hij tijdig voor de aanvang van de werkzaamheden aan degene, die de werknemer ter beschikking stelt, de beschrijving uit de risico-inventarisatie en -evaluatie van de gevaren en risico beperkende maatregelen en van de risico’s voor de werknemer op de in te nemen arbeidsplaats, opdat diegene deze beschrijving verstrekt aan de betrokken werknemer.

Dit artikel uit de Arbeidsomstandighedenwet maakt duidelijk dat de werkgever die als inlener optreed ook duidelijk verplichtingen heeft als hij werknemers wil inlenen. Het bedrijf is volgens de Arbeidsomstandighedenwet verplicht om de aanwezige risico’s in het bedrijf te inventariseren in een Risico Inventarisatie en Evaluatie. Daarnaast moet een bedrijf conform deze Arbowet ook deze risico’s trachten weg te nemen, te beperken en te beheersen. Daarvoor stelt het bedrijf een plan van aanpak op. Daaruit vloeien echter weer veiligheidsprocedures en veiligheidsinstructies voort. Ook werkinstructies zijn een gevolg van Risico Inventarisatie en Evaluatie. Het is echter van belang dat niet alleen de eigen personeelsleden deze instructies krijgen maar alle werknemers die binnen het bedrijf werkzaam zijn dus ook de inleenkrachten. Daarom moet een (potentiële) inlener aan de uitlener van personeel tijdig de benodigde informatie verstrekken met betrekking tot de werkzaamheden, kwalificaties, veiligheidsrisico’s en beheersmaatregelen.

Doorgeleidingsplicht tot slot
Artikel 11 van de WAADI en Artikel 5 lid 5 van de Arbowet vormen gezamenlijk de wettelijke basis van de doorgeleidingsplicht. Bedrijven die tijdelijke krachten willen inlenen moeten aan de uitleners duidelijke informatie verschaffen met betrekking tot de aard van de werkzaamheden en de risico’s die daarbij aan de orde komen. Ook de beheersmaatregelen en benodigde persoonlijke beschermingsmiddelen moeten worden benoemd (en verstrekt). Het verstrekken van de persoonlijke beschermingsmiddelen moet gedaan worden door de inlener en het toezicht op het gebruik van deze pbm’s moet worden gedaan door de operationeel leidinggevende van de inlener. De intermediair of de uitzendonderneming dient door te vragen tijdens de ontvangst van een vacature of opdracht. In dit doorvragen moet duidelijk naar voren komen wat de risico’s daadwerkelijk zijn en wat de uitzendkracht moet doen of moet laten om de risico’s te beperken of beheersbaar te maken. De uitzendonderneming zal deze informatie aan de uitzendkracht moeten overbrengen. Dit kan bijvoorbeeld door gebruik te maken van een personeelsinstructieformulier.

Wat is VCA?
Uitzendbureaus in de techniek en de bouw krijgen dikwijls te maken met opdrachtgevers die VCA gecertificeerd zijn. Deze VCA certificering is niet wettelijk verplicht maar is vaak wel sterk branche gebonden. Een VCA gecertificeerde onderneming moet aan bepaalde eisen voldoen om het VCA certificaat te ontvangen en te behouden. VCA staat voor VGM Checklist voor Aannemers. De letters VGM staan voor Veiligheid, Gezondheid en Milieu. Dit zijn drie belangrijke kernonderwerpen in het VCA beleid van bedrijven. Bedrijven die VCA gecertificeerd zijn moeten hun personeel ook VCA certificeren. Op die manier wordt het naleven van het VCA niet alleen gedaan op basis van beleidsmatige theorie maar ook in de praktijk. VCA certificaten voor personeel zijn er in twee soorten:

  • Basis VCA: dit VCA certificaat is voor uitvoerende personeelsleden.
  • VOL VCA: dit VCA is voor operationeel leidinggevenden (VOL = Veiligheid Operationeel Leidinggevenden.

Ook uitzendkrachten die bij een VCA gecertificeerde onderneming aan de slag gaan dienen in bezit te zijn van een VCA certificaat. Uitzendondernemingen die deze uitzendkrachten bemiddelen moeten echter ook gecertificeerd zijn. Dit gebeurd doormiddel van het VCU certificaat dat een afgeleide is van het VCA certificaat. Over VCU kun je meer lezen in de volgende alinea of in de specifieke teksten op technischwerken.nl die dit onderwerp behandelen.

Wat is VCU?
VCU is het VCA certificaat voor uitzendbureaus. De letters VCU staan daarom ook niet voor niets voor Veiligheid en Gezondheid Checklist Uitzendorganisaties. Uitzendorganisaties kunnen een VCU certificering aanvragen. Deze certificering is net als het VCA ondergebracht bij de SSVV dit is de onafhankelijke Stichting Samenwerken Voor Veiligheid. VCU gecertificeerde uitzendondernemingen leggen extra de nadruk op veiligheid en gezondheid van hun uitzendkrachten. Dit uit zich ook in de doorgeleidingsplicht. Daarbij wordt in de werkinstructie duidelijk gevraagd of de uitzendkracht in bezit moet zijn van basis VCA of VCA VOL.

Wat is VIL VCU?
Naast de uitzendonderneming als organisatie wordt ook het interne personeel van de uitzendonderneming als het goed is gecertificeerd. Het is immers het personeel van het uitzendbureau dat de daadwerkelijke doorgeleidingsplicht ten uitvoering moet brengen door het verstrekken van een personeelsinstructie aan de uitzendkracht. Daarvoor is basiskennis nodig. Deze wordt geboden door het VIL VCU. Daarbij staat VIL voor Veiligheid voor Intercedenten en Leidinggevenden en VCU staat voor het eerder genoemde Veiligheid en Gezondheid Checklist Uitzendorganisaties. Een VIL VCU certificaat is net als een VCA certificaat tien jaar geldig en is persoonsgebonden.

Wat is een VCU gecertificeerde uitzendorganisatie?

Een VCU gecertificeerde uitzendorganisatie is een uitzendorganisatie die gecertificeerd is op het gebied van de Veiligheid en Gezondheid Checklist Uitzendorganisaties. Het VCU is ondergebracht bij de SSVV oftewel de onafhankelijke Stichting Samenwerken Voor Veiligheid. Bij deze stichting is ook het de VGM Checklist voor Aannemers ondergebracht die beter bekend staat onder de afkorting VCA. Het SSVV heeft twee organen die er voor zorgen dat de procedures met betrekking tot VCA en VCU correct worden uitgevoerd. Dit is het Centraal College van Deskundigen VCA en de Werkgroep VCU. Het VCU is bestemd voor uitzendondernemingen die uitzendkrachten en ander (flexibel) personeel uitzenden naar VCA-gecertificeerde opdrachtgevers die ook wel de inleners worden genoemd van uitzendpersoneel.

Voor welke uitzendbureaus is VCU?
VCU is een certificering die voor bepaalde uitzendondernemingen van toepassing zal zijn. Niet elke uitzendonderneming levert immers personeel aan VCA-gecertificeerde bedrijven. De uitzendbureaus die dit echter wel doen zullen er verstandig aan doen om zich VCU te laten certificeren. Opdrachtgevers die namelijk VCA gecertificeerd zijn zullen van hun toeleveranciers van personeel verwachten dat het personeel van zowel de uitzendonderneming intern als het externe personeel van de uitzendonderneming op de hoogte zijn van de veiligheidsrichtlijnen die zijn omschreven in de VGM Checklist voor Aannemers. De letters VGM staan overigens voor Veiligheid Gezondheid en Milieu. Bedrijven die VCA gecertificeerd zijn besteden extra aandacht aan:

  • de veiligheid van het personeel en andere aanwezigen, omwonenden op en rondom de werkplek,
  • de gezondheid van zowel werknemers, bezoekers en omwonenden.
  • het milieu oftewel de omgeving rondom de werkplek.

 Deze aspecten komen naar voren in het VGM beleid van een VCA gecertificeerde onderneming. Daaronder valt ook het Arbobeleid dat ook wel het Arbeidsomstandighedenbeleid wordt genoemd. Dit beleid is een wettelijke verplichting vanuit de Arbowet. VCA is echter niet een wettelijke verplichting maar is wel een belangrijke methode om het VGM beleid uit te dragen.

Uitzendondernemingen die aan VCA gecertificeerde bedrijven (tijdelijk) personeel leveren moeten goed op de hoogte zijn van de eisen die aan dit personeel worden gesteld op het gebied van veiligheid, gezondheid en milieu. Daarom moeten uitzendkrachten die bij VCA gecertificeerde bedrijven tewerk worden gesteld in bezit zijn van Basis VCA als ze een uitvoerende functie gaan bekleden en VOL VCA als ze worden ingezet als operationeel leidinggevende (VOL is Veiligheid voor Operationeel Leidinggevenden).

Uitzendbureaus zelf moeten VCU gecertificeerd zijn en moeten begrijpen wat er voor risico’s aanwezig zijn op de werkplek van de opdrachtgever en inlener. Deze risico’s hoeven uitzendondernemingen niet zelf te inventariseren. De opdrachtgever is zelf verantwoordelijk voor het houden van een Risico Inventarisatie en Evaluatie en de beschrijving van een plan van aanpak waarmee de risico’s op de werkplek worden bestreden of beheerst. De uitzendonderneming moet echter wel van de opdrachtgever te horen krijgen welke risico’s op de werkplek aanwezig zijn en hoe de uitzendkracht zich tegen deze risico’s dient te beschermen. Daarbij kunnen veiligheidsprocedures een rol spelen maar ook het dragen van bijvoorbeeld persoonlijke beschermingsmiddelen.

Doorgeleidingsplicht
Uitzendbureaus zijn de formele werkgever van uitzendkrachten toch zijn uitzendbureaus niet belast met het dagelijkse toezicht op uitzendkrachten. Dat laatste doet namelijk de operationeel leidinggevende van de inlenende partij die ook wel de materiele werkgever wordt genoemd. De uitzendonderneming dient echter alle relevante informatie met betrekking tot de veiligheid en gezondheid op de werkvloer te verstrekken aan de uitzendkracht.

Deze informatie moet de uitzendonderneming dus eerst ontvangen van de inlenende partij. Dit moet gebeuren voordat de uitzendkracht te werk wordt gesteld. De uitzendonderneming zal de informatie duidelijk aan de uitzendkracht moeten overbrengen. Dit gebeurd in de praktijk meestal doormiddel van een personeelsinstructieformulier die door de uitzendonderneming aan de uitzendkracht wordt verstrekt en meestal mondeling wordt toegelicht door de intercedent of vestigingsmanager van het uitzendbureau. Op die manier voldoet de uitzendonderneming aan de doorgeleidingsplicht.

Wat is VIL VCU?
VIL VCU is een afkorting die ook vaak wordt benoemd in het uitzendwezen. Wat VCU is stond in de alinea’s hierboven al vermeld. VIL staat voor Veiligheid voor Intercedenten en Leidinggevenden. De combinatie tussen VIL en VCU maakt duidelijk dat VIL VCU staat voor de daadwerkelijke certificering van de interne werknemers van het uitzendbureau oftewel de intercedenten, consultants en de leidinggevenden die in de praktijk vaak de vestigingsmanager of regiomanager zijn. Deze personen dienen allemaal een VCU certificaat te behalen. Kortom het uitzendbureau is VCU gecertificeerd en de werknemers van de VCU gecertificeerde uitzendonderneming dienen VIL VCU gecertificeerd te zijn.

