Wat is bouwrecht en wat is hieraan gerelateerd?

In het bouwrecht staan alle Nederlandse rechtsregels beschreven met betrekking tot het regelen en waarborgen van bouwprocessen. Het doel van bouwrecht is het bieden van duidelijke kaders voor bouwbedrijven en opdrachtgevers in Nederland voor het bouwen en verbouwen. Voor een deel zijn de bouwrechtelijke bepalingen van publiekelijke aard als het om stedenbouwkundige zaken gaat. Daarnaast is het bouwrecht ook privaatrechtelijk wanneer het gaat om afspraken tussen de architect, opdrachtgever en aannemer.

Welke zaken zijn gerelateerd aan bouwrecht?
Aan het bouwen in Nederland zijn strenge regels verbonden. Hiermee wil de overheid bewerkstelligen dat de betrokken partijen niet worden gedupeerd. Daarnaast dienen bouwprocessen conform de richtlijnen te worden uitgevoerd. Het bouwrecht is gerelateerd aan een aantal zaken zoals:

  • Bouwbesluit: dit is een belangrijk document waarin verschillende voorschriften zijn benoemd voor het bouwen van bouwwerken in Nederland. Het gaat hier met name om technische voorschriften met betrekking tot de constructie, veiligheid en duurzaamheid.
  • Aannemingsrecht: hierin staan de rechten en plichten van de aannemer in de bouw’.
  • Architectenrecht: hierin staan de rechten en plichten van de architect.
  • Woningwet: deze wet is oorspronkelijk opgezet om de bouw van goede woningen te bevorderen en de bewoning van slechte woningen onmogelijk maken.
  • Bestemmingsplannen: in deze plannen wordt in Nederland beschreven wat er mag gebeuren met een bepaalde ruimte of met een stuk grond in een bepaalde gemeente. Het kan daarbij gaan om bijvoorbeeld woningbouw, industrie, kleinschalige industrie of een agrarische bestemming.
  • Bouwverordening of bouwvoorschrift: dit is regelgeving van de gemeentelijke overheid met betrekking tot het bouwen, verbouwen, gebruik en slopen van bouwwerken. Deze regelgeving dient te worden opgevolgd naast de technische voorschriften die zijn vastgelegd in het Bouwbesluit. Zo kan bijvoorbeeld pas een vergunning worden verstrekt als men de richtlijnen uit de bouwverordening heeft nageleefd. Deze richtlijnen gaan onder andere over het toepassen van brandveiligheidsinstallaties. Daarnaast staan hierin ook niet-bouwtechnische eisen zoals stedenbouwkundige voorschriften.

Meer dan een kwart van de uitzendkrachten volgt scholing in 2014

Kennis wordt steeds belangrijker in Nederland. Werknemers in Nederland zullen steeds vaker omgeschoold of bijgeschoold moeten worden om van waarde te blijven op de arbeidsmarkt. De investeringen in de scholing van werknemers vindt zowel plaats bij personeel dat op contractbasis werkt als bij flexibel personeel.

Stichting opleiding & ontwikkeling flexbranche
De Stichting opleiding & ontwikkeling flexbranche (Stoof) maakte vrijdag 31 oktober 2014 de resultaten van een onderzoek bekend. Het onderzoek werd door onderzoeksbureau Panteia gehouden onder 622 uitzendkrachten. In dit onderzoek werd gekeken naar de scholing en opleidingsmogelijkheden voor flexkrachten. Met het onderzoek wil Stoof laten zien hoe flexwerkers door uitzendbureaus worden ondersteund bij hun loopbaanmogelijkheden.

Resultaten onderzoek Stoof
Uit het onderzoek van Stoof komt naar voren dat in het afgelopen jaar 27 procent van de uitzendkrachten in Nederland een bepaalde vorm van scholing heeft gevolgd. Hiervan heeft ongeveer 26 procent van de uitzendkrachten om scholing gevraagd. Ongeveer 37 procent van de uitzendkrachten vroegen om scholing bij een uitzendbureau nadat ze een loopbaangesprek hadden gehad. Bijna dertig procent van de uitzendkrachten kreeg scholing aangeboden op initiatief van het inlenende bedrijf of het uitzendbureau waar de uitzendkracht voor werkzaam is.

Scholing is populair bij uitzendkrachten
Uitzendkrachten zijn bewust van het belang van scholing op de arbeidsmarkt. Dit uit zich in de wens van veel uitzendkrachten om een opleiding te volgen. ongeveer vijfenzeventig procent van de uitzendkrachten wil in 2014 en 2015 een  opleiding of andere vorm van scholing volgen. De houding en het initiatief van uitzendkrachten speelt een grote rol bij het toekennen van opleidingsmogelijkheden door uitzendbureaus.

Waarom volgen uitzendkrachten een opleiding?
Een groot deel van de uitzendkrachten geeft aan dat ze gebruik maken van scholing om hun positie op de arbeidsmarkt te verbeteren en hun uitzendwerk te behouden. Verder zien veel uitzendkrachten scholing als mogelijkheid om te groeien in een bepaalde functie of in een bepaald vakgebied.

Uitzendbureaus zijn belangrijke speler op gebied van opleidingen
Veel uitzendkrachten geven in het onderzoek van Stoof aan dat uitzendbureaus meer aandacht moeten besteden aan scholing. In totaal heeft 23 procent van de uitzendkrachten plezier beleeft aan het volgen van een opleiding. Daarnaast heeft het volgen van een opleiding er bij 21 procent van de uitzendkrachten voor gezorgd dat het werk interessanter werd.

Reactie Technisch Werken
Het belang van uitzendbureaus op de arbeidsmarkt wordt onderschat. Veel uitzendbureaus hebben specifieke kennis van de arbeidsmarkt en weten daardoor wat de arbeidsmarkt van werkzoekenden vraagt. Deze kennis is een waardevolle bron die kan worden gebruikt voor het vergroten van de meerwaarde van werkzoekenden op de arbeidsmarkt.  Als geschikt personeel niet op de arbeidsmarkt gevonden kan worden wordt er in de praktijk vaak voor gekozen om personeel op te leiden. Dit gebeurd regelmatig bij flexkrachten zoals uit het onderzoek van Stoof blijkt. Deze uitzendkrachten stromen dikwijls uit op een rechtstreeks dienstverband bij de inlener. Zodoende heeft een uitzendbureau de uitzendkracht net dat zetje gegeven dat ze nodig hebben om een goede betrekking te krijgen op de arbeidsmarkt. Het zou goed zijn als de overheid in Nederland de flexbranche meer zou ondersteunen.

Blijft de olieprijs in 2014 laag?

De olieprijs is op dit moment behoorlijk laag. Ruwe olie is nog niet eerder zo goedkoop geweest in de afgelopen vier jaar. Ruwe Brent-Olie die uit de Noordzee is gewonnen kost per vat op dit moment 87 dollar. In de eerste helft van 2014 kostte een vat van dezelfde ruwe olie nog 105 dollar. Men verwacht dat de ruwe olieprijs de rest van 2014 nog rond de 87 euro per vat zal blijven.