Wat is VIL VCU?

VIL VCU is een speciaal certificaat voor uitzendorganisaties die personeel leveren aan VCA-certificeerde bedrijven en daardoor aan bepaalde kwaliteitseisen en veiligheidseisen moeten voldoen. VIL VCU is een samenvoeging die bestaat uit twee afkortingen die als volgt kunnen worden verklaard:

  • VIL: staat voor Veiligheid voor Intercedenten en Leidinggevenden,
  • VCU: staat voor Veiligheid en Gezondheid Checklist Uitzendorganisaties

Het VIL VCU is een speciale certificering die is voortgekomen uit het VCA. Het VCA is een certificering voor aannemers maar ook voor verschillende andere technische bedrijven en bouwbedrijven. De afkorting VCA staat voor VGM Checklist Aannemers. Om de reeks afkortingen geheel te verklaren staat VGM voor Veiligheid Gezondheid en Milieu. Juist deze laatste verklaring van de afkorting VGM maakt duidelijk waar het in deze certificering om gaat namelijk het:

  • bevorderen van de veiligheid op de werkvloer,
  • het beschermen van de gezondheid van de werknemers en andere aanwezigen op de werkvloer,
  • het zoveel mogelijk beperken van de schadelijke effecten van de bedrijfsvoering voor het milieu.

Verklaring VIL VCU
Zoals hiervoor is aangegeven staat VCU voor Veiligheid en Gezondheid Checklist Uitzendorganisaties dit maakt duidelijk dat VCU specifiek voor uitzendondernemingen oftewel uitzendbureaus is ingevoerd. Uitzendbureaus die uitzendkrachten leveren voor klanten die VCA gecertificeerd zijn zullen goed moeten weten welke risico’s bij hun (potentiële) opdrachtgevers of inleners aan de orde (kunnen) komen. Allereerst is het natuurlijk van belang om te weten waarom het VCA is ingevoerd en wat het VCA precies voor rol speelt in technische sector, de petrochemie en de bouw. Daarover gaat de volgende alinea.

VCA: VGM Checklist Aannemers
Er zijn verschillende uitzendbureaus in Nederland actief. Er zijn uitzendondernemingen die zich richten op alle markten en sectoren maar er zijn ook uitzendbureaus die zich alleen richten op de techniek, offshore of de bouw. Dit zijn technische sectoren waarbij werknemers, dus ook uitzendkrachten, onder andere te maken krijgen met machines, elektrische spanning, grote constructies en alle risico’s die daarbij horen.

Werkgevers hebben in Nederland de wettelijke plicht om contactwerknemers en uitzendkrachten zo goed mogelijk te instrueren over de werkzaamheden en bijbehorende risico’s. Deze plicht hebben werkgevers op basis van de Arbowet. Een goede veiligheidsinstructie is gebaseerd op een Risico Inventarisatie en Evaluatie. Doormiddel van dit RI&E brengen bedrijven risico’s op en rondom de werkvloer in kaart.

Doormiddel van een plan van aanpak trachten bedrijven de risico’s bij de bron te bestrijden door bronbestrijdingsmaatregelen. Dit is echter lang niet altijd mogelijk daarom ondernemen bedrijven verschillende maatregelen om de mensen van de bron van het gevaar te scheiden. Dit kan door technische maatregelen en beheersmaatregelen. Als de risico’s niet (geheel)  weggenomen kunnen worden zullen de risico’s moeten worden beheerst. Daarvoor is een duidelijke werkinstructie noodzakelijk en zullen bedrijven ook persoonlijke beschermingsmiddelen moeten verstrekken aan hun personeel indien dit de veiligheid en gezondheid van de werknemers beschermd tegen schadelijke effecten van de werkzaamheden of de werkomgeving. 

Personeel moet dus duidelijke instructies krijgen. Deze instructies krijgt het personeel uiteraard ook mondeling bij de aanvang van de werkzaamheden. Er zijn echter op de bouw zo enorm veel algemene veiligheidsinstructies die aan de orde komen dat een direct leidinggevende bijna onmogelijk tijd kan besteden aan het benoemen van alle risico’s en bijbehorende beheersmaatregelen. Daarom is basiskennis op het gebied van veiligheid, gezondheid en milieu belangrijk. Deze basiskennis leren de werknemers en dus ook uitzendkrachten in een Basis VCA cursus. Er zijn echter verschillende soorten VCA certificaten. Dit lees je in de volgende alinea.

Verschillende soorten VCA
Op de bouw en in de techniek zijn verschillende ‘spelers’ actief. Deze ‘spelers’ zijn bedrijven en organisaties. Men maakt wel de onderverdeling tussen opdrachtgevers, hoofdaannemers en onderaannemers. De opdrachtgever geeft de opdracht voor bijvoorbeeld het bouwen van een constructie, woning, utiliteitscomplex of fabriek. De aannemer neemt de opdracht aan en zet vaak verschillende onderaannemers in om bepaalde gedeelten van het project af te ronden.

Zo kan een grote bouwonderneming de hoofdaannemer zijn en kan deze installatiebedrijven, stukadoors en tegelzetters als onderaannemer een deel van het project laten uitvoeren. Het spreekt echter voor zich dat ook deze bedrijven zich moeten houden aan de regels met betrekking tot veiligheid, gezondheid en milieu. Om die reden zijn er verschillende soorten VCA certificaten ontstaan. We noemen de belangrijkste VCA certificeringen:

  • Uitvoerend personeel en uitzendkrachten dienen in bezit te zijn van een VCA basis of een VCA B als ze werkzaamheden uitvoeren bij een werkgever die VCA gecertificeerd is. Ook uitzendkrachten dienen over een basis VCA te beschikken als ze werkzaamheden uitvoeren voor inleners die VCA gecertificeerd zijn.
  • Voor leidinggevenden is er een VOL VCA. De letters VOL staan Veiligheid voor Operationeel leidinggevenden. Dit maakt duidelijk dat operationeel leidinggevenden in deze VOL VCA cursus extra informatie krijgen over hun verantwoordelijkheden en hun rol op het gebied van Veiligheid Gezondheid en Milieu op de werkvloer.
  • Voor opdrachtgevers is er het VCO de afkorting VCO staat voor Veiligheids, Gezondheid en Milieu Checklist Opdrachtgevers. Het VCO is bedoeld voor opdrachtgevers die opdrachten willen laten uitvoeren door (andere) bedrijven waarbij het uitvoeren van de opdracht bepaalde risico’s voor de veiligheid, gezondheid en het milieu meebrengen.

Naast bovenstaande VCA certificaten is er natuurlijk ook nog het VIL VCU. Dit is een bijzonder VCA certificaat en wordt in de volgende alinea’s behandeld.

Waarom VCU?
VCU staat zoals eerder benoemd voor
Veiligheid en Gezondheid Checklist Uitzendorganisaties en is ontstaan uit VCA. Uitzendorganisaties hebben als intermediair een bijzondere positie als het gaat om de veiligheid, gezondheid en het milieu op de werkplek. Uitzendbureaus zijn immers tussenpersonen, de uitzendkracht zelf werkt niet onder rechtstreeks toezicht van de uitzendonderneming. In plaats daarvan werkt de uitzendkracht onder toezicht van de direct leidinggevende van de inlener. Deze direct leidinggevende wordt ook wel de operationeel leidinggevende genoemd. In de vorige alinea heb je gelezen dat deze operationeel leidinggevende in bezit moet zijn van een VOL VCA.

Deze operationeel leidinggevende is verantwoordelijk voor het verstrekken van de persoonlijke beschermingsmiddelen en het instrueren van de uitzendkracht als het gaat om het gebruik van machines, werktuigen en andere middelen waarmee de werkzaamheden moeten worden uitgevoerd. De uitzendkracht zal ook de operationeel leidinggevende van de inlener hanteren als eerste aanspreekpunt voor onveilige situaties. Tijdens een toolboxmeeting geeft een direct leidinggevende specifieke informatie over een bepaald veiligheidsaspect op de werkvloer. Een toolboxmeeting wordt conform VCA minimaal 10 keer per jaar gehouden. Net als het reguliere personeel is ook een uitzendkracht verplicht om bij een toolboxmeeting aanwezig te zijn. Tijdens deze meeting worden ook wel incidenten benoemd zoals bijna-ongevallen en ongevallen. Door het personeel tijdens de toolboxmeeting te betrekken bij het probleem kan het bedrijf het bewustzijn van het personeel met betrekking tot de veiligheid bevorderen.

Maar wat is dan de rol van het uitzendbureau? Het uitzendbureau heeft wel degelijk een rol in dit geheel. De uitzendonderneming heeft namelijk een doorgeleidingsplicht. Dit houdt in dat het uitzendbureau voor de aanvang van de werkzaamheden op de hoogte moet zijn van de specifieke veiligheidseisen die door de inlener zijn gesteld. Daarbij gaat het niet alleen over het feit of de uitzendkracht in bezit is van een basis VCA of niet. Er wordt ook gekeken naar andere aspecten zoals het werken met een heftruck, werken op hoogte, gebruik van bovenloopkranen en andere hijs en hefmiddelen enzovoort. Door goed door te vragen kan een intercedent een goed beeld krijgen van de arbeidsomstandigheden. Nog veel beter is het wanneer de intercedent eerst langs gaat op de werkplek waar de uitzendkracht zal moeten komen te werken om tijdens een werkplekinspectie een goed beeld te krijgen van de specifieke aspecten met betrekking tot veiligheid, gezondheid en milieu.

Uitzendbureaus winnen deze informatie niet voor niets in. Deze informatie wordt gebruikt om de juiste kandidaat uitzendkracht te selecteren voor de vacature van de inlener. Nadat deze selectie is geweest worden de kandidaten goed op de hoogte gebracht van de veiligheidsaspecten waar ze rekening mee dienen te houden. Deze voorlichting kan het beste plaatsvinden voordat de uitzendkracht op gesprek gaat bij de inlener. Het is namelijk belangrijk dat een uitzendkracht weet in wat voor soort bedrijf het gesprek wordt gevoerd en welke veiligheidsaspecten daarbij aan de orde komen. Zo kan een kandidaat uitzendkracht bijvoorbeeld werkschoenen meennemen voor het sollicitatiegesprek als hij of zij van het uitzendbureau te horen heeft gekregen dat er een rondleiding wordt gegeven over de werkplek. Als een bouwhelm daarbij benodigd is omdat het een bouwplaats betreft is het verstandig dat het uitzendbureau een bouwhelm aan de kandidaat verstrekt. Indien het uitzendbureau deze mogelijkheid niet heeft zal het uitzendbureau hierover afspraken moeten maken met de inlener zodat deze tijdig een bouwhelm aan de solliciterende uitzendkracht verstrekt.

Doorgeleidingsplicht
De doorgeleidingsplicht speelt een belangrijke rol bij het VIL VCU. Deze doorgeleidingsplicht houdt in dat uitzendondernemingen de plicht hebben om alle relevante informatie met betrekking tot veiligheid en gezondheid van de uitzendkracht tijdig bij de uitzendkracht onder de aandacht te brengen. De meeste uitzendondernemingen gebruiken hiervoor een personeelsinstructieformulier waarin de risico’s staan beschreven, de beheersmaatregelen, de persoonlijke beschermingsmiddelen die vereist zijn en de contactpersoon van de uitzendkracht.