Weinig vraag naar olie
Vraag en aanbod bepalen de prijs in de markt. Dat is ook het geval bij de olieprijs. De lage olieprijs wordt veroorzaakt doordat de groei van bepaalde economieën in de wereld stagneert. Dit is het geval bij de Chinese economie, de Europese economie en de Russische economie. Ook de economie van Brazilië lijkt tot stilstand te komen. Deze economieën hebben daardoor minder brandstof nodig voor productie en transport. Veel brandstof wordt tegenwoordig nog geleverd uit fossiele bronnen waaronder aardolie. Daarom daalt de vraag naar ruwe olie als de economieën tot stilstand komen.

Amerika produceert steeds meer olie voor hun eigen markt. Amerika wil niet meer afhankelijk zijn van andere landen als het gaat om hun eigen energiebehoefte. Dit heeft tot gevolg dat Amerika ook niet bijdraagt aan de internationale vraag naar olie op de wereldmarkt.

Reactie van Technisch Werken
De olieprijs gaat omlaag maar desondanks blijven de prijzen voor brandstof van auto’s nagenoeg gelijk. Veel consumenten in Nederland merken de prijsdaling van de olie nog niet in hun portemonnee. Dat is vreemd want meestal stijgen de prijzen voor brandstof aan de benzinepomp wanneer de olieprijs wereldwijd stijgt. Een dalende olieprijs heeft misschien wel effect voor bedrijven die producten maken van ruwe olie. Deze bedrijven kunnen goedkoper olie inkopen.

Fiat Chrysler stoot dochterbedrijf Ferrari af

Fiat Chrysler is een Italiaans-Amerikaanse autoconcern en staat op de zevende plek van grote autoconcerns in de wereld. Fiat Chrysler heet officieel Fiat Chrysler Automobiles NV (FCA). Onder dit autoconcern vallen verschillende merken zoals:

  • Alfa Romeo
  • Lancia
  • Fiat
  • Abarth
  • Jeep
  • Dodge
  • Ram Truck
  • Maserati
  • Ferrari

Het laatste dochterbedrijf in het rijtje hierboven wil Fiat Chrysler echter afstoten. Hiervoor wil het autoconcern Ferrari zelfstandig maken en een eigen beursnotering geven in Europa en de Verenigde Staten. Dit nieuws werd woensdag 29 oktober 2014 bekend gemaakt door Fiat Chrysler. In totaal zal bijna tien procent van de aandelen in Ferrari direct op de aandelenmarkt worden verkocht. De overige aandelen zullen worden verdeeld onder de huidige aandeelhouders van Fiat Chrysler. Het bedrijf hoopt de afsplitsing van Ferrari in 2015 af te ronden. Door de afsplitsing hoopt Fiat Chrysler haar winst in de komende jaren te verhogen.

Reactie van Technisch Werken
Verschillende bedrijven in de wereld zijn op dit moment bezig om hun organisatie grondig te onderzoeken. Hierbij kiezen ze de meest rendabele elementen er uit en behouden ze deze. De minder rendabele elementen worden niet zelden te koop aangeboden. Dit lijkt ook het geval met automerk Ferrari. Een iconisch automerk dat door de exclusiviteit ook slechts betaald kan worden door een beperkt publiek. Nu is het afwachten of dit automerk als geheel goed verkoopbaar is.

Veel jongeren vinden hun eerste baan via een uitzendbureau in 2014

Mirjam Sterk is tot april 2014 ambassadeur aanpak jeugdwerkloosheid. Zij is verantwoordelijk voor de aansturing van verschillende instanties bij de aanpak van jeugdwerkloosheid. Tijdens een hoorzitting in de Tweede Kamer op woensdag 29 oktober 2014 deed ze verslag van haar resultaten. Hierbij benoemde ze dat in toenemend aantal jongeren in Nederland een baan vindt. Ook ten opzichte van de algemene werkloosheid in Nederland gaat het goed met de aanpak van de jeugdwerkloosheid.

Uitzendbureaus hebben een belangrijke rol
Volgens Mirjam Sterk heeft de overheid slechts een beperkte rol bij het ondersteunen van jongeren bij het zoeken naar een eerste baan. De meeste jongeren komen volgens haar vooral aan hun eerste baan via een uitzendbureau. Ook na de eerste arbeidsplaats werken ze veelal op flexibele basis. Jongeren werken meer dan vroeger op basis van een flexibel contract.

Reactie van Technisch Werken
De overheid weet nog niet precies hoe ze jeugdwerkloosheid moet bestrijden. Jeugdwerkloosheid blijft een lastig onderwerp. Dit heeft misschien te maken met het verschil in de belevingswereld tussen de overheid en de jeugd. Veel jongeren zijn nog zoekende over wat ze precies willen in de toekomst. De overheid wil het liefst dan jongeren meteen een baan aannemen voor de rest van hun leven.

Jongeren zitten hier echter niet op te wachten en willen vaak bij verschillende bedrijven ervaring opdoen. De wens om zich te oriënteren komt onder andere aan de orde bij het kiezen van een passende opleiding. Tegenwoordig breken steeds meer jongeren hun opleiding voortijdig af omdat ze een andere voorstelling hadden van de opleiding dan de werkelijkheid.

Dit gedrag komt ook naar voren op de arbeidsmarkt. De arbeidsmarkt is tegenwoordig zeer divers. Met opleidingen zoals MBO werktuigbouwkunde kunnen leerlingen zeer veel verschillende richtingen op zoals de machinebouw, machineonderhoud, verspaning en zelfs het middenkader in een functie als assistent tekenaar werkvoorbereider.

Jongeren hebben aan een stage te weinig om zich te kunnen oriënteren op al deze verschillende beroepen en beroepsgroepen. Daarom gebruiken ze de praktijk voor deze oriëntatie. Daarvoor zijn uitzendbureaus de ideale oplossing. Dat de overheid dit niet in de gaten heeft blijkt uit de manier waarop ze omgaat met de flexbranche. Het is onlogisch dat de duur dat een uitzendkracht op flexibele basis kan werken bij een bedrijf wordt ingeperkt en dat de uitzendkracht vervolgens een half jaar een andere betrekking moet hebben alvorens hij of zij weer op flexibele basis bij dat bedrijf kan werken.

Met de aanpak van de flexbranche wordt voorbijgegaan aan de wens van veel flexwerkers om op flexibele basis te werken. Regels zoals equal pay oftewel de inlenersbeloning zijn logisch. Door de equal pay regel zullen uitzendbureaus de flexkrachten hetzelfde loon moeten bieden als de werknemers hebben bij het inlenende bedrijf. In de praktijk blijken voor veel specialistische functies de flexwerkers dikwijls beter beloond te worden dan het personeel dat rechtstreeks in dienst is bij de inlener. De overheid lijkt een onduidelijk beeld te hebben van het belang van de flexbranche voor de arbeidsmarkt. Het zou goed zijn als de overheid dit belang zou inzien en uitzendbureaus juist zou betrekken bij het hervormen van de arbeidsmarkt.

Flexibel werken wordt namelijk steeds belangrijker en arbeidscontracten worden steeds korter. Werknemers wisselen steeds vaker van werkgever en in tegenstelling tot vroeger wordt dat ook beter geaccepteerd. De zzp’ers en freelancers zijn bekende voorbeelden van mensen die voor diverse opdrachtgevers werkzaamheden verrichten. De toename in het aantal zzp’ers in Nederland maakt duidelijk hoe de arbeidsmarkt er in de toekomst uit gaat zien. Mensen zoeken steeds vaker zelf opdrachten en projecten en gaan projectmatig te werk. Een uitzendbureau ondersteund in deze behoefte. Daarom vormen uitzendbureaus geen bedreiging op de arbeidsmarkt maar juist een belangrijke speler.

Wat is een ladderdiagram en waar worden ladderdiagrammen voor gebruikt?

In de procestechniek worden steeds meer processen geautomatiseerd. Door computersystemen het werk te laten over nemen van mensen kan men sneller en effectiever produceren. Daarnaast wordt de kans op fouten in de productie gereduceerd. Dit zijn allemaal voordelen voor bedrijven in de procesindustrie. Het automatiseren van productieprocessen sluit vaak naadloos aan bij Lean manufacturing en Lean management. Voor automatisering is echter software en hardware nodig. Hierbij komen de termen SCADA, PLC en PAC onder andere aan de orde.

Als men het heeft over een PLC heeft men het vaak ook over ladderdiagrammen. Een ladderdiagram (LD) is een schema waarin logische schakelingen worden weergegeven. Dit zijn AND en OR schakelingen die worden aangestuurd door een PLC.

Een PLC is een Programmable Logic Controller, die houdt in dat dit apparaat geprogrammeerd moet worden. De PLC wordt dus geprogrammeerd doormiddel van een ladderdiagram. De opbouw van de programmeertaal van een ladderdiagram (Ladder Logic) lijkt op een ladder die uit verschillende sporten bestaat. De sporten van de ladderdiagram vormen een programma dat de PLC moet uitvoeren. Deze sporten worden sequentieel door de PLC uitgevoerd.

Een ladderdiagram bevat een bepaalde logica waarmee de werking van relais wordt nagebootst. Deze logica zorgt er voor dat een PLC relatief eenvoudig kan worden geprogrammeerd. Dit zorgt er voor dat PLC-programmeurs de PLC eenvoudiger kunnen programmeren. Daarnaast zorgt de logica van een ladderdiagram er voor dat storing zoeken vereenvoudigd kan worden.

PLC en PAC
De Programmable Logic Controller (PLC) en de Programmable Automation Controller (PAC) zijn twee apparaten die beiden gebruikt kunnen worden in de automatisering in de procestechniek. De PLC wordt geprogrammeerd met behulp van ladderdiagrammen. De PAC is een systeem dat eveneens wordt gebruikt in de automatisering van machines en productieprocessen. Een PAC is een combinatie van een PLC en een PC en  kan op verschillende manieren worden geprogrammeerd. Een PAC is niet afhankelijk van programmering met behulp van ladderdiagrammen.  Men kan een PAC bijvoorbeeld ook programmeren met C of C++ .

Wat is het verschil tussen PLC en PAC?

Productieprocessen worden in toenemende mate geautomatiseerd. Dit houdt in dat veel bedrijven waarin producten worden geproduceerd werken met geautomatiseerde machines die aan worden gestuurd door software. Deze software vormt als het ware het brein achter de aansturing van de machines. In het verleden waren met name de operators en machinebedieners de personen die bepaalden welke bewerking een machine moest uitvoeren en wanneer de bewerking moet plaatsvinden. Tegenwoordig nemen PLC’s, SCADA en PAC’s deze rol over. Hieronder is in een paar alinea’s uitgelegd wat PLC’s en PAC’s zijn en wat het verschil tussen deze apparaten is.

Wat is een PLC?
Een Programmable Logic Controller wordt ook wel afgekort met de letters PLC. Een PLC is een apparaat dat gebaseerd is op een enkele microprocessor. De PLC wordt gebruikt voor het automatiseren van productiemachines. Daarnaast wordt met een PLC ook de infrastructuur en vervoer van materialen van en naar de machines geregeld. Een PLC is ontworpen om relais en timers te vervangen. Een PLC maakt gebruik van een ladderdiagram (Ladder Logic) dat door onderhoudsmonteurs en programmeurs gelezen kan worden. Hierdoor wordt duidelijk welke bewerkingen worden uitgevoerd en welke input en output van verschillende onderdelen heeft plaatsgevonden.

Wat is een PAC?
Een Programmable Automation Controller wordt ook wel afgekort met de letters PAC. Een andere benaming voor dit apparaat is Process Automation Controller wat eveneens met de letters PAC wordt afgekort.

Een PAC is een apparaat dat gebaseerd is op 2 of meerdere processors en lijkt op een personal computer (PC). In feite is een PAC een PC die samengevoegd is met een PLC. Dit gebeurd met behulp van multitasking mogelijkheden waarmee één of meerdere onderdelen van de apparatuur worden aangestuurd of geautomatiseerd. De term PAC werd voor het eerst gedefinieerd door ARC Advisory Group in 2001. De PAC omvat de mogelijkheden en capaciteiten van de PLC. De PAC heeft echter een software en een hardware die dusdanig zijn ontworpen dat ze gebruiksvriendelijk zijn voor de IT / computerprogrammeur. Er zijn meer mogelijkheden zoals meerdere programmeertalen waaronder gestructureerde tekst, C of C++  en er is een gedistribueerde controlesysteem (DCS). Daarnaast kan gebruik worden gemaakt van standaard PC netwerken zoals Ethernet.

Waarvoor wordt een PAC gebruikt?
Een PAC kent meer mogelijkheden dan een PLC een PAC wordt daardoor breder ingezet. Zo kan een PAC worden ingezet voor Process Control en het raadplegen en opvragen van gegevens over processen. Hierdoor kunnen processen worden gemonitord. Daarnaast wordt de PAC ingezet in de regeltechniek. Een PAC heeft de mogelijkheid om gegevens door te sturen van machines die ze aansturen naar andere machines of naar databases in een computernetwerk aangestuurde omgeving.

Wat is het grootste verschil tussen een PLC en een PAC?
Het grootste verschil tussen een PLC en een PAC zit in de vrijheid waarmee geprogrammeerd kan worden. Een PLC maakt gebruik van ladderdiagrammen (Ladder Logic) terwijl een PAC meer vrijheid kent op het gebied van programmeren. Dit zorgt er voor dat een PAC gebruiksvriendelijker is en meer mogelijkheden kent.

Wat is een manometer en waar wordt dit meetinstrument voor gebruikt?

Manometers zijn meetinstrumenten waarmee druk gemeten kan worden. Er zijn verschillende soorten manometers zoals standaard buisveermanometers, doosveernanometers, hydraulische manometers en membraanmanometers. De metaalmanometer is de manometer die het meest wordt gebruikt. De metaalmanometer wordt onder andere gebruikt in cv-ketels. Voor het meten van luchtdruk wordt een barometer gebruikt. Manometers kunnen druk weergeven doormiddel van een wijzer, deze manometers worden ook wel analoog genoemd. Er wordt tegenwoordig echter steeds meer gebruik gemaakt van digitale manometers.