Uiteraard dient een intercedent of leidinggevende op een uitzendbureau goed op de hoogte te zijn van de veiligheidsaspecten die aan de orde kunnen komen op de bouw en de techniek. Daarom heeft men het ook over VIL oftewel Veiligheid voor Intercedenten en Leidinggevenden en VCU dat staat voor Veiligheid en Gezondheid Checklist Uitzendorganisaties. Zowel intercedenten als leidinggevenden bij uitzendondernemingen dienen goed op de hoogte te zijn van de veiligheidsaspecten zodat ze deze door kunnen geven aan uitzendkrachten en daarmee voldoen aan goed werkgeverschap en aan de doorgeleidingsplicht.

VIL VCU tot slot
In de alinea’s hierboven is een duidelijk beeld geschetst van de rol van VIL VCU binnen de technische sector, de bouw en de uitzendbranche. Het is duidelijk dat VIL VCU veel meer is dan een formaliteit. Het gaat om een belangrijke rol die voor uitzendondernemingen is weggelegd om hun uitzendkrachten zo goed mogelijk op de hoogte te brengen van de veiligheidsaspecten waarmee de uitzendkracht te maken (kan) krijgen. Uitzendkrachten die in bezit zijn van basis VCA weten zelf de nodige basisaspecten met betrekking tot veilig werken.

Toch hebben ze doormiddel van een personeelsinstructieformulier met een mondelinge toelichting baat bij specifieke veiligheidsaspecten die van toepassing zijn op de arbeidsomstandigheden van de inlener. Arbeidsomstandigheden en werkplekken verschillen namelijk onderling sterk. Daarom moet bij iedere uitzending van uitzendkrachten een nieuwe personeelsinstructie worden gegeven aan uitzendkrachten. Een bedrijf geeft als het goed is 10 keer per jaar een toolboxmeeting. Uitzendbureaus dienen ook hiervan op de hoogte te zijn zodat ze hun uitzendkrachten kunnen wijzen op het belang van deze toolboxmeeting. De uiteindelijke doelstelling van VCA en VIL VCU is het beschermen van de gezondheid en veiligheid van werknemers en dus ook van uitzendkrachten. Het uitzendbureau is hierin de formele werkgever en de inlener is de materiële werkgever. Door goed met elkaar samen te werken kan de doelstelling voor het bereiken van een zo veilig mogelijke werkplek worden gerealiseerd.

Wat is het vlampunt van een stof?

Het vlampunt is de laagste temperatuur waarbij een bepaalde stof tot ontbranding kan komen als deze stof in contact is geweest met een ontstekingsbron. Er zijn verschillende ontstekingsbronnen. Zo kan een vlam van een lucifer een ontstekingsbron zijn maar ook een vonk of elektrische boog die ontstaat bij kortsluiting. Een ontsteking kan bewust tot stand worden gebracht door een mens bijvoorbeeld door het gebruik van een aansteker. Daarnaast kan een ontsteking ook onbewust tot stand worden gebracht door bijvoorbeeld de eerder genoemde kortsluiting of door kleine vonkjes die ontstaan bij statisch geladen objecten die tegen elkaar aanwrijven en zo statische elektriciteit veroorzaken. De ontsteking zorgt er voor dat een stof in brand wordt gestoken. Er is echter meer nodig dan alleen een brandbare stof en een ontsteking. Dit lees je in de volgende alinea waar de branddriehoek aan de orde komt.

Branddriehoek
Een branddriehoek is een visualisatie van de aspecten die nodig zijn om een brand te krijgen en in stand te houden. Een branddriehoek bestaat uit drie elementen of onderdelen:

  • Brandbare stof. Dit kan een vaste stof zijn, een gasvormige stof, metaal of vet-zoals frituurvet. Elke brandbare stof heeft een bepaald vlampunt. Het vlampunt van stoffen verschilt onderling.
  • Warmte waarmee een stof kan worden ontstoken. Deze warmte moet in ieder geval net zo hoog zijn als het vlampunt van de stof om deze stof in brand te kunnen laten vliegen.
  • Zuurstof is een belangrijke voorwaarde voor een brand. Bij een gebrek aan zuurstof of het ontbreken van zuurstof is een brand niet mogelijk. Tijdens een brand wordt ook zuurstof verband. Als een brand in een besloten ruimte, slecht geventileerde ontstaat zal deze brand het zuurstofpercentage omlaag brengen en daarnaast voor rookontwikkeling zorgen. Dit is een levensgevaarlijke situatie.

Vlampunt van stoffen in klassen ingedeeld
Stoffen kunnen worden ingedeeld in verschillende klassen als het gaat om het vlampunt. De volgende groepen zijn mogelijk:

  • K0: Dit zijn zeer licht ontvlambare stoffen. Het vlampunt van deze stoffen is lager dan 0 graden Celsius en kookpunt is lager dan 35 graden Celsius.
  • K1: Dit zijn licht ontvlambare stoffen. Deze stoffen hebben een vlampunt tussen 0 graden Celsius en 21 graden Celsius.
  • K2: Dit zijn ontvlambare stoffen. Het vlampunt van deze stoffen licht tussen de 21 graden Celsius en 55 graden Celsius.
  • K3: dit zijn brandbare stoffen. Deze stoffen hebben een vlampunt dat hoger licht dan 55 graden Celsius.

Hoe lager het vlampunt van een stof is hoe groter het brandgevaar van deze stof is. Als verschillende stoffen met elkaar vermengd zijn in bijvoorbeeld de atmosfeer dan moet men in het kader van het brandgevaar rekening houden met de stof die het laagste vlampunt heeft.

Wat is ergonomie?

Ergonomie is het ontwerpen, ontwikkelen, aanpassen en gebruiken van machines, werktuigen, meubilair en andere elementen van de werkplek op basis van de eigenschappen en fysieke mogelijkheden van mensen zodat de kans op gezondheidsproblemen zo klein mogelijk wordt gemaakt. Ergonomie kan ook worden beschouwd als de wetenschappelijke studie van mensen in relatie tot hun omgeving. Deze omgeving kan zowel de thuissituatie zijn als de werkomgeving oftewel de arbeidsomstandigheden.

Wat betekend ergonomie?
Het woord ergonomie is ontleend aan de Griekse woorden ‘ergon’ dat vertaald kan worden met het Nederlandse woord ‘werk’ en Griekse woord ‘nomos’ dat staat voor het Nederlandse woord ‘wet’. Men zou ergonomie op basis van deze verklaring letterlijk kunnen vertalen met de: ‘wet van het werk’. Als men het in Nederland heeft over de wet van het werk of arbeidsomstandigheden dan heeft men het over de Arbeidsomstandighedenwet die ook wel Arbowet wordt genoemd.

Arbowet
In de Arbowet heeft de Nederlandse overheid allemaal regels opgesteld met betrekking tot het beschermen van de veiligheid, gezondheid en het welzijn van de werknemers. Een werkplek en de arbeidsomstandigheden moeten in Nederland dus veilig zijn en de gezondheid van de werknemer niet in gevaar brengen. een goed ergonomisch ontwerp van werktuigen, gereedschappen en meubilair op de werkplek kan in belangrijke mate bijdragen aan het voorkomen van fysieke klachten van werknemers. Daarom zijn bedrijven verplicht om bij het indelen van de werkplek en het beschikbaar stellen van machines en gereedschappen zoveel mogelijk rekening te houden met de capaciteiten en mogelijkheden van de werknemers.

De Arbowet is een raamwet en bevat daardoor algemene regels met betrekking tot de veiligheid van werknemers en welke verplichtingen in dit kader aan werkgevers worden gesteld. Naast de Arbowet is er ook een Arbobesluit dit besluit is gebaseerd op de Arbowetgeving. Een groot deel van de meer dan 400 artikelen over arbeidsomstandigheden in het Arbobesluit gaan over de Europese Arbowetgeving.

De uitwerking van de Arbeidsomstandighedenwet en het Arbobesluit wordt geboden door de Arboregeling. De Arboregeling bevat een aantal een uitwerking van een aantal onderdelen van het Arbeidsomstandighedenbesluit. Hierin staan bijvoorbeeld een aantal bepalingen met betrekking tot meubilair, apparatuur en programmatuur. Ook de keuring van hijskranen en andere gereedschappen is hierin vastgelegd evenals de taken van de arbodienst.

Wat is een ergonomisch ontwerp?
Een ergonomisch ontwerp is een ontwerp van een product, machine, werktuig of meubel waarbij zoveel mogelijk is rekening gehouden met de afmetingen, capaciteiten en beperkingen van de persoon die ze gebruikt. Men kan bijvoorbeeld stoelen ontwerpen die perfect aansluiten op het lichaam of juist goed ingesteld kunnen worden zodat mensen de stoel zelf kunnen aanpassen aan de beste zithouding voor hun lichaam. Verder kunnen ook de handvaten van gereedschappen zo worden ontworpen dat er voldoende grip is voor de werknemer die ze hanteert. Werknemers kunnen ook een verschillende werkhoogte hebben waardoor in hoogte verstelbare werktafels bij veel bedrijven een belangrijk onderdeel vormen van het ergonomisch verantwoord werken.

Niet alleen stoffelijke zaken kunnen ergonomisch verantwoord zijn, bedrijven kunnen ook met hun bedrijfsbeleid duidelijk rekening houden met ergonomie en de taken en opdrachten aan de mens aanpassen in plaats van andersom. Op die manier kan ook de bedrijfsvoering ergonomisch zijn ‘ontworpen’. Men kan dus ergonomie in een aantal groepen indelen. In de volgende alinea’s wordt eerst de fysieke ergonomie behandeld, daarna cognitieve ergonomie en tot slot organisatie ergonomie.

Fysieke ergonomie
Fysiek is een ander woord voor lichamelijk. Als men het heeft over fysieke ergonomie dan heeft men het over de daadwerkelijke vormgeving van meubels, gereedschappen en machines. Ook woningen, trappen en deuren vallen onder de fysieke ergonomie. Fysieke ergonomie komt ook aan de orde bij de inrichting van auto’s, vliegtuigen, boten, treinen en andere vervoersmiddelen. Vervoersmiddelen die volledig met spierkracht van een mens worden aangedreven zoals een fiets zullen ontworpen zijn met een goed ergonomisch inzicht.

Op de werkplek wordt als het goed is ook aandacht besteed aan fysieke ergonomie. Werknemers moeten bijvoorbeeld op een ergonomisch verantwoorde bureaustoel werken en moeten een goed beeldscherm hebben. Bij zwaar werk waarbij producten van meer dan 23 kilogram of 25 kilogram worden getild zal een bedrijf hefmiddelen en hijsmiddelen beschikbaar moeten beschikbaar stellen. Werktafels moeten op de ideale werkhoogte van de werknemer(s) worden afgesteld. Een ander belangrijk aspect dat vaak vergeten wordt is verlichting. Een goede verlichting en vooral veel daglicht is goed voor de gezondheid van de werknemers en daarnaast bevorderlijk voor de kwaliteit van het werk omdat werknemers een beter zicht hebben op het werk. Dit is ook het geval met temperatuur en luchtvochtigheid. Ook deze factoren zijn van groot belang voor de gezondheid van de werknemer hoewel deze aspecten niet direct kunnen worden verwerkt in een ergonomisch ontwerp.