Hoe werkt een eenvoudige manometer?
Een manometer meet druk en de meest eenvoudige manier om dat te doen is het gebruiken van een buis in een U-vorm. Hierbij staan de uiteinden van de buis naar boven. De ene kant van de buis staat in contant met de atmosfeer en heeft dus atmosfeerdruk. De andere kant van de buis dient verbonden te zijn met de druk die gemeten moet worden. In de buis wordt een vloeistof aangebracht. Dit is meestal kwik, water of ethanol. Als de te meten druk gelijk is aan de atmosfeerdruk zal de vloeistof in de buis aan beide kanten op hetzelfde niveau zijn. Als de druk aan de te meten kant stijgt zal de vloeistof in de manometer aan die kant naar beneden dalen. Als men kleine drukverschillen moet meten gebruikt men over het algemeen ethanol. Voor het meten van grote drukverschillen wordt kwik gebruikt.

Wat wordt bedoelt met de bouwfraude of bouwfraudezaak?

De bouwfraude of de bouwfraudezaak is een term die verwijst naar de periode waarin tussen 1990 en 2000 in Nederland onregelmatigheden zijn opgetreden bij de aanbestedingsprocedures van overheidsprojecten. De bouwfraude gaat vooral over de geheime prijsafspraken tussen bouwbedrijven. Deze geheime prijsafspraken zorgden er voor dat er oneerlijke concurrentie plaatsvond in de bouwsector bij aanbestedingen van de overheid. De mogelijke misstanden bij de aanbestedingen van de overheid zijn in 2002 onderzocht.  Dit gebeurde doormiddel van een parlementaire enquête.

De kern van de bouwfraudezaak
De overheid deed voor onder andere wegenbouwprojecten en de aanleg van tunnels aanbestedingen. In plaats van een eerlijke concurrentie tussen aannemers werden er echter bij de offertes tussen de aannemers onderlinge afspraken gemaakt.  De aannemers verdeelde de opdrachten van de overheid onder elkaar terwijl die openbaar aanbesteed moesten worden. De aannemer die de opdracht verkreeg moest aan de overige concurrenten in ieder geval de kosten vergoeden die gemaakt werden voor het opstellen en uitbrengen van de offerte. De afspraken tussen de aannemers werden gemaakt door regelmatig een vergadering te houden. Naast de onderlinge afspraken tussen de aannemers werden ook in een aantal gevallen ambtenaren gefêteerd of in sommige gevallen omgekocht.

Omvang van de bouwfraudezaak
De omvang van de bouwfraudezaak is groot. In totaal zouden 344 Nederlandse bouwbedrijven zich schuldig hebben gemaakt aan fraude. Het daadwerkelijke aantal bouwbedrijven dat zich met fraude zou hebben ingelaten kan veel hoger liggen. Niet alle gevallen van fraude kunnen namelijk bewezen worden. De bouwbedrijven waarbij fraude werd geconstateerd zijn op 11 februari 2005 met de regering overeengekomen dat er een schadevergoeding door de schuldige bedrijven moet worden betaald. Deze gezamenlijke schadevergoeding werd vastgesteld op 70 miljoen euro.

Ook tegenwoordig wordt bij aanbestedingen en twijfel over de toekenning van opdrachten door de overheid nog regelmatig teruggedacht aan de bouwfraudezaak. Daarom hoort men ook nu nog het woord bouwfraude.

Wat wordt bedoelt met een aanbesteding?

De term ‘aanbesteding’ wordt onder andere veel in de bouw en civiele techniek gebruikt. Met aanbesteding doelt men op een procedure waarbij een opdrachtgever duidelijk maakt dat er een bepaald project of opdracht moet worden uitgevoerd. Daarbij vraagt de opdrachtgever bedrijven om een offerte in te dienen. De offertes worden geschreven door bedrijven die de opdracht graag willen uitvoeren voor de opdrachtgever.

Wat staat er in een offerte?
Met een offerte kan een bedrijf zich inschrijven op een opdracht. In de offerte maakt het bedrijf duidelijk welke werkzaamheden het bedrijf zal uitvoeren indien de opdracht aan hem wordt gegund. Daarnaast is duidelijk aangegeven wat de verwachte duur is en welke prijs het bedrijf voor haar werkzaamheden, materialen en dienstverlening vraagt. De geïnteresseerde bedrijven dienen hun offerte meestal voor een bepaalde datum aan te leveren bij de opdrachtgever.

Wat is het doel van het aanbestedingsbeleid?
Met het aanbestedingsbeleid worden twee doelen nagestreefd. Het eerste doel is het bevorderen van de concurrentie tussen bedrijven die de opdracht graag willen uitvoeren. Deze concurrentie zorgt er in de praktijk vaak voor dat er scherpe prijzen in offertes worden vastgelegd. Dit is gunstig voor de opdrachtgever omdat deze dan minder hoeft te betalen.

Daarnaast is het aanbestedingsbeleid, als het goed is, zo transparant mogelijk. Dit houdt in dat alle aanbieders evenveel kans moeten hebben om de opdracht te bemachtigen. In de praktijk is dit echter lastig te beoordelen. De opdrachtgever legt de offertes naast elkaar en behoort dan en objectieve beslissing te nemen. De controle hierop is moeilijk.

Aanbestedingsregelgeving
Vanuit de Europese Unie is wetgeving geformuleerd over aanbestedingen. Deze zijn door Europese landen vertaald naar nationale aanbestedingsrichtlijnen. In Nederland is de  Aanbestedingswet 2012 van kracht gegaan per 1 april 2013. Deze Aanbestedingswet 2012 bestaat uit vier delen:

  • Deel 1. Algemene bepalingen
  • Deel 2. Overheidsopdrachten, prijsvragen voor overheidsopdrachten en concessieopdrachten voor openbare werken
  • Deel 3. Speciale sectoropdrachten en prijsvragen voor speciale sectoropdrachten
  • Deel 4. Overige bepalingen

Rijksrecherche doet onderzoek naar overtreding aanbestedingsregels in 2014

De overheid is voor veel bedrijven een belangrijke opdrachtgever. Als een bedrijf een opdracht voor de overheid mag uitvoeren betekent dat werk en daarnaast is men vrijwel zeker dat daarvoor een goed bedrag wordt betaald. Bedrijven in Nederland wedijveren vaak met elkaar als de overheid weer een nieuw project heeft. Hiervoor zijn aanbestedingsregels opgesteld. Er is in Nederland een sterk vermoeden dat de aanbestedingsregels voor sommige ambtenaren worden overtreden. Daarom zijn er verschillende instellingen die aangifte hebben gedaan bij het Openbaar Ministerie (OM).

Door het overtreden van aanbestedingsregels worden andere bedrijven benadeeld. Daarnaast wordt ook de burger indirect het slachtoffers als een aanbesteding om ongegronde redenen wordt verstrekt aan een bedrijf dat een hogere prijs vraag voor haar dienstverlening dan andere bedrijven.  De integriteit van de overheid komt daarnaast door de berichtgeving onder druk te staan. De partij de SP heeft daarom in de Tweede Kamer vragen gesteld over de aanbestedingsregels.

Maandag 28 oktober 2014 liet minister Stef Blok (Rijksdienst) weten dat de rijksrecherche is bezig met een oriënterend onderzoek. Dit onderzoek is gericht op de  mogelijke overtredingen van de aanbestedingsregels door ambtenaren. Hierbij wordt met name gekeken naar het ministerie van Defensie en gemeente Rotterdam.