Cognitieve ergonomie
Cognitieve aspecten hebben te maken met het verstand en het nadenken van mensen. Als men het heeft over cognitieve ergonomie dan doelt men op het aanpassen van informatie en informatiebronnen op het denkvermogen en opleidingsniveau van de werknemers. Ook heeft men het hierbij over een bepaalde logica kortom informatie moet daar kunnen worden aangetroffen waar men logischerwijs naar de informatie zal zoeken. Hierbij kan men bijvoorbeeld denken aan handleidingen waarin de benodigde informatie effectief gevonden kan worden en voorzien is van duidelijke afbeeldingen met een begrijpelijke toelichting. Verder zijn ook duidelijke instructies van belang deze instructies kunnen naast mondeling ook schriftelijk worden gegeven en vastgelegd.

Daarnaast is ook afwisseling tussen taken belangrijk voor de gezondheid van werknemers. Eentonig werk moet vermeden worden. Eentonig werk is niet alleen geestdodend het is vaak ook fysiek belastend omdat door langdurig werken in een statische houding ook de statische belasting van het lichaam toeneemt.

Organisatie-ergonomie
In de cultuur van het bedrijf en de beleidsvoering dient ook aandacht te zijn voor ergonomie. Hierbij heeft men het onder andere over een goede werksfeer en goede communicatielijnen tussen uitvoerende werknemers en hun leidinggevenden. Wanneer werknemers hun werkplek willen aanpassen om de fysieke belasting te verminderen dan moet daar binnen de organisatie een mogelijkheid voor zijn. Dat vergt vaak een ergonomisch beleid.

Datzelfde geld voor het werken in ploegendiensten. Werk in ploegendienst en onregelmatige diensten is meestal niet bevorderlijk voor de gezondheid voor de werknemers. Daarom moet een organisatie rekening houden met het dag-nachtritme van een mens. Als dit niet mogelijk is zal een organisatie er voor moeten zorgen dat het werken in ploegen zo weinig mogelijk gezondheidsschade oplevert voor de werknemers. Werknemers moeten voldoende rust krijgen.

In een ideale organisatie-ergonomie kan een werknemer de werkzaamheden aanpassen op zijn of haar privé-situatie. De balans tussen werk en privé wordt steeds belangrijker in de meeste organisaties. Dat zorgt er voor dat werknemers bijvoorbeeld ook thuis kunnen werken. Het thuis werken biedt echter ook nadelen voor de ergonomie. Een werkgever weet namelijk niet hoe iemand thuis werkt achter zijn of haar bureau. Daardoor weet een werkgever ook niet of de werknemer ergonomisch verantwoord werkt.

Ergonomie voor werkgever en werknemer
Ergonomie is echter ook een aspect van het werk waar een werknemer ook effectief mee bezig moet. Werknemers moeten er namelijk voor zorgen dat ze de arbeidsmiddelen die beschikbaar zijn gesteld door de werkgever op de juiste manier gebruiken. Ook persoonlijke beschermingsmiddelen moeten juist worden gebruikt en goed worden afgestemd op het lichaam van de persoon die ze draagt. Een werkgever is volgens de Arbowet verplicht om de werknemer de arbeidsmiddelen te verstrekken die voldoen aan ergonomische richtlijnen en de werknemer zal deze arbeidsmiddelen op de juiste manier moeten gebruiken.

Aandachtspunten bij gebruik veiligheidshelmen, stootcaps en stoothelmen

Veiligheidshelmen, stootcaps en stoothelmen zijn persoonlijke beschermingsmiddelen die de drager moeten beschermen tegen beschadiging van het hoofd tijdens het uitvoeren van werkzaamheden. Er zit een verschil tussen deze verschillende persoonlijke beschermingsmiddelen die op het hoofd moeten worden gedragen.

Verschil tussen een veiligheidshelm en stoothelmen / stootcaps
Een veiligheidshelm is een vrij algemene benaming die wordt gebruikt voor bouwhelmen. De standaard bouwhelm is speciaal ontwikkeld voor het beschermen van het hoofd tegen vallende voorwerpen. Daarvoor heeft een bouwhelm een harde buitenschaal en een verend binnenwerk.

Een stoothelm of stootcap is hoofdbescherming die wordt gedragen om het hoofd te beschermen tegen letsel ten gevolge van het stoten van het hoofd. Dit noemen ze ook wel stootgevaar en kan bijvoorbeeld aan de orde komen als werknemers werken in ruimte met lage plafonds. Een stoothelm of stootcap is niet geschikt voor het verwerken van klappen ten gevolge van vallende voorwerpen op het hoofd.

Aandachtspunten voor veiligheidshelmen
Voor veiligheidshelmen zijn een aantal specifieke veiligheidsrichtlijnen ontwikkeld. Deze veiligheidsrichtlijnen zorgen er voor dat de veiligheidshelm in de praktijk zo goed mogelijk gedragen kan worden en zoveel mogelijk bescherming biedt. We noemen een aantal belangrijke veiligheidsrichtlijnen:

  • Draag altijd een bouwhelm als dit verplicht is op de werklocatie. Je weet of dit verplicht is door de werkinstructie die je van je leidinggevende hebt ontvangen. Daarnaast is op veel bouwlocaties een rond blauw bord met een wit gezicht met helm geplaatst waarmee duidelijk wordt gemaakt dat het dragen van een veilige bouwhelm verplicht is.
  • Zorg dat de veiligheidshelm goed is afgesteld op het hoofd van de drager. De buitenzijde kan niet gewijzigd worden maar het binnenwerk kan wel goed worden versteld.
  • De levensduur van kunststofhelmen is beperkt en is vastgesteld op 3 tot 10 jaar. Dit is afhankelijk van het soort kunststof. Een bouwhelm dient een aanduiding te bevatten waarmee wordt duidelijk gemaakt tot welke datum de helm veilig gebruikt kan worden.
  • De bouwhelm moet regelmatig worden gecontroleerd op beschadigingen zoals scheurtjes en diepe krassen. Deze beschadigingen kunnen zowel aan de buitenkant als aan de binnenkant de veiligheid van de bouwhelm in gevaar brengen. Bij duidelijke beschadigingen moet de bouwhelm vervangen worden.
  • Bouwhelmen moeten worden vervangen nadat ze een harde klap hebben gekregen. Ook wanneer een bouwhelm is gevallen op een harde ondergrond dient de bouwhelm vervangen te worden. Schade aan de bouwhelm is soms niet direct zichtbaar na een val of harde klap maar deze schade kan inwendig wel aanwezig zijn. Daardoor kan de sterkte van de bouwhelm toch aanzienlijk zijn verminderd en is het niet meer veilig om de bouwhelm te gebruiken.
  • Een andere veiligheidsrichtlijn is het beschermen van bouwhelmen tegen UV licht. UV licht zorgt er voor dat het kunststof van de bouwhelm verouderd en daardoor mechanisch minder sterk wordt. Bouwhelmen moeten daarom niet in de zon worden neergelegd en niet op een zonnige plek worden bewaard. Dit houdt ook in dat bouwhelmen niet op de hoedeplank in een auto moeten worden bewaard.
  • Verder dienen er op bouwhelmen geen stickers te worden aangebracht of andere wijzigingen te worden aangebracht waarbij lijm of een plakmiddel wordt gebruikt. Lijm en plakmiddelen zorgen er namelijk voor dat het kunststof waarop ze zijn aangebracht wordt aangetast.

Wie is verantwoordelijk voor de veiligheidshelm?
De werkgever is verplicht om aan zijn medewerkers veiligheidshelmen beschikbaar te stellen. Werknemers zijn verplicht om de veiligheidshelm te dragen als dit voorgeschreven is. Daarnaast zijn werknemers verplicht om zorgvuldig met de bouwhelm om te gaan. Bouwhelmen of veiligheidshelmen moeten conform bovenstaande richtlijnen worden behandeld en gedragen. Wanneer een veiligheidshelm kapot is of om een andere reden onveilig is zal de werknemer deze moeten inleveren bij de werkgever en een nieuwe veiligheidshelm moeten ontvangen om de werkzaamheden veilig te kunnen hervatten.

Wat zijn onafhankelijke adembeschermingsmiddelen?

Onafhankelijke adembeschermingsmiddelen voeren schone lucht aan in de maskers van de dragers van deze persoonlijke beschermingsmiddelen. Onafhankelijke adembeschermingsmiddelen filteren de lucht dus niet in tegenstelling tot afhankelijke adembescherming waarbij de lucht uit de atmosfeer wordt gefilterd door filters die afgestemd zijn op het soort stof of het soort gas dat aanwezig is in de atmosfeer van de werkplek waar de werknemer de werkzaamheden moet uitvoeren. Er zijn duidelijke richtlijnen voor de arbeidsomstandigheden waarin werknemers verplicht zijn om adembescherming te dragen en werkgevers uiteraard verplicht zijn om adembescherming te verstrekken.

Risico Inventarisatie en Evaluatie
De werkgever heeft in een Risico Inventarisatie en Evaluatie of een Taak Risico Analyse door specialisten laten uitzoeken welke risico’s op de werkplek aanwezig (kunnen) zijn. Daarbij kunnen ook schadelijke stoffen en gassen in de atmosfeer geconstateerd zijn. Bedrijven zullen deze schadelijke elementen op de werkplek allereerst bij de bron moeten bestrijden. Dit houdt in dat de stoffen van de werkplek of werkvloer verwijderd moeten worden. Soms is het werken met gevaarlijke stoffen onlosmakelijk verbonden met de bedrijfsprocessen en zal een bedrijf technische maatregelen moeten treffen om de mens, dus ook de werknemer, zoveel mogelijk van de bron te scheiden. Als bronmaatregelen en technische maatregelen niet of slechts beperkt mogelijk zijn zal een bedrijf persoonlijke beschermingsmiddelen moeten verplichten en verstrekken. Er zijn een aantal situaties waarin onafhankelijke adembescherming zal moeten worden gebruikt op de werkvloer. Deze situaties staan in de alinea hieronder.

Wanneer moet onafhankelijke adembescherming worden gebruikt?
Onafhankelijke adembescherming zorgt er voor dat de werknemer schone lucht met voldoende zuurstof krijgt aangevoerd in een masker. Deze adembescherming is verplicht in de volgende situaties:

  • Als er minder dan 19% zuurstof in de atmosfeer aanwezig is op de werkplek. Dan is er namelijk kans op verstikking en zal de werknemer extra zuurstof doormiddel van onafhankelijk adembescherming toegediend moeten krijgen.
  • Als er grote concentraties van gevaarlijke stoffen in de lucht aanwezig zijn. Dit kunnen zowel bekende als onbekende schadelijke stoffen zijn. Als de concentratie van schadelijke stoffen boven de wettelijk vastgestelde grenswaarde uitkomt (voorheen MAC waarde) dan moet onafhankelijke adembescherming worden gedragen.

Kenmerken van onafhankelijke adembescherming
Onafhankelijke adembescherming kan verschillende kenmerken hebben en op verschillende manieren worden gedragen. We noemen een aantal voorbeelden:

  • Er is onafhankelijke adembescherming die los over het hoofd gedragen kan worden met steunen op de schouders.
  • Schonen lucht wordt in de luchtkap gebracht doormiddel van een slang.
  • Aan de onderkant van de kap kan de uitgeademde lucht worden afgevoerd.
  • Onafhankelijke adembescherming moet goed aansluiten op het gezicht. Daarom mag men geen baard dragen als men gebruik maakt van deze adembescherming.
  • Er kan gebruik worden gemaakt van perslucht in persluchtflessen maar men kan ook een lange slang toepassen waardoor lucht wordt toegevoerd vanaf een ander punt.

Verschillende soorten onafhankelijke adembescherming
Er zijn verschillende typen onafhankelijke adembescherming. Adembescherming kan worden onderverdeeld in drie hoofdgroepen. Dit zijn de volgende:

  • Ademluchttoestel: deze variant van onafhankelijke adembescherming dient te worden gebruikt door werknemers die hiervoor een speciale training hebben gevolgd. Bij deze adembescherming wordt gebruik gemaakt van ademlucht uit flessen. Deze ademlucht is onder hoge druk in de flessen aanwezig maar wordt gedoseerd naar het masker gevoerd. Het gebruik van een ademluchttoestel is de veiligste onafhankelijke adembescherming die gebruikt kan worden in zuurstofarme ruimten. Een ademluchttoestel geeft de gebruiker schone lucht zonder dat de gebruiker sterk wordt gehinderd in de bewegingsvrijheid. Een nadeel is dat de flessen schone lucht opraken en dat daardoor maar een bepaalde periode met een ademluchttoestel kan worden gewerkt,
  • Kringloopademtoestel: dit is een zuurstofgenererend masker en wordt in de praktijk gebruikt als vluchtmasker. Dit houdt in dat dit masker niet gebruikt wordt om mee te werken maar voor noodgevallen. Als er bijvoorbeeld in een bepaalde ruimte schadelijke stoffen in de atmosfeer terecht komen dan kunnen de aanwezige mensen een kringloopademtoestel (mits deze aanwezig is) gaan dragen en zich zo snel mogelijk in veiligheid brengen.
  • Aansluiting op een ademluchtleidingnet: dit systeem van onafhankelijke adembescherming werkt met leidingen waardoor schone lucht wordt getransporteerd naar het masker van de werknemer. De ademluchtleidingen hebben een belangrijk voordeel en een belangrijk nadeel. Het voordeel is dat ademluchtleidingen voortdurend schonen lucht kunnen transporteren en niet leeg kunnen raken zoals wel het geval is bij een ademluchttoestel. Een nadeel is echter dat de bewegingsvrijheid van de drager van deze adembescherming wel ernstig wordt beperkt. De lengte van de luchtslang bepaald namelijk hoe ver iemand kan lopen vanaf de installatie waardoor de schone lucht wordt binnengebracht in de luchtslang. De actieradius is dus beperkter dan wanneer men werkt met een ademluchttoestel.

Maskers voor onafhankelijke adembescherming
Voor onafhankelijke adembescherming wordt gebruik gemaakt van verschillende soorten maskers. We noemen twee voorbeelden:

Luchtkappen: een luchtkap wordt over het hoofd van de drager heen geplaatst en tegen de borst luchtdicht afgesloten. Luchtkappen kunnen worden gebruikt voor onafhankelijke adembescherming en voor afhankelijke adembescherming. Bij onafhankelijke adembescherming wordt gebruik gemaakt van externe schone lucht die wordt toegevoerd uit flessen of een luchtslang die aangesloten is op een compressor. Bij afhankelijke adembescherming worden de luchtkappen aangesloten op filters.

Volgelaatsmasker: een volgelaatsmasker is meestal van rubber gemaakt. via een ademautomaat of compressor wordt lucht toegevoerd naar dit masker. Een volgelaatsmasker beschermd de ogen ook met een doorzichtig ruit dat gemaakt is van stevig materiaal.

Verschillende soorten filters voor afhankelijke adembescherming

Filtermaskers en andere soorten filtersystemen worden gebruikt als afhankelijke adembescherming voor werknemers. Met afhankelijke adembescherming wordt bedoelt dat de filters geen externe schone lucht toevoeren maar alleen de lucht uit de atmosfeer rondom de werknemer of werkneemster filteren. Filters zijn er in verschillende soorten zo zijn er bijvoorbeeld gasdampfilters en stoffilters. Een gasfilter wordt gebruikt voor het filteren van schadelijke gassen dit houdt in dat een gasfilter niet geschikt is voor het filteren van stof. Een stoffilter is geschikt voor het filteren van stof en niet voor het filteren van gas. Net als bij andere persoonlijke beschermingsmiddelen is het belangrijk dat men het juiste persoonlijke beschermingsmiddel gebruikt voor bepaalde werkzaamheden. Filterklassen

Filterklassen voor stoffilters
Er zijn verschillende soorten filterklassen waarin stoffilters worden ingedeeld:

  • P1 filtermasker: deze filtermaskers worden gebruikt bij niet schadelijk inert stof dat zweeft in de atmosfeer.
  • P2 filtermasker: deze filtermaskers worden gebruikt bij schadelijke stoffen.
  • P3 filtermasker: filters in deze categorie gebruikt bij (bepaalde) giftige stoffen.

Filterklassen voor gasfilters
Gasfilters zijn ontwikkeld om bescherming te bieden tegen schadelijke gassen en worden dus niet tegen stof. We kennen de volgende indeling van gasfilters naar formaat.

  • K1: klein
  • K2: middel
  • K3: groot

Gasfilters beschermen de drager tegen een specifiek gas of tegen een specifieke groep gassen en hebben naast de bovengenoemde code ook een kleurcode en een lettercode. We noemen een aantal voorbeelden:

  • B: grijze kleur: is voor zure gassen.
  • E: gele kleur: is voor zwaveldioxide.
  • K: groene kleur: is voor ammoniak.

Risico Inventarisatie en Evaluatie
Werkgevers hebben doormiddel van een verplichte Risico Inventarisatie en Evaluatie een goed beeld kunnen krijgen van de risico’s in het bedrijf dus ook de aanwezigheid van schadelijke stoffen. Bedrijven zijn verplicht deze risico’s bij de bron te bestrijden. Bij bronbestrijding verwijderen bedrijven de schadelijke stoffen en gassen maar dat is niet altijd mogelijk. Een tweede oplossing is het toepassen van technische maatregelen zoals het afzuigen van stof en gassen bij de bron. Hierdoor komen minder schadelijke stoffen in de atmosfeer. Vaak zijn technische maatregelen wel mogelijk. Denk hierbij aan de boormachines met afzuiging conform de stand der techniek die op bouwlocaties worden gebruikt. Vaak worden naast technische maatregelen ook persoonlijke beschermingsmiddelen verstrekt om te voorkomen dat de stoffen die niet worden opgevangen door de afzuiginstallaties worden ingeademd door de werknemers. Er zijn echter verschillende soorten filtersystemen. Hieronder worden in een aantal alinea’s verschillende filters behandeld.

Snuitje
Een snuitje is de meest eenvoudige filter. Deze filter is gemaakt van papier of van textiel. Een snuitje is rond van vorm en bevat een elastiek waarmee het snuitje achter de oren of om het hoofd kan worden gedragen. Een snuitje is rond, loopt bol en past daardoor precies over de neus en mond van de drager. Bovendien bevat een snuitje ook een klein buigbaar stukje metaal waardoor het snuitje goed om de neus van de drager kan worden gekneld. Snuitjes zijn eenvoudige filters en zijn vaak heel goedkoop. Het zijn wegwerpfilters die men na gebruik weg moet gooien. Er zijn verschillende soorten fijnstofsnuitjes, deze bevatten een  P1-filter, P2- filter of P3-filter

Inlegfilters

Inlegfilters worden is maskers geplaatst en bieden bescherming tegen grof en fijn stof. De inlegfilters zijn er in verschillende soorten. Er zijn inlegfilters met een P1-, P2- en P3-variant. Deze filters zijn geschikt voor stof en bieden geen bescherming tegen gassen of dampen.

Schroeffilters
Halfgelaatsmaskers en volgelaatsmaskers zijn meestal van rubber of kunststof gemaakt en hebben aan de onderkant een opening met binnenschroefdraad. Daarin kan een schroeffilter worden geplaatst. Deze schroeffilters zijn er in verschillende soorten er zijn schroeffilters in een P1-, P2- en P3-uitvoering. Schroeffilters kunnen tegen stof beschermen maar ook tegen gassen of dampen. Lees echter goed de beschrijving en aanduiding op de filterbussen voordat je deze in het gelaatsmasker plaatst.

Afhankelijk adembescherming: filtermaskers met stoffilters en gasdampfilters

Filtermaskers met stoffilter of met een gas/ dampfilter vallen onder de afhankelijke adembescherming. Dit houdt in dat de persoon die deze filtermaskers draagt nog steeds dezelfde lucht inademt als de atmosfeer om hem of haar heen. Het enige verschil is dat deze lucht in een bepaalde mate gefilterd wordt door de filters in het filtermasker. Filtermaskers leveren geen (extra) zuurstof en zuiveren de lucht door de verontreinigingen er uit te filteren.

Gebruik van filters
Het gebruik van filters is verplicht als er sprake is van een concentratie van verontreiniging die hoger is dan de grenswaarde. Filtermaskers kunnen worden gebruikt tijdens het uitoefenen van werkzaamheden maar ook tijdens het vluchten in noodsituaties. Filtermaskers zijn persoonlijke beschermingsmiddelen. Deze beschermingsmiddelen zijn belangrijk omdat hiermee de gezondheid van werknemers en andere personen kan worden beschermd. Bedrijven kunnen er echter veel beter voor zorgen dat er een bronaanpak wordt uitgevoerd op basis van de Risico Inventarisatie en Evaluatie. Door een bronaanpak wordt het ontstaan van giftige of schadelijke stoffen voorkomen. Dit kan door deze stoffen niet meer te gebruiken, niet meer te verwerken of niet meer te bewerken. Dit is echter lang niet altijd mogelijk. Ook technische maatregelen zoals voldoende afzuiging van schadelijke stoffen is in de praktijk niet altijd haalbaar of wordt gedaan in combinatie met het verstrekken van persoonlijke beschermingsmiddelen zoals filtermaskers. Er zijn echter verschillende filterklassen. We geven hieronder een overzicht.

Beschermingsklasse van stoffilters
Stofmaskers bevatten een aanduiding die de beschermingsklasse inzichtelijk maakt. Deze aanduiding begint met de letters FFP. Deze letters staan voor de Engelse woorden Filtering FacePiece Particals. Deze code wordt gevolgd door een cijfer zodat bijvoorbeeld de code FFP 1, FFP 2 en FFP3. Deze code houdt verband met de grenswaarde oftewel de WNG (Wettelijke Nederlandse Grenswaarde). De stoffilters worden ook wel aangeduid met een P-code. Zie onderstaand voorbeeld voor het verband tussen de codes:

P1 of FF1 filtermasker: wordt gebruikt bij inert niet schadelijk zwevend stof. Dit filtermasker biedt maximaal bescherming tot 4 keer de WNG.

P2 of FFP2 filtermasker: wordt gebruikt bij schadelijke stoffen. Dit filtermasker biedt tot maximaal 10 keer de WNG.