Reactie van Technisch Werken
De overheid heeft macht in Nederland. Hoewel ons land democratisch is kan men niet zeggen dat alle procedures voor de bevolking transparant zijn. Ambtenaren zijn gewone mensen en die net als iedereen gevoelig zijn voor druk en mooie beloften. De vraag is natuurlijk of daardoor verkeerde beslissingen worden genomen. Het is goed dat de overheid daar onderzoek naar laat doen in 2014. Het onderzoek had echter al veel eerder plaats moeten vinden.

Doorstroom uitkeringsgerechtigden vanuit WW naar bijstand in 2013

De meeste mensen die een baan verliezen hebben recht op een WW uitkering. De lengte van deze uitkering is afhankelijk van de periode dat de desbetreffende persoon betaald werk heeft gehad. De afgelopen vijf jaar is het aantal mensen dat vanuit een WW-uitkering uitstroomde in de bijstand toegenomen. Toen de economische crisis in 2008 begin stroomden ongeveer 14.000 mensen van de WW-uitkering naar een bijstandsuitkering. Vijf jaar later, in 2013, gebeurde dit met bijna 31.000 mensen.

Uitstroom in de bijstand
Het absolute aantal mensen dat vanuit een WW-uitkering uitstroomde naar een bijstandsuitkering is in 5 jaar verdubbeld. Het percentage mensen dat vanuit de WW naar de bijstand uitstroomde is echter gelijk gebleven. Dit komt omdat ook het aantal WW-uitkeringen ruim verdubbelde in deze vijf jaar. Van alle mensen die in de WW terecht is gekomen komt 1 op de 6 na het behalen van de maximale WW- uitkeringsduur in de bijstand terecht. Over het algemeen komen verhoudingsgewijs veel laagopgeleiden en 55-plussers in de bijstand terecht. Voor deze groepen is het moeilijk om werk te vinden.

Reactie van Technisch Werken
Voor bepaalde groepen op de arbeidsmarkt is het moeilijk om werk te vinden. Deze groepen moeten door de overheid worden ondersteund bij het vinden van passend werk. Dat is eenvoudiger gezegd dan gedaan. Laagopgeleide werknemers hebben het moeilijk op de arbeidsmarkt omdat veel eenvoudig werk door machines en automatisering wordt overgenomen. De belangrijkste oplossing voor deze groep werkzoekenden is omscholing of bijscholing.

Voor vijftigplussers zijn al verschillende oplossingen ingevoerd zoals premiekorting voor de werkgevers wanneer ze deze werknemers in dienst nemen. Daarnaast zijn ook voor deze groep verschillende omscholingstrajecten en bijscholingsprogramma’s. De komende jaren zal moeten blijken of deze oplossingen daadwerkelijk effect hebben.

Wanneer heb je recht op transitievergoeding volgens de Wet werk en zekerheid?

De Wet werk en zekerheid is in 2014 ontstaan en heeft tot doel de ontslagprocedures in Nederland, eerlijker, sneller en goedkoper te maken. De overheid wil met deze wet meer mensen uit de WW-uitkering houden. Daarnaast wordt de positie van flexwerkers op de arbeidsmarkt versterkt door de bepalingen in de Wet werk en zekerheid.

Volgens de Wet werk en zekerheid moet de werkgever een transitievergoeding betalen aan een werknemer als de arbeidsovereenkomst met de desbetreffende werknemer minimaal 24 maanden heeft geduurd. De werkgever hoeft echter niet in alle gevallen een transitievergoeding aan de werknemer te betalen. Het betalen van de transitievergoeding is alleen van toepassing als:

  • de arbeidsovereenkomst door de werkgever is op gezegd.
  • de arbeidsovereenkomst op verzoek van de werkgever is ontbonden.
  • de arbeidsovereenkomst eindigt van rechtswege op initiatief van de werkgever en er wordt niet aansluitend een nieuw contract door de werkgever verstrekt.

De transitievergoeding dient ook door de werkgever te worden betaald als de werkgever ernstig verwijtbaar heeft gehandeld of ernstig nalatig is geweest en dat daardoor:

  • de werknemer de arbeidsovereenkomst heeft opgezegd.
  • het contract op verzoek van de werknemer is ontbonden.
  • de werknemer op grond van de nalatigheid of verwijtbaar handelen van de werkgever er voor kiest om na een contractbeëindiging op basis van rechtswege geen nieuw contract met de desbetreffende werkgever te sluiten.

Wanneer treed de transitievergoeding in?
De Kantonrechtersformule (AxBxC) is afgeschaft per 1 juli 2015. Vanaf dat moment treed de transitievergoeding in er is namelijk door de overheid geen overgangsregeling benoemd.  De transitievergoeding is maximaal een bedrag van 75.000 euro of maximaal 1 jaarsalaris als dat bedrag hoger uitvalt dan 75.000 euro. Als de werknemer echter ernstig verwijtbaar heeft gehandeld hoeft de werkgever hem of haar geen transitievergoeding te betalen.

Bij de transitievergoeding wordt het uitgangspunt gehanteerd dat elke werknemer tot zijn of haar 10e dienstjaar 1/3 maandsalaris per jaar opbouwt. Na het 10e dienstjaar bouwt de werknemer een ½ maandsalaris per jaar op.

Wat benoemt de WAADI over gelijke behandeling en gelijke beloning / equal pay?

In hoofdstuk 3 Ter beschikking stellen van arbeidskrachten van de WAADI staat onder Artikel 8 op welke manier een uitzendkracht beloont dient te worden door het uitzendbureau. De beloning dient te gebeuren op basis van gelijke behandeling. Artikel 8 wordt ook wel loonverhoudingsvoorschrift of loonverhoudingsnorm genoemd.

Artikel 8 gelijke behandeling
In artikel 8 van de WAADI lid 1 is beschreven dat arbeidskrachten die ter beschikking  worden gesteld aan inleners recht hebben op ten minste dezelfde arbeidsvoorwaarden als de werknemers die rechtstreeks in dienst zijn bij het bedrijf. Hierbij worden de arbeidskrachten die ter beschikking worden gesteld vergeleken met werknemers in rechtstreekse dienst in een gelijke of gelijkwaardige functie.

Bij de vergelijking dient de ter beschikking gestelde arbeidskracht minimaal hetzelfde loon te ontvangen als rechtstreeks personeel. Ook overige vergoedingen die tot de beloning van de werknemers behoren dienen hetzelfde te zijn.

Ook op andere gebieden dan beloning dient de ter beschikking gestelde arbeidskracht gelijkwaardig behandelt te worden door het inlenende bedrijf. Hierbij kan gedacht worden aan afspraken met betrekking tot arbeidstijden, rusttijden, overwerk, nachtdiensten en de duur van vakanties. Ook met betrekking tot werken op feestdagen dient een ter beschikking gestelde arbeidskracht gelijkwaardig behandelt te worden. het gaat hierbij om bepalingen met betrekking tot de collectieve arbeidsovereenkomst van het inlenende bedrijf en andere niet wettelijke bepalingen die van toepassing zijn op het personeel dat binnen de inlenende partij werkzaam is.