P3 of FFP3 filtermasker: wordt gebruikt bij giftige stoffen. Dit filtermasker biedt bescherming tot maximaal 50 keer de WNG. Het gaat hierbij om gevaarlijke stoffen die kanker kunnen verwekken of gevaarlijke  virussen en bacteriën.

LET OP! Kies nooit zelf een filtermasker uit voordat je een ruimte betreed waar gevaarlijke stoffen aanwezig kunnen zijn. Specialisten moeten in de Risico Inventarisatie en Evaluatie de giftige stoffen hebben onderzocht en moeten beoordeeld hebben hoe de concentratie van deze giftige stoffen zich verhoudt tot de grenswaarde (of MAC waarde) van de desbetreffende stof. Deze specialisten zullen na hun onderzoek ook advies uitbrengen over de beheersing van de risico’s en aanbevelingen doen voor bepaalde adembescherming. Bij zeer gevaarlijke stoffen kan men in een aantal gevallen beter kiezen voor onafhankelijke adembescherming dan voor filtermaskers.

Gasdampfilters zijn ingedeeld naar opnamevermogen:
Gasdampfilters zijn ingedeeld naar opnamevermogen van de filter en ook naar het soort damp-gas dat door de filter wordt weerhouden. Gasfilters bieden bescherming tegen schadelijke gassen dus niet tegen stof. We kennen de volgende indeling naar formaat.

K1: klein
K2: middel
K3: groot

Gasfilters beschermen tegen een specifiek gas of tegen een specifieke groep gassen en hebben naast de bovengenoemde code ook een kleurcode en een lettercode. We noemen een aantal voorbeelden:

B: grijze kleur: is voor zure gassen.
E: gele kleur: is voor zwaveldioxide.
K: groene kleur: is voor ammoniak.

Volg de richtlijnen nauwkeurig op!
Bij gasdampfilters geldt net als bij de waarschuwing uit de alinea waarin de stoffilters werden behandelt dat alleen een expert de juiste inschatting kan maken welke adembescherming gebruikt moet worden. Volg de richtlijnen van deze experts altijd op. Indien je twijfels hebt over je veiligheid of gezondheid kun je contact opnemen met je leidinggevende. Hij of zij zal serieus moeten omgaan met je klachten want een werkgever is in belangrijke mate verantwoordelijk voor het welzijn van de werknemers. De werknemers zijn echter verplicht om de juiste persoonlijke beschermingsmiddelen te dragen. Zorg er daarom voor dat je ook de juist persoonlijke beschermingsmiddelen gaat dragen op het gebied van adembescherming. Je bent dit verplicht en daarnaast red je jouw eigen gezondheid en zelfs je eigen leven hiermee.

Wat is gelaatsbescherming?

Gelaatsbescherming is een verzamelnaam voor verschillende persoonlijke beschermingsmiddelen die speciaal zijn ontwikkeld voor het beschermen van de ogen en het gezichtsvermogen van de drager. Er zijn verschillende soorten gelaatsbescherming. Daarom kan men niet zeggen dat elke vorm van gelaatsbescherming de gewenste bescherming biedt tegen het mogelijke gevaar voor de ogen. Hieronder is een overzicht gegeven van een aantal soorten gelaatsbescherming. Daarnaast is per soort gelaatsbescherming aangegeven voor welk doel de gelaatsbescherming ontwikkeld is en gebruikt moet worden.

Belang van gelaatsbescherming
Gelaatsbescherming is belangrijk en kan letterlijk de ogen van de werknemer redden van blindheid of andere ernstige schade aan het gezichtsvermogen. Het dragen van gelaatsbescherming is daarom een verplichting waar werknemers zeker niet te makkelijk over moeten denken. Overigens wordt gelaatsbescherming als het goed is door de werkgever verstrekt. De werkgever is dit namelijk volgens de Arbowet verplicht wanneer er een kans bestaat dat de werknemer zijn of haar ogen tijdens het verblijf binnen het bedrijf beschadigd raken. De werknemer is volgens dezelfde Arbowet verplicht om de voorgeschreven persoonlijke beschermingsmiddelen te dragen en naar behoren te onderhouden.

Verschillende soorten gelaatsbescherming
Er zijn verschillende soorten gelaatsbescherming. Elke soort gelaatsbescherming is specifiek ontworpen om een bepaald soort risico voor het gezichtsvermogen te beperken. We noemen hieronder een aantal voorbeelden van algemene gelaatsbescherming zoals de veiligheidsbril maar er worden ook specifieke soorten gelaatsbescherming benoemd zoals een laskap.

Veiligheidsbril
Veiligheidsbillen zijn stevige brillen die vaak naast een doorzichtige glazen ook een doorzichtige montuur hebben. Deze brillen zijn gemaakt van onbrandbaar materiaal. De glazen zijn gemaakt van kunststof of gehard glas. Veiligheidsbrillen kunnen worden uitgevoerd met of zonder zijkapjes. De zijkapjes aan de zijkant van de brillenglazen bieden extra bescherming. Een veiligheidsbril is ontwikkeld om de ogen te beschermen tegen rondvliegende harde deeltjes zoals houten spaantjes die tijdens het beitelen kunnen wegschieten.

Ruimzichtbril
Een ruimzichtbril een veiligheidsbril alleen bevat deze een beschermrand die er voor zorgt dat de bril geheel tegen het gezicht kan worden gedrukt. Met andere woorden er zit geen ruimte tussen de randen van de ruimzichtbril en het gezicht van de drager. Er zijn echter wel volledig stofdichte ventilatieopeningen in de opstaande rand aangebracht. Ruimzichtbrillen bieden bescherming tegen spaantjes, stof, vloeistofspatten en slijpsel. Ruimzichtbrillen worden onder andere veel gebruikt in een stoffige omgeving.

Gelaatscherm/ gelaatsscherm
Een gelaatscherm wordt ook wel geschreven als gelaatsscherm (met dubbel ‘s’) en is groot scherm van kunststof of metaalgaas. Het materiaal waarvan het gelaatsscherm is gemaakt is afhankelijk van de bescherming die het gelaatsscherm moet bieden. Metaalgaas bied bijvoorbeeld nauwelijks bescherming tegen spatten van gevaarlijke vloeistoffen maar is wel sterker dan de meeste kunststof gelaatsschermen en kan daardoor zeer effectief worden gebruikt door werknemers die hout verzagen met bijvoorbeeld kettingzagen. Gelaatschermen die bestaan uit een dicht maar wel doorzichtig scherm van kunststof zijn heel geschikt om als men moet werken met bepaalde soorten gevaarlijke vloeistoffen. Ook zijn deze gelaatschermen een goede bescherming voor het werken met hoge drukreinigingsapparatuur en in een omgeving waar stofdeeltjes in het gezicht kunnen springen. Een gelaatsscherm biedt echter geen bescherming tegen stofdeeltjes die onder het masker schieten ook bied teen gelaatsscherm geen bescherming tegen schadelijk nevel of dampen die vrijkomen bij bepaalde stoffen. Als deze risico’s op de werkplek aanwezig zijn zal men daarvoor een passende gelaatsbescherming moeten gebruiken.

Laskap en lasmasker
Laskappen en lasmaskers bieden bescherming tegen elektrisch lassen en tegen ultraviolette en infrarode straling, warmte en rondvliegende metaaldeeltjes en vonkjes. Er zijn verschillende soorten laskappen en lasmaskers die in de praktijk worden gebruikt. Zo is een handlaskap. Een handlaskap wordt met één hand vastgehouden. Dit beperkt de bewegingsvrijheid van de lasser. Daarnaast is een handlaskap alleen geschikt als men met lassen maar 1 hand hoeft te gebruiken zoals bij MIG/MAG lassen en BMBE lassen het geval is.

Naast de handlaskap is er ook een laskap die op het hoofd gedragen kan worden en voor het gezicht kan worden gedraaid. Verder zijn er laskappen onder de naam Speedglas™ deze hebben bijzondere lasglaasjes die verdonkeren en de ogen beschermen zodra de lastoorts aan schiet. Als de lastoorts wordt uitgeschakeld zal het lasgaasje weer goed doorzichtig worden zodat men niet telkens de laskap omhoog en omlaag hoeft te doen. Een Speedglas™ wordt ook wel een flitskap genoemd omdat deze verdonkert door de lichtflits van het lasproces. Deze laskappen worden ook wel geleverd met een beademingssysteem waarbij de lasser frisse schone lucht toegediend krijgt in de laskap en daardoor veel minder schadelijke lasdampen inademt.

Beeldschermbril
Ook een beeldschermbril is een beschermingsmiddel voor de ogen. Deze brillen zijn over het algemeen gemaakt van kunststof. Een beeldschermbril speciaal ontwikkeld om ogen minder zwaar te belasten als mensen veelvuldig gebruik maken van beeldschermen. Wanneer men namelijk veel gebruik maakt van beeldschermen kunnen ogen vermoeit en geïrriteerd raken. Beeldschermbrillen worden vooral gebruikt in kantoorfuncties en ICT-functies. Deze brillen bieden verder geen bescherming die in de techniek van pas kan komen en zijn dus alleen geschikt als ‘veiligheidsbril’ bij beelschermgebruik.

Wat is ioniserende straling?

Ioniserende straling is een straling die voldoende energie bevat om een elektron uit de buitenste schil van een atoom weg de schieten. Door het wegslaan van de elektron krijgt het atoom een positieve lading in plaats van een neutrale lading. Dit effect zorgt er voor dat een atoom wordt geïoniseerd. Het atoom verandert dan in een ion dit is een elektrisch geladen atoom. Ioniserende straling is gevaarlijk en daarnaast kunnen mensen deze straling niet met hun zintuigen waarnemen. Men kan de straling niet horen, niet proeven, niet zien en niet ruiken. De effecten van ioniserende straling kan men echter wel voelen. Ioniserende straling ontstaat bij radioactiviteit. Bij radioactiviteit vallen atoomkernen uiteen in een spontane reactie. Ioniserende straling heeft dus te maken met radioactiviteit. Wat precies het verband is wordt kort uitgelegd in de volgende alinea.

Ioniserende straling en radioactieve straling
Regelmatig wordt ioniserende straling ‘radioactieve straling’ genoemd deze benaming is echter niet juist. De term  ‘radioactief’ betekent letterlijk ‘actief straling uitzendend’ dit is echter niet het proces dat plaatsvindt bij ioniserende straling. Een radioactieve stof geeft echter wel een ioniserende straling. Bij ioniserende straling wordt het bestaande materiaal verandert. Er ontstaan in het bestraalde materiaal elektrisch geladen deeltjes en daardoor zal de structuur van het materiaal wijzigen. Ioniserende straling is gevaarlijk omdat het de celstructuur van mensen kan veranderen.