Equal pay en inlenersbeloning
In de praktijk is volgens de overheid gebleken dat niet in alle situaties waarin personeel ter beschikking werd gesteld correct met de wetgeving omtrent gelijke beloning wordt omgegaan. Daarom heeft de overheid bepaald dat uitzendondernemingen en andere ondernemingen die personeel ter beschikking stellen vanaf 30 maart 2015 de beloningssystematiek van de inlener moeten navolgen. Dit houdt in dat ingeleend personeel voor hetzelfde werk dezelfde beloning moet ontvangen als het personeel dat rechtstreeks bij de desbetreffende organisatie werkt. Dit wordt ook wel inlenersbeloning genoemd. De inlenersbeloning is een onderdeel van het Equal pay beleid van de overheid. De overheid zal ook in 2015 controles uitoefenen of uitzendbureaus het Equal pay beleid naleven.

Wat verstaat men onder equal pay of gelijke beloning?

Equal pay is een term die steeds vaker in het nieuws wordt gehoord. Equal pay is een Engelse uitdrukking die in het Nederlands letterlijk vertaald kan worden met ‘gelijke beloning’. Equal pay heeft te maken met de beloning van werknemers. Werkgevers dienen werknemers die dezelfde werkzaamheden verrichten op hetzelfde niveau en dezelfde verantwoordelijkheden dragen ook gelijk te behandelen. Ook op het gebied van beloning mag een werknemer geen onderscheid maken tussen de achtergrond van de werknemers.

Gelijke beloning voor mannen en vrouwen
Gelijke beloning wordt vaak genoemd in het streven naar het beperken van de verschillen tussen de beloning van mannelijke en vrouwelijke werknemers. Tussen de beloning van mannen en vrouwen kan op de werkvloer een verschil aanwezig zijn. Dit verschil in beloning wordt inzichtelijk wanneer men het gemiddelde uurloon van vrouwen en mannen tegen elkaar afzet. Daarbij dient men rekening te houden met de functies en achtergrondkenmerken van de personen waarvan het salaris wordt vergeleken. De aspecten die beoordeeld dienen te worden zijn dienstjaren, arbeidsduur, opleidingsrichting, opleidingsniveau en werkervaring.

Equal Pay voor flexkrachten en flexpersoneel
De term Equal pay wordt ok gebruikt voor de uitzendbranche. In dit verband bedoelt men met Equal pay de gelijke beloning van een uitzendkracht ten opzichte van het personeel dat vast in dienst is bij de inlener waar de uitzendkracht wordt ingezet. Dit wordt ook wel de inlenersbeloning bedoelt. Uitzendbureaus moeten vanaf 30 maart 2015 de inlenersbeloning hanteren voor  uitzendkrachten die ze aan het werk helpen. Dit houdt in dat uitzendbureaus de beloningssystematiek moeten overnemen van het bedrijf waar de uitzendkrachten of andere flexkrachten te werk worden gesteld. Daarvoor moet het uitzendbureau informatie inwinnen bij het bedrijf waar het flexpersoneel aan de slag gaat. De volgende componenten worden in de inlenersbeloning meegenomen:

  • Het bruto loon van de werknemer in een gelijkwaardige functie met dezelfde opleidingsachtergrond en werkervaring.
  • Arbeidsduurbepalingen zoals ADV.
  • Toeslagen die van toepassing zijn in de desbetreffende functie. Zoals toeslagen voor overwerk.
  • Periodieken, hoogte en tijdstip als bij de inlener bepaald.
  • Initiële loonsverhogingen moeten voor de flexkracht op het gebied van de hoogte en het tijdstip gelijkwaardig zijn met het personeel dat rechtstreeks in dienst is bij het bedrijf.
  • Kostenvergoedingen zoals reiskosten, pensioenkosten en andere kosten noodzakelijk vanwege de uitoefening van de functie moeten eveneens gelijkwaardig worden vergoed of afgedragen.

Wat wordt bedoelt met referenties of een referentie tijdens een sollicitatieprocedure?

Tijdens sollicitatieprocedures wordt regelmatig aan een sollicitant gevraagd of hij of zij ook referenties heeft. Referenties worden steeds belangrijker in sollicitaties daarom is het goed dat een sollicitant weet wat met referenties wordt bedoelt. Een referentie is een persoon die contact heeft gehad met de sollicitant in een eerder dienstverband of in een opleidingsinstelling. Meestal is een referentie een werkgever, leidinggevende of mentor. In sommige gevallen kan ook een voormalig collega als referentie worden opgegeven door een sollicitant.

Wat is een referentie?
Een referentie moet een persoon zijn die een goed beeld heeft van de kwaliteiten, vaardigheden en competenties van de desbetreffende sollicitant. Een sollicitant mag referenties afgeven maar is daartoe niet verplicht. Een sollicitant doet er goed aan om voor de sollicitatie een aantal bedrijven, waar hij of zij goed heeft gewerkt, te vragen of deze als referentie opgegeven mogen worden.  Daarbij moet de desbetreffende persoon die als referentie genoteerd wordt wel op de hoogte worden gebracht. Een sollicitant doet er goed aan om met de referentie te bespreken wat door de referentie wordt genoemd als hij of zij door een andere werkgever wordt gebeld. Een referentie wordt door een sollicitant ook regelmatig op een curriculum vitae (cv)  genoteerd eventueel met telefoonnummer. Het is ook mogelijk dat een sollicitant de referentie pas in een later stadium van de sollicitatieprocedure op verzoek noemt aan de werkgever waar hij of zij solliciteert. Een getuigschrift kan ook een referentie bevatten. Deze documenten worden door veel sollicitanten bewaard bij de cv en diploma’s.

Waarom zijn referenties belangrijk?
Referenties vormen voor bedrijven een belangrijke informatiebron over het functioneren van de sollicitant. Voormalig werkgevers en leerkrachten bij opleidingsinstituten kunnen meestal een goed beeld schetsen van de kwaliteiten van de desbetreffende sollicitant. Een referentie is zowel belangrijk voor de sollicitant als de werkgever die een vacature open heeft te staan en sollicitaties binnen krijgt. Voor de sollicitant kan een goede referentie een belangrijke ondersteuning vormen in de sollicitatieprocedure. Voor een werkgever is het navragen van een referentie over een sollicitant een belangrijk controlemiddel of de sollicitant zijn of haar eigen kwaliteiten goed inschat. Er zijn werkgevers die alleen maar sollicitaties in behandeling nemen als er één of meerdere referenties worden aangegeven door de sollicitant.

Valkuilen met betrekking tot referenties
Sollicitanten kunnen in een aantal valkuilen lopen met betrekking tot het opgeven van referenties. Zo dienen de personen die als referentie worden opgegeven dit wel van te voren te weten. De gerefereerde moet namelijk niet voor verassingen komen te staan en van te voren een goed beeld over de persoon hebben. Sommige werkgevers of werknemers willen liever niet als referent optreden. Een andere valkuil is het benoemden van referenties van bedrijven waar men slecht heeft gefunctioneerd in de hoop dat de nieuwe werkgever hiermee toch geen contact opneemt.