Waar kan men ioniserende staling aantreffen?
Ioniserende straling wordt afgegeven door radioactieve stoffen. In processen en arbeidsomstandigheden waarbij radioactieve stoffen (kunnen) voorkomen bestaat tevens de kans op ioniserende straling. We noemen een aantal voorbeelden van situaties waarin ioniserende straling kan voorkomen:

  • Aardgaswinning, verwerken van erts.
  • Kerncentrales en kernwapentechniek.
  • Geneeskunde, tandheelkunde, verpleging waarbij men werkt men radioactief materiaal.
  • Materiaalcontrole.
  • Meetapparatuur in de procesindustrie
  • Detectieapparaten

Veiligheidsmaatregelen bij ioniserende straling
Ioniserende straling kan een groot gevaar opleveren voor de gezondheid en veiligheid van mensen. Omdat de straling niet direct door mensen waargenomen kan worden is deze straling zeer verraderlijk en gevaarlijk. Mensen die aan ioniserende straling worden blootgesteld kunnen veranderingen krijgen in hun levende cellen. Deze cellen kunnen beschadigen en afsterven. Ook kunnen ze blijvend beschadigd blijven en een gezwel gaan vormen. Het effect van de ioniserende straling is afhankelijk van:

  • Het soort radioactieve stof.
  • De duur van de blootstelling.
  • De afstand tot de stralingsbron.
  • De middelen die zijn genomen om de mens af te schermen van de stralingsbron, bijvoorbeeld persoonlijke beschermingsmiddelen.

Deze vier factoren maken duidelijk hoe men zich het beste kan beschermen tegen ioniserende straling namelijk door:

  • Jezelf zo ver mogelijk te verwijderen van de stralingsbron.
  • Verpakkingen met radioactieve materialen moeten heel blijven en beslist niet beschadigd worden.
  • Er voor zorgen dat niemand in de buurt van de stralingsbron kan komen door een gebied af te zetten.
  • Het plaatsen van waarschuwingsborden met een duidelijk leesbare tekst.
  • Het dragen van speciale Persoonlijke Beschermingsmiddelen die bestand zijn tegen ioniserende straling en mensen tegen de effecten van deze straling beschermen.
  • Het is belangrijk dat voortdurend metingen worden gedaan om de hoogte van de ioniserende straling te bepalen.

Wellicht ten overvloede maar misschien toch het vermelden waard: werknemers die werken met radioactieve stoffen zijn hiervoor speciaal opgeleid en getraind. Een leek moet niet in de buurt komen van stoffen die radioactief zijn en ioniserende straling afgeven.

Wat is veiligheidsaarding?

Veiligheidsaarding is een extra aarding in de vorm van een geleidende verbinding die wordt aangebracht tussen uitwendige metalen delen van elektrische toestellen en de aarde. Veiligheidsaarding wordt echter niet alleen op elektrische toestellen aangebracht. Ook voor steigers is het aanbrengen van veiligheidsaarding verplicht. Dit is om te voorkomen dat steigers langdurig onder elektrische spanning komen te staan wanneer ze in contact komen met ongeïsoleerde elektrische installaties of getroffen worden door de bliksem.

Veiligheidsaarding en dubbele isolatie
Apparaten hebben een veiligheidsaarding om te voorkomen dat bij een elektrotechnisch defect de behuizing van de apparaten onder spanning komen te staan. Daarmee wordt dus mede voorkomen dat de gebruiker van het apparaat een elektrische schok kan krijgen. Een dubbele isolatie van het apparaat is echter nog beter en veiliger. Daarom is het wettelijk verplicht dat elektrische gereedschappen die werken op 220 Volt of meer dubbel geïsoleerd zijn.

Veiligheidsaarding bij zeecontainers
Ook bij grote metalen zeecontainers is aarding verplicht. Dit komt omdat er in zeecontainers meestal verlichting is aangebracht. Soms werkt men ook wel met elektrische apparaten in zeecontainers. Mocht de zeecontainer in contact komen met een ongeïsoleerd deel van een elektrische installatie dan zal de elektrische stroom door de veiligheidsaarding wegvloeien naar de aarde.

Wat zijn hangsteigers?

Hangsteigers zijn steigers die doormiddel van kabels hangen aan een staalconstructie die boven de steiger is bevestigd op een gebouw. Hangsteigers worden gebruikt als het opbouwen  van steigers vanaf de grond niet mogelijk is. Hangende steigers zijn een goede oplossing als men werkzaamheden moet verrichten aan de gevels van utiliteitscomplexen. Deze steigers zijn meestal tijdelijke steigers en dienen bijvoorbeeld voor tijdelijk onderhoud en gevelreiniging. Er zijn echter ook permanente hangsteigers deze steigers bevatten een ophangconstructie die onderdeel is van een gebouw.

Dit kunnen bijvoorbeeld vaste hijsarmen zijn of een dakwagen op rails. In dat geval maakt men bijna altijd gebruik van een zogenaamde gondelinstallatie die gebruikt wordt voor gevelreiniging en het wassen van de ramen. Veiligheidsrichtlijnen met betrekking tot hangsteigers treft men onder andere aan in de NEN-EN 1808 Hangsteigers. Deze bevat veiligheidseisen voor hangsteigers, ontwerpberekeningen, stabiliteitscriteria, constructie-richtlijnen  en beproevingen.

Verschillende benamingen
Hangsteigers kunnen verschillende soorten benamingen hebben. Er zijn echter ook verschillende soorten hangsteigers die in gebruik worden genomen voor diverse klussen. Zo zijn er bijvoorbeeld: gondels, hangbruggen, werkbruggen en gevelonderhoudsinstallaties die in de praktijk worden gebruikt. In de inleiding werd al benoemd dat er tijdelijke hangsteigers zijn. Deze hangsteigers zijn tijdelijk aan het dak van een gebouw gemonteerd. Hangsteigers die permanent zijn worden doormiddel van een constructie op het dak gemonteerd. Een glazenwasinstallatie is hiervan een voorbeeld.

Veiligheidsvoorschriften voor hangsteigers
Als men werkt met hangsteigers moet men een aantal veiligheidsvoorschriften in acht nemen. De volgende richtlijnen moet men in acht nemen:

  • Hangsteigers mogen niet gebruikt worden bij windkracht 6 of hoger.
  • Hangsteigers mogen ook niet gebruikt worden als er onweer in de buurt van de hangsteiger is.
  • Hangsteigers moeten door gespecialiseerd personeel en gespecialiseerde bedrijven worden opgebouwd.
  • Hangsteigers moeten door gespecialiseerd personeel en gespecialiseerde bedrijven worden gekeurd en onderhouden.
  • Het maximaal toelaatbare heftvermogen moet inzichtelijk zijn doormiddel van een plaat.
  • Men dient zich te houden aan het maximale laadgewicht.
  • Het contragewicht van de hangsteiger moet voor het gebruik van de hangsteiger worden gecontroleerd.
  • Werknemers die op een hangsteiger werken moeten een veiligheidsharnas dragen. Dit veiligheidsharnas moet bevestigd zijn aan de hangsteiger.
  • Pas op met gereedschappen en materialen op de hangsteiger. Deze moeten er niet vanaf vallen.
  • Het gebied onder de hangsteiger zal moeten worden afgezet met een lint of met hekken zodat mensen niet onder de hangsteiger kunnen lopen.
  • Wanneer men werkt in een hangsteiger op 25 meter hoogte of meer zal er communicatieapparatuur moeten worden gebruikt.  Met deze apparatuur zoals portofoons kan het personeel in de hangsteiger contact leggen met personeel op de grond of eventueel met hulpdiensten.

Wat is een rolsteiger?

Rolsteigers zijn steigers die bestaan uit één of meerdere werkvloeren en voorzien zijn van wielen waardoor ze verplaatsbaar zijn in tegenstelling tot vaste steigers. In tegenstelling tot vaste steigerconstructies mag een ervaren bouwvakker samen met zijn collega’s een rolsteiger opbouwen. Vaste steigers moeten worden opgebouwd door gecertificeerde steigerbouwers die in bezit zijn van het certificaat Steigerbouwer A of Steigerbouwer B. In plaats van vaste steigers zijn rolsteigers over het algemeen veel kleiner en van lichter materiaal gemaakt (aluminium in plaats van staal). Rolsteigers zijn systeemsteigers en kunnen daardoor eenvoudiger worden opgebouwd. Dit houdt in dat deze steigers bestaan uit vaste elementen die aan elkaar bevestigd kunne worden.

Veilig gebruik van rolsteigers
Werken op hoogte brengt risico’s met zich mee. Het belangrijkste risico is het valrisico dat op elke steiger in meer en mindere mate aanwezig is. De risico’s van het werken op een rolsteiger kunnen worden beheerst door een aantal veiligheidsrichtlijnen. We noemen hieronder een aantal belangrijke richtlijnen:

  • Zet de rolsteiger op een stevige ondergrond.
  • Zet de rolsteiger neer op een vlakke ondergrond.
  • Plaats de stabilisatoren op de grond.
  • Zet de wielen van een rolsteiger op de rem voordat je de rolsteiger beklimt.
  • Beklim de rolsteiger vanaf de binnenkant.
  • Houdt geen gereedschap in de hand of materiaal terwijl je op de steiger klimt.
  • Hij gereedschap en materiaal omhoog als je op de steiger bent geklommen.
  • Zorgt dat de steiger schoon is en opgeruimd.
  • Houdt ook de sporten van de steiger schoon.
  • De maximale hoogte van een steiger is buiten 12 meter en voor binnen 8 meter.
  • Bij windkracht 6 of harder mag niet gewerkt worden op een steiger.
  • Werk je op een steiger terwijl het windkracht 6 wordt dan moet je de steiger veilig verlaten.
  • Rolsteigers die hoger zijn dan acht meter moeten niet verreden worden.

Veilig verplaatsen van rolsteigers
Een belangrijk voordeel van rolsteigers is dat deze doormiddel van wielen verplaatst kunnen worden. Het verplaatsen van rolsteigers is echter ook een risicovolle taak. Daarom is het belangrijk dat ook hierbij veiligheidsrichtlijnen in acht worden genomen. We noemen hieronder een aantal belangrijke.

  • Wanneer een steiger hoger is dan 8 meter moet je de rolsteiger eerst lager maken tot 8 meter voordat de steiger veilig weggerold kan worden.
  • Verplaats de rolsteiger altijd met twee of meer personen.
  • Rolsteigers mogen niet worden verreden als er mensen op de rolsteiger aanwezig zijn.
  • Er mag geen los materiaal op de rolsteiger liggen als men de rolsteiger gaat verrijden.
  • Verrijd de rolsteiger alleen als dit veilig kan gebeuren. De grond moet vlak zijn en er moeten geen gaten, hellingen of verhogingen aanwezig zijn.
  • De grond moet ook hard zijn zodat de rolsteiger niet kan verzakken tijdens het verplaatsen.
  • Pas ook op met kabels als de rolsteiger verreden wordt.
  • Tijdens het verrijden van de rolsteiger moeten de uithouders niet kunnen verschuiven.
  • De stabilisatoren moeten zo dicht mogelijk bij de grond blijven. Als er gebruik wordt gemaakt van stabilisatoren met wieltjes dan moeten deze op de grond blijven.

Wat is een steiger?

Steigers zijn tijdelijke constructies die worden opgebouwd uit steigerplanken en steigerpijpen en worden geplaatst om bijvoorbeeld werkzaamheden aan gevels, bouwwerken, constructies en plafonds uit te voeren. In de praktijk worden steigers vaak tegen een bouwwerk aan geplaatst maar men kan ook steigers opbouwen in een gebouw zelf. Hierbij kan men denken aan rolsteigers die men gebruikt in de industrie of utiliteitsbouw. Steigers die aan de buitenkant van een bouwwerk worden aangebracht worden meestal in verschillende fasen opgebouwd. Naarmate de bouw vordert en het gebouw hoger wordt zal ook de steiger hoger worden. Het bouwen van steigers is het werk van specialisten.

Gecertificeerd steigerbouwer
Met steigers kunnen ernstige ongelukken gebeuren als de steigers veilig en niet constructief stevig zijn gebouwd. Het bouwen van staande stalen steigers moet daarom door ervaren gespecialiseerde steigerbouwers worden gedaan. Systeemsteigers moeten voldoen aan de eisen zoals die zijn beschreven in de NEN 2770. De gespecialiseerde steigerbouwers dienen in bezit te zijn van een certificaat steigerbouwer A of een certificaat steigerbouwer B. Het eerstgenoemde certificaat, steigerbouwer A, is voor uitvoerende steigermonteurs.

Het certificaat steigerbouwer B is voor eerste steigermonteurs. Deze steigermonteurs dragen meer verantwoordelijkheid en hebben meer kennis en ervaring. Daardoor kunnen ze goede instructies geven aan de personen die in bezit zijn van steigerbouwer A. Naast deze certificaten dienen steigerbouwers ook in bezit te zijn van de Veiligheid, gezondheid en milieu Checklist Aannemers/ VGM Checklist Aannemers (VCA). Dit is een algemeen veiligheidscertificaat dat bij veel bouwprojecten verplicht wordt gesteld door de aannemer.

Er is een verschil tussen Basis VCA voor uitvoerende werknemers en een VOL VCA dat bestemd is voor leidinggevenden. De letters VOL staan in de afkorting ‘VOL VCA’ voor Veiligheid Operationeel Leidinggevende. Het behalen van een VCA certificaat is belangrijk omdat steigerbouwers niet alleen moeten weten hoe ze veilig een steiger moeten opbouwen en afbreken, ze moeten ook weten welke algemene veiligheidsregels op de bouwplaats aan de orde komen zodat ze zo veilig mogelijk kunnen werken.

Kaarthouder op steigers
Staande stalen steigers moeten verplicht door ervaren steigerbouwers worden opgebouwd. Dat is een belangrijke richtlijn met betrekking tot de veiligheid. Het is natuurlijk ook belangrijk dat inzichtelijk wordt gemaakt dat een steiger daadwerkelijk veilig is. Daarvoor moet op elke staande stalen bouwsteiger een steigerkaarthouder worden geplaatst. Deze steigerkaarthouder moet op ooghoogte worden aangebracht en duidelijk zichtbaar zijn. Het spreekt voor zich dat de steigerkaarthouder stevig vast moet worden gemaakt aan de steiger. Steigers mogen alleen worden betreden als er een groene steigerkaart in de steigerkaarthouder is geplaatst. In de volgende alinea staat meer informatie over de steigerkaart.

Steigerkaart
De steigerkaart geeft belangrijke informatie met betrekking tot de veiligheid van de steiger. Zo kan men op een steigerkaart lezen of een steiger mag betreden worden of niet. Ook staat er op een steigerkaart wat iemand wel en niet mag doen op de steiger. Verder staat er op de steigerkaart wat de maximale belastingcapaciteit is van de steiger. Als een steiger gecontroleerd is geweest is dit ook vermeld op de steigerkaart.

Als er schade aan een steiger is veroorzaakt waardoor bijvoorbeeld een plank is gebroken of verwijderd dan is de steiger onveilig en moet men de steiger verlaten. Dit houdt in dat de groene steigerkaart moet worden verwijdert. In dat geval komt een rood/witte steigerkaart tevoorschijn. Op deze kaart staat dat de steiger niet betreden mag worden. Men mag de steiger dan pas weer beterden wanneer een steigerbouwer A of een steigerbouwer B de steiger weer vakkundig heeft gemaakt en er na controle weer een groene steigerkaart in de steigerkaarthouder is geplaatst.

Verschillende soorten steigers
Naast de staande stalen steigers die in de voorgaande alinea’s als uitgangspunt is gehanteerd zijn er nog verschillende andere soorten steigers. Zo zijn er:

  • enkele steigers,
  • dubbele steigers,
  • daksteigers,
  • hefsteigers,
  • gevel- en metselsteigers,
  • schraagsteigers,
  • trappentorens,
  • rolsteigers.

Enkele en dubbele steigers kunnen traditioneel worden uitgevoerd met steigerpijpen en losse koppelingen. Een andere optie is dat deze steigers worden uitgevoerd als systeemsteiger. Systeemsteigers bevatten vaste maten en elementen. Systeemsteigers worden over het algemeen uitgevoerd als dubbele steiger.

Veilig werken met een ladder

Een ladder in gereedschap om mee te klimmen en bestaat uit twee stijlen met daartussen een aantal dwarsregels die ook wel sporten worden genoemd. Er zijn verschillende soorten ladders de werknemers op de bouw en in de techniek gebruiken. We noemen een aantal voorbeelden:

  • De enkele ladder deze bestaat uit één deel en kan niet verlengd worden.
  • De opsteekladder is een ladder waarbij men 2 ladderdelen of 3 ladderdelen uit elkaar kan schuiven. Dit kan men tot de gewenste werkhoogte is bereikt. De opsteekladder bevat haken aan de ladderdelen waarmee deze vastgeklemd kunnen worden aan de rest van de ladder zodat een stevig geheel ontstaat. Opsteekladders worden alleen tegen een gevel gebruikt.
  • Reformladders lijken op opsteeklassers alleen hebben reformladders een stabiliteitsbalk en een soort scharnierpunt. Daardoor kan deze ladder worden opengeklapt. Een ketting of veiligheidsband zorgt er voor dat de ladder niet verder openklapt kan worden dan een bepaald punt. Een reformladder hoeft in tegenstelling tot een opsteekladder niet beslist tegen een object aan te worden geplaatst en kan uit zichzelf staan.

Het gebruik van ladders
Hoewel er verschillende soorten ladders bestaan is de Arbowetgeving toch duidelijk over het gebruik er van. De Arbowet wil het gebruik van ladders namelijk zoveel mogelijk beperken. Het gebruik van ladders brengt namelijk meer risico’s met zich mee dan het gebruik van een steiger of hoogwerker. Daarom is het gebruik van een ladder niet toegestaan als er op een werkplek een ander arbeidsmiddel aanwezig is waarmee men op hoogte kan werken. Het is echter niet altijd mogelijk om een steiger te plaatsen bijvoorbeeld omdat er te weinig ruimte is. In dat geval kan de werkgever na beoordeling van de werksituatie besluiten om een ladder in te zetten als klimgereedschap.

Ladders zijn in tegenstelling tot een hoogwerker of een steiger geen stabiele constructies. Ook als men de ladder stevig neerzet is het niet te vergelijken met een steiger. Dit komt onder andere omdat de sporten vrij smal zijn en omdat een werknemer zichzelf altijd met minimaal één hand moet vasthouden aan de ladder en dus nauwelijks bewegingsvrijheid heeft. Daarnaast moet een werknemer ook zijn of haar balans houden op de ladder en kunnen er niet of nauwelijks gereedschappen worden meegenomen op een ladder. Als men dat wel doet wordt het werken op een ladder alleen maar onveiliger. Om deze redenen is een ladder geen werkplek maar een klimgereedschap om bij een werkplek te komen.

Keuren van ladders
Het gebruik van ladders brengt risico’s met zich mee. Deze risico’s zijn verbonden aan het gebruik van de ladders men moet er echter zeker van zijn dat de ladder veilig is en geen (technische) mankementen bevat. Als een ladder mankementen bevat is het gebruik van een ladder nog gevaarlijker en daarom is het verboden om een kapotte ladder te gebruiken. Ladders dienen voordat men deze klimgereedschappen gebruikt gecontroleerd te worden. Het is wettelijk verplicht om ladders ieder jaar te laten keuren. Dit houdt in dat een ladder jaarlijks geïnspecteerd worden. Dit gebeurd aan de hand van een inspectielijst.

Veilig gebruiken van een ladder
Gebruik allereerst alleen ladders die gekeurd zijn en die geen beschadigingen bevatten die de constructieve stevigheid van de ladder in gevaar brengen. bovendien is het van belang dat de ladder schoon is. Hiermee wordt niet bedoelt dat de ladder er altijd als nieuw moet uitzien maar dat de ladder geen vet of klodders cement moet bevatten omdat men daarover kan uitglijden. Naast deze tips die men zelf eenvoudig kan uitvoeren doormiddel van een controle zijn er nog een aantal belangrijke tips voor het veilig werken met een ladder. Deze tips staan in de alinea’s hieronder.

Tips voor he plaatsen van een ladder
Het neerzetten van een ladder wordt helaas nog vaak te vlug gedaan. Men heeft de focus op het werk dat gedaan moet worden en zet de ladder zo snel mogelijk op de grond om vervolgens snel op de ladder te klimmen. Dat is niet alleen onverstandig het is ook nog gevaarlijk. Ze een ladder daarom zorgvuldig neer en let daarbij op de volgende punten:

  • Ze de ladder neer op een harde ondergrond dus geen zachte drassige ondergrond waarin de ladder kan wegzakken.
  • Plaats de ladder tegen een stevige constructie dus niet tegen een buigzame, flexibele dakgoot.
  • Brog de ladder tegen omvallen door een ladderstopper te gebruiken.
  • In een fabriek mag de maximale lengte van een lader 7 meter zijn.
  • Zorg er voor dat de ramen en deuren waar de ladder voor geplaatst is niet open kunnen.
  • Tegen een buitengevel mag een ladder maximaal tien meter lang zijn.
  • Plaats de ladder onder een hoek van 75 graden.
  • Een ladder moet geplaatst worden met een minimale overlengte van 1 meter. Dit houdt in dat de ladder minimaal 1 meter moet uitsteken over de dakrand.
  • Zorg dat de ladder minimaal 2,5 meter maar liever 3 meter uit de buurt staat van geïsoleerde delen die onder spanning staan.
  • Zorg er voor dat er voldoende ruimte is om op de ladder te komen en om er af te komen.

Tips voor het gebruik van de ladder
Het contoleren van de ladder en het plaatsen daarvan zijn belangrijke aspecten waarmee je het veilig werken met een ladder kunt bevorderen. Uiteraard moet je ook veilig werken met een ladder daarvoor volgen hieronder een aantal tips:

  • Gebruik alleen een ladder als er geen andere veiliger klimgereedschappen zijn.
  • Gebruik nooit een ladder boven windkracht 6!
  • Ga nooit met meer dan 1 persoon op een ladder staan.
  • Verplaats de ladder als je ergens niet bij kunt, ga nooit reiken omdat je dan uit balans kunt raken.
  • Als je toch moet reiken zorg er dan voor dat je niet verder reikt dan 1 armlengte en dat je daarbij de voeten op de ladder houd en met je andere hand de ladder stevig beethoudt.
  • Draag geen gladde schoenen maar schoen met een goed en schoon profiel zodat je niet kunt uitglijden op de sporten.
  • Je mag niet langer dan twee uur op een ladder werken.
  • Onderhoud de ladder goed en houdt deze schoon.
  • Klim altijd met je gezicht naar de lader toe.
  • Ook bij het naar beneden klimmen houd je het gezicht of de buik in de richting van de ladder.
  • Zorg er voor dat je altijd drie contactpunten hebt met een ladder bijvoorbeeld 2 voeten en 1 hand.