Werkgevers kunnen echter ook in valkuilen lopen met betrekking tot referenties. Zo kunnen werkgevers een referentie klakkeloos overnemen zonder eerst goed naar de sollicitant en zijn of haar profiel te kijken. Ook is het inwinnen van slechts één referentie een valkuil. Een sollicitant kan net bij dat bedrijf goed of juist niet goed hebben gefunctioneerd. Dat zorgt er voor dat er alsnog een onvolledig beeld ontstaat.

Wat zijn halffabricaten of halffabrikaten?

Halffabricaten zijn producten die worden gemaakt door de basisindustrie. Het woord ‘halfabricaten’ wordt soms ook geschreven als ‘halffabrikaten’, hiermee worden producten bedoelt die nog verwerkt moeten worden tot een eindproduct. De halffabricaten die worden geproduceerd in de basisindustrie staan aan de basis van verschillende productieprocessen. Een halffabricaat is dus een soort tussenvorm tussen een materiaal en een eindproduct. Een halffabricaat is een grondstof die al is bewerkt maar het product is nog niet gereed voor de eindgebruiker.

Voorbeelden van halffabricaten
Halffabricaten zijn er in verschillende soorten. Deze worden gemaakt in basisindustrieën zoals de olieraffinaderijen en de hoogovens. Uit ijzererts wordt bijvoorbeeld ijzer gewonnen. Dit ijzer wordt in hoogovens verwerkt tot staal. Dit staal kan vervolgens worden verwerkt tot stalen platen en profielen. Deze platen en profielen kunnen worden beschouwd als halffabricaten. Ook de aluminium profielen en aluminium platen zijn voorbeelden van halffabricaten.

Sommige bedrijven maken van deze halffabricaten nog kleine samengestelde halfabricaten die weer worden verwerkt door andere bedrijven tot eindproducten. In verschillende productieprocessen worden producten in een aantal stappen vervaardigd. De producten die dan tijdens deze verschillende stappen ontstaan zijn in feite ook halffabricaten totdat het eindproduct tot stand is gekomen.

Wat is een machinefabriek en met welke kernprocessen houden deze fabrieken zich bezig?

Binnen de werktuigbouwkunde zijn verschillende bedrijven actief. Hieronder vallen onder andere constructiebedrijven, verspaners en plaatwerkbedrijven. Deze bedrijven maken allemaal producten of halffabricaten. De bedrijven in de werktuigbouwkunde kunnen rechtstreeks aan klanten leveren maar kunnen ook als toeleverancier voor andere werktuigbouwkundige bedrijven actief zijn. Een machinefabriek is een voorbeeld van een type bedrijf dat in de werktuigbouwkunde actief is. In een machinefabriek worden apparaten en machines gemaakt. Van oudsher horen machinefabrieken tot de zware industrie. De machinebouw is echter zeer divers. Er zijn ook kleine bedrijven actief in dit segment van de werktuigbouwkunde. Deze kleinere machinebouwers behoren tot de lichte tot middelzware metaalindustrie. Afhankelijk van de omvang en de complexiteit van de machines die gebouwd worden, kan een machinefabriek alles in eigen beheer maken of machines bouwen in samenwerking met toeleveranciers en andere zakelijke partners

Onstaan van machinefabrieken
In de 19e eeuw ontstonden verschillende bedrijven in Nederland in de industrie. De industriële revolutie deed zijn intrede ook in de metaalsector. Traditionele bedrijven die zich met de metaalbewerking in Nederland bezig hielden waren de gieterijen en smederijen. Deze bedrijven waren echter kleinschalig. De industriële revolutie bracht verschillende grote veranderingen in Nederland. De kleine metaalbedrijven verdwenen langzamerhand en de metaalnijverheid werd een metaalindustrie. Er ontstonden verschillende nieuwe bedrijven waaronder machinefabrieken. Deze fabrieken ontstonden over het algemeen uit smederijen die zich gingen specialiseren in de bouw van werktuigen zoals stoomketels en stoommachines. Deze stoommachines werden ingezet in andere industrieën die daardoor meer konden produceren.  Verder werden ook productiemachines gemaakt door machinefabrieken. Hierbij kan gedacht worden aan textielmachines en transportbanden. Verder werden ook machines vervaardigd voor de landbouwmechanisatie. De landbouwsector werd namelijk ook steeds meer gemechaniseerd. Uiteindelijk werd de mechanisatie in de landbouwsector pas na de Tweede Wereldoorlog geprofessionaliseerd. De machinefabrieken hebben een belangrijke bijdrage geleverd aan de professionalisering van de landbouwsector.

Moderne machinefabrieken
Innovatie en werktuigbouwkunde zijn twee begrippen die tegenwoordig vaak samen worden genoemd. Binnen de werktuigbouwkunde worden voortdurend nieuwe machines, gereedschappen en apparaten ontwikkelt waarmee werkzaamheden, sneller, effectiever en professioneler kunnen worden uitgevoerd. Er zijn verschillende bedrijven die zich een machinefabriek noemen. Er worden door deze bedrijven zeer uiteenlopende machines en apparaten gemaakt. Veel bedrijven bouwen gespecialiseerde productiemachines voor de procesindustrie maar er zijn ook bedrijven in de machinebouw die maatwerkmachines leveren aan klanten in andere segmenten. In het verleden werden vooral stoommachines geproduceerd en machines die een verbrandingsmotor bevatten. Tegenwoordig zijn veel machines elektrisch aangedreven met behulp van een elektromotor.

De nieuwste ontwikkelingen in de machinebouw zijn vooral gericht op automatisering. Hierbij komt veel elektronica en software aan de orde. Verder wordt precisie werk ook belangrijk. Daarom zijn er verschillende machinebouwers die zich richten op fijnmechanica. Hiervoor zijn specialistische machines ontwikkelt die zich richten op eroderen en vonkverspanen. Deze machines zijn nog nauwkeuriger dan de gebruikelijke machines in de verspaning die met beitels werken.

Machinerichtlijn (2006/42/EG)
De voortdurende ontwikkelingen zorgen er voor dat er steeds complexere machines worden ontwikkelt en geproduceerd. Het is echter wel belangrijk dat machines aan strenge eisen voldoen. Machines zijn arbeidsmiddelen en zijn bedoelt om werknemers te ondersteunen bij werkzaamheden. Een machine is daarmee een middel om arbeid te verrichten of om arbeid te vergemakkelijken. Voor machines is de Europese Richtlijn Arbeidsmiddelen van toepassing. Hierin staan richtlijnen met betrekking tot de veiligheid van arbeidsmiddelen. Daarnaast is de Machinerichtlijn (2006/42/EG) van toepassing in de machinebouw. In deze richtlijn staan eveneens verschillende eisen waaraan bedrijven in de machinebouw zich moeten houden. Deze eisen van de Machinerichtlijn zijn gericht op de veiligheid van verschillende aspecten in de machinebouw en kent het volgende toepassingsgebied:

  • Machines
  • Verwisselbare uitrustingsstukken
  • Veiligheidscomponenten
  • Hijs- en hefgereedschappen
  • Kettingen, kabels en banden
  • Verwijderbare mechanische overbrengsystemen
  • Niet voltooide machines

Wat is de machinerichtlijn (2006/42/EG) en waarop is deze van toepassing?

De machinerichtlijn (2006/42/EG) is een richtlijn die in Europa van toepassing is op de machine-industrie. Deze richtlijn is van toepassing op de machines die in Europa worden gebouwd en gebruikt. De machinerichtlijn gaat met name over de veiligheidscriteria waaraan machines moeten voldoen. Machines zijn arbeidsmiddelen en moeten voldoen aan strenge richtlijnen met betrekking tot veiligheid.

Machines bevatten meestal meerdere draaiende delen. Deze delen moeten worden afgeschermd omdat kledingstukken en haren doormiddel van de draaiende delen naar de machine kunnen worden getrokken en voor letsel en schade kunnen zorgen. Naast het afschermen van draaiende delen dienen op de machinedelen die niet kunnen worden afgeschermd waarschuwingsmarkeringen te worden aangebracht.

Sommige machines produceren zaagsel en spaantjes van hout of metaal. Deze stukjes materiaal kunnen mensen in de omgeving van de machine verwonden. Daarom moeten machines zo zijn vormgegeven dat deze spaanjes en het zaagsel goed worden afgevoerd en niet in contact kunnen komen met de werknemers in de omgeving van de machinebankwerker. Fijn stof moet worden afgezogen en gefilterd met een luchtfilterinstallatie zodat het stof niet in de luchtkanalen van de werknemers terecht kan komen.

De machinerichtlijn schrijft voor dat elk veiligheidsrisico dat weggenomen kan worden ook daadwerkelijk weggenomen moet worden. Kortom machines moeten zo veilig mogelijk worden gemaakt.

Wat is het toepassingsgebied van de machinerichtlijn?
De machinerichtlijn heeft verschillende toepassingsgebieden. Op de volgende toepassingsgebieden geldt de machinerichtlijn:

  • Machines
  • Verwisselbare uitrustingsstukken
  • Veiligheidscomponenten
  • Hijs- en hefgereedschappen
  • Kettingen, kabels en banden
  • Verwijderbare mechanische overbrengsystemen
  • Niet voltooide machines

Moet gereedschap gekeurd worden?

Gereedschap behoort tot de arbeidsmiddelen van de werknemer. Door het gebruiken van gereedschap zal het gereedschap slijten en daarnaast zal door intensief gebruik of verkeerd gebruik van gereedschap de kans op defecten toenemen. De veiligheidstechnische staat van bepaalde gereedschap kan door gebruik achteruit gaan. Bij gereedschappen waarbij dit aan de orde is zal men regelmatig een keuring moeten uitvoeren. Deze keuring moet over het algemeen één maal per jaar plaatsvinden. De keuring van gereedschap moet door een erkende instantie worden uitgevoerd.

Eventueel kan de keuring van gereedschap ook door een medewerker van hetzelfde bedrijf worden gedaan maar dan zal deze medewerker ook over de juist papieren moeten beschikken en voldoende ervaring moeten hebben. Een arbeidsmiddel dat gekeurd is moet voorzien zijn van een sticker of andere aanduiding zodat de gebruiker van het arbeidsmiddel kan zien wanneer het gereedschap gekeurd is en wat het resultaat is van de keuring (goedgekeurd of afgekeurd).

CE markering en goedkeuringsteken
Voor machines die in Europa worden geproduceerd en gebruikt is de machinerichtlijn (2006/42/EG) van toepassing. Deze Europese richtlijn schrijft voor aan welke veiligheidscriteria de machine-industrie moet voldoen. Goedgekeurde machines worden voorzien van een CE-markering. Deze markering maakt duidelijk dat de machine of het arbeidsmiddel conform Europese richtlijnen is geproduceerd.

Door het gebruiken van de machines en overige arbeidsmiddelen kan de werking verminderen en kan ook de veiligheid van de machine achteruit gaan. In dat geval kan een arbeidsmiddel wel een CE-markering hebben maar is het arbeidsmiddel feitelijk niet meer veilig. Daarom moeten arbeidsmiddelen gekeurd worden en na afloop van de keuring worden voorzien van een duidelijke sticker. Over het algemeen worden twee soorten stickers gehanteerd: een sticker met afgekeurd en een sticker met een datum waarop het gereedschap is goedgekeurd.

Van de keuring van de arbeidsmiddelen moeten schriftelijke bewijstukken worden opgesteld. Deze bewijsstukken moeten op de werkplek aanwezig zijn.

Europese Richtlijn Arbeidsmiddelen
De regels omtrent de veiligheid en gezondheid van werknemers is in Nederland onder andere in het Arbobesluit vastgelegd. Vanuit Europa zijn er echter ook richtlijnen vastgelegd omtrent de veiligheid van arbeidsmiddelen. Deze kan men onder andere vinden in de Europese Richtlijn Arbeidsmiddelen. Hierin staat onder andere dat een werkgever er voor moet zorgen dat het gebruik van een arbeidsmiddel geen gevaar mag opleveren voor de gezondheid en veiligheid van de werknemer.

Wie is verantwoordelijk voor de veiligheid van arbeidsmiddelen?
De werkgever die werknemers in dienst heeft en arbeidsmiddelen aan hen verstrekt is verantwoordelijk voor de technische veiligheid van de arbeidsmiddelen. Ook de huurder of lener van gereedschap is verantwoordelijk voor de veiligheid van het arbeidsmiddel. Uitzendbureaus met technisch personeel dienen zich ook te houden aan de richtlijnen met betrekking tot de veiligheid van arbeidsmiddelen. Uitzendbureaus die arbeidsmiddelen verstrekken zullen daarom ook regelmatig het gereedschap van de technische uitzendkrachten moeten laten keuren. Elektrisch gereedschap moet bijvoorbeeld voldoen aan de richtlijnen uit de NEN 3140.

Zeven risicoklassen
Arbeidsmiddelen zijn er in verschillende soorten. Handgereedschappen, elektrische gereedschappen, machines, apparaten en installaties behoren allemaal tot de arbeidsmiddelen. Bepaalde arbeidsmiddelen leveren meer arbeidsrisico’s dan andere arbeidsmiddelen. Daarom worden arbeidsmiddelen in verschillende risicoklassen ingedeeld. In totaal zijn er zeven risicoklassen. Arbeidsmiddelen die in een lage risicoklasse worden ingedeeld brengen minder arbeidsrisico’s met zich mee. Arbeidsmiddelen met een hoger arbeidsrisico worden in een hogere risicoklasse ingedeeld.

Mag een werkgever zijn eigen gereedschappen keuren?
Arbeidsmiddelen worden in zeven risicoklassen ingedeeld. Het gaat te ver om in deze tekst een opsomming te geven van alle arbeidsmiddelen en de klassen waartoe deze behoren. Hoe hoger de risicoklasse van het arbeidsmiddel hoe zwaarder de eisen zijn die aan de keurmeesters worden gesteld. Tot categorie 4 tot 6 behoren bijvoorbeeld bepaalde hijsmachines en hefmachines. De arbeidsmiddelen die in de drie hoogste risicoklassen (categorie 5, 6 en 7) zijn ingedeeld worden gekeurd door onafhankelijke deskundigen. Arbeidsmiddelen in lagere risicoklassen mogen echter wel door werknemers van het desbetreffende bedrijf zelf worden gekeurd mits ze daarvoor een gedegen opleiding hebben gevolgd